Mijn man vindt dat mijn pensioen betekent dat ik weer fulltime huisvrouw moet worden
Ik ben 58 en sinds vorig jaar met vroegpensioen. Niet omdat ik het werk niet meer aankon, maar omdat het financieel nét kon en ik al jaren dacht: als ik ooit de kans krijg om wat rustiger te leven, dan doe ik het. Ik heb ruim dertig jaar in de thuiszorg gewerkt. Vroege diensten, late diensten, kerst, weekenden, altijd wel iemand die uitviel. Ik mis sommige cliënten nog steeds, gek genoeg. Maar ik mis het gejaagde niet.
Mijn man Henk is 62 en heeft een installatiebedrijfje. Nou ja, bedrijfje: hij werkt alleen, met af en toe een jongen die hij inhuurt als het druk is. Hij gaat meestal rond half zeven de deur uit en komt zelden voor zes uur thuis. Soms later, zeker als er ergens een cv-ketel uitvalt of een verbouwing uitloopt. Hij werkt hard. Dat zeg ik ook niet alleen om aardig te klinken. Hij werkt echt hard, en hij maakt zich voortdurend zorgen over geld, klanten die te laat betalen, materiaal dat duurder wordt en of hij het nog wel tien jaar volhoudt.
Toen ik stopte met werken, zei hij nog: “Nou, dan krijg jij eindelijk tijd voor jezelf.” Dat vond ik lief. Ik ben gaan zwemmen op dinsdagochtend, drink af en toe koffie met mijn oude collega Marja en ik ben meer gaan koken omdat ik daar zin in had, niet omdat het tussen twee diensten door moest.
En op woensdag pas ik op onze kleinkinderen, Mees van vijf en Saar van bijna drie. Onze dochter Iris werkt dan op kantoor en haar vriend heeft een vaste kantoordag. Ze hadden natuurlijk ook opvang kunnen regelen, maar ik bood het zelf aan. Ik wilde het graag.
Misschien klinkt dat alsof ik mezelf onmisbaar wilde maken. Dat kan best een beetje zo zijn. Je gaat van een baan waarin mensen op je rekenen naar een huis waar het om tien uur ’s ochtends soms zó stil is dat je de koelkast hoort aanslaan. Op woensdag is dat voorbij. Dan ligt er duplo onder de tafel, staat er appelstroop op een kastdeurtje en moet ik soms drie keer vragen of Mees alsjeblieft zijn schoenen aantrekt.
Ik ben na zo’n dag kapot, maar op een fijne manier. Saar slaapt soms met haar handje om mijn vinger geklemd. Mees vertelt me tijdens het eten dingen die hij blijkbaar niet aan zijn ouders vertelt, zoals dat hij bang is voor de grote jongens op het schoolplein. Ik vind het bijzonder dat ik daar onderdeel van mag zijn.
Alleen begon Henk na een paar maanden opmerkingen te maken.
Eerst waren het van die losse dingen. “Hebben we nog schone handdoeken?” Of: “Wat eten we eigenlijk?” Niet onredelijk, vond ik. Ik deed ook het grootste deel van het huishouden. Dat deed ik tijdens mijn werk eigenlijk al, al deed Henk in het weekend wel de boodschappen en de tuin. Maar doordat ik op woensdag oppas, blijft er soms was liggen. En als ik met twee kinderen door de regen naar de speeltuin ben geweest en daarna nog pasta heb gekookt omdat Saar alleen pasta zonder ‘groene stukjes’ wil, heb ik ’s avonds niet altijd energie om ook nog de keuken helemaal aan kant te maken.
Henk komt dan thuis, kijkt rond en zucht. Niet altijd overdreven hard, maar ik hoor het wel.
Vorige maand stond hij in de keuken met zijn jas nog aan. Er lag een omgevallen bakje rozijnen op de grond. Ik had het gezien, maar Saar was op dat moment huilend wakker geworden en daarna was het uit mijn hoofd gegaan.
“Het ziet er hier niet uit,” zei hij.
Ik zei: “Ik ruim het straks op. Ik ben net thuis met de kinderen.”
Hij keek me aan alsof ik iets heel vreemds zei. “Maar jij bent toch de hele dag thuis geweest?”
Dat ene zinnetje bleef bij me hangen. Niet omdat hij mij geen rommel mag verwijten. Het was rommelig. Maar omdat hij blijkbaar dacht dat ik de hele dag een beetje koffie had gedronken terwijl de kinderen zichzelf vermaakten.
Ik zei dat oppassen ook werk is. Toen maakte hij zo’n kort lachje waar ik meteen kwaad van word.
“Kom op, Els. Het zijn je kleinkinderen. Dat is toch geen werk?”
