Hij wilde dat ik alleen naar de stad verhuisde, maar tekenen voor ons pensioenappartement lukte hem niet

De makelaar had de koopakte al klaargelegd toen ik zag dat Henk zijn pen niet eens uit zijn jaszak haalde.

Hij zat aan de eettafel in ons huis in Veldhoven, met zijn winterjas nog aan, alsof hij elk moment weer weg kon. Buiten stond de container van de buren half op de stoep en ik dacht, heel kinderachtig misschien: zelfs dit ga ik niet missen. Al die kleine dingen waar je steeds achteraan moet. De kliko. De heg. De lekkende regenpijp. De achterdeur die alleen dichtgaat als je hem optilt.

Ik ben 64, Henk is 67. Hij is vorig jaar gestopt bij zijn installatiebedrijf, waar hij werkvoorbereider was. Ik werkte tot afgelopen zomer drie dagen per week bij de bibliotheek. We hadden altijd gezegd dat we na ons werk kleiner zouden gaan wonen. Niet meteen, hoor. Eerst een paar jaar genieten van het huis, van de tuin en van de ruimte nu de kinderen al lang de deur uit waren.

Maar die paar jaar werden er tien.

Ons huis was ooit precies wat we wilden: een vrijstaande woning, vier slaapkamers, een oprit waar twee auto’s konden staan, een tuin waar de kinderen een trampoline hadden. Nu slapen we beneden niet eens, maar de trap op naar boven wordt ieder jaar irritanter. Niet omdat we zielig en oud zijn, dat bedoel ik niet. Het is gewoon onpraktisch. De logeerkamer staat vol met spullen van wie weet wanneer. In de schuur hangen fietsen die niemand gebruikt. En als het stormt, lig ik wakker van die grote beuk achter in de tuin, omdat er ooit een zware tak op het tuinhuis is gevallen.

Ik wilde naar Eindhoven, naar een nieuw appartement bij het centrum. Geen bejaardenflat met van die bruine gangen, maar een modern complex met lift, een gezamenlijke binnentuin en een balkon waar je niet eerst een halve zaterdag voor hoeft te werken. Mijn vriendinnen Marjan en Els wonen daar allebei al in de buurt. Er is een filmhuis om de hoek, de markt, de bieb waar ik misschien vrijwilligerswerk zou kunnen doen. Ik wilde gaan aquarellen, iets wat ik al twintig jaar zeg en nooit doe. Gewoon met de fiets naar de stad kunnen zonder dat ik eerst moet nadenken over parkeren.

Henk zei in het begin ook dat het hem wel wat leek.

Hij ging zelfs twee keer mee kijken. Bij de tweede bezichtiging stond hij op het balkon en zei hij: „Je kijkt hier tenminste niet bij mensen naar binnen.” Ik hoorde daarin toestemming. Misschien wilde ik die te graag horen.

Langzaam merkte ik dat hij steeds vaker over de buurt begon. Niet rechtstreeks als we het over verhuizen hadden, maar tussendoor. Over Piet van de tennisvereniging die een nieuwe heup had. Over de oud-collega’s die iedere woensdagmorgen koffie drinken bij De Schalm. Over de buurtapp, waarin hij altijd degene is die weet welke aannemer betrouwbaar is of wie er een ladder kan lenen.

Henk is zo iemand die overal bij helpt zonder er veel woorden aan vuil te maken. Hij heeft de meterkast van de overburen bekeken toen hun stroom uitviel. Hij zet ieder jaar de lichtjes op bij het wijkfeest. Bij de voetbalclub heeft hij jarenlang de sponsorborden geregeld. Mensen bellen hem. Dat doet iets met hem, denk ik.

Ik heb dat altijd wel geweten, maar ik zag het als een leuke bijkomstigheid. Alsof hij in Eindhoven gewoon weer Henk zou zijn en mensen hem vanzelf ook zouden vinden.

Op een zondag in januari zei hij ineens dat hij misschien beter hier kon blijven wonen als ik naar de stad wilde.

We zaten aan de keukentafel. Ik was een boodschappenlijstje aan het maken. Hij had net de uitslagen van PSV zitten kijken op zijn telefoon.

„Wat bedoel je, jij blijft hier?” vroeg ik.

Hij haalde zijn schouders op. „Jij wilt daarheen. Ik niet. Dan hoef jij toch niet vast te zitten omdat ik hier graag woon?”

Ik dacht eerst dat hij een grap maakte. Daarna werd ik boos, veel bozer dan ik had verwacht.

„Dus na 38 jaar samen ga