Ik wist niet eens goed wat ik terug moest zeggen. Natuurlijk zijn het mijn kleinkinderen. Natuurlijk doe ik het met liefde. Maar liefde maakt je niet minder moe. Liefde zorgt er ook niet voor dat een peuter ineens zelf naar de wc gaat of dat een kind van vijf niet meer boos wordt omdat zijn banaan doormidden is gebroken.
Sindsdien gaat het steeds over hetzelfde, maar nooit op een rustig moment. Als hij thuiskomt. Als ik nog in mijn jas sta. Als er geen eten klaarstaat omdat ik om kwart over vijf pas thuis ben na het ophalen van de kinderen bij Iris.
Henk vindt dat, nu ik niet meer werk, ik gewoon de volledige huishouding moet doen. Hij zegt het iets netter dan dat, meestal. “Ik draag nu toch het inkomen?” zegt hij dan. Of: “Ik vraag toch niet veel? Gewoon dat het thuis een beetje loopt.”
En eerlijk is eerlijk: ik snap wel waar het vandaan komt. Hij werkt lange dagen en komt thuis in een huis waar soms nog speelgoed ligt en waar hij zelf moet vragen wat we eten. Hij heeft nooit goed kunnen ontspannen als er dingen nog ‘moeten’. Zijn vader kwam thuis, zijn moeder zette eten op tafel en iedereen wist waar hij aan toe was. Zo was het bij ons vroeger thuis ook, trouwens.
Maar ik dacht echt dat wij daar samen allang voorbij waren.
Afgelopen zondag is het geëscaleerd om een belachelijk mandje met strijkgoed. Ik had zijn overhemden gewassen en op een stoel in de slaapkamer gelegd. Ik strijk niet alles meer meteen. Henk draagt voor werk vaak polo’s, maar voor afspraken heeft hij overhemden nodig. Hij pakte er eentje uit en zei dat het gekreukt was.
Ik zei: “Dan strijk je hem toch even? De plank staat daar.”
Hij keek me aan en zei: “Nee, Els. Dat is niet mijn taak. Ik werk de hele week.”
Niet mijn taak. Alsof we bij een bedrijf werkten en hij mijn functieomschrijving voorlas.
Ik werd zó boos dat ik zei dat ik zijn was voortaan helemaal niet meer zou doen. Hij zei dat ik dan blijkbaar niet snapte wat partnerschap is. Dat vond ik bijna nog erger, omdat ik juist al jaren van alles voor hem regel zonder dat hij het merkt: zijn vader bellen, cadeaus voor de verjaardagen, de voorraadkast, afspraken bij de tandarts waar hij zelf steeds te laat mee is, de administratie die hij op de keukentafel laat liggen totdat ik er gek van word.
Ik heb ook dingen gezegd waar ik niet trots op ben. Dat hij thuis alleen maar komt eten en klagen. Dat hij denkt dat ik zijn moeder ben. Hij werd heel stil daarvan. Later zei hij dat hij zich thuis steeds minder welkom voelt, omdat ik volgens hem alleen nog maar over Iris en de kinderen praat.
Dat raakte me, want misschien zit daar iets in. Ik vertel inderdaad enthousiast over Mees en Saar. Misschien te enthousiast. Henk heeft geen hekel aan die kinderen, absoluut niet. Hij is dol op ze als hij er tijd voor heeft. Maar hij zei: “Alles lijkt tegenwoordig om hen te draaien. En ik mag blij zijn als er nog een bord eten voor me is.”
Sinds zondag slapen we slecht. Niet apart, maar wel met zo’n ruimte tussen ons in die groter voelt dan ons hele bed. Maandag heb ik mijn zus Anja gebeld. Zij woont in Deventer, alleen sinds haar scheiding. Ik zei half lachend dat ik misschien met een tas bij haar op de stoep zou staan. Ze zei meteen dat ik welkom ben en vroeg daarna pas wat er was.
Ik heb nog geen tas gepakt. Misschien omdat ik weet dat weggaan het niet opeens duidelijker maakt. Misschien ook omdat ik bang ben dat Henk het juist zal zien als bewijs dat ik niet meer om ons geef.
Woensdag ga ik gewoon weer oppassen. Iris weet niets van onze ruzie en dat wil ik voorlopig zo houden. Ik ga Mees ophalen van school, Saar krijgt waarschijnlijk weer haar laarsjes niet aan en ergens aan het eind van de middag zal ik naar de klok kijken omdat ik weet dat Henk bijna thuiskomt.
Ik heb vandaag wel een agenda gekocht. Niet voor boodschappen of afspraken, maar om de oppasdagen, mijn zwemles en dingen die ik zelf wil doen er echt in te zetten. Misschien kinderachtig, maar ik wil dat het ergens zwart op wit staat: ik ben niet de hele dag beschikbaar omdat ik geen loonstrook meer krijg.
Of Henk dat ook zo gaat zien, weet ik nog niet. Vanavond ligt zijn mand met strijkgoed nog steeds naast de trap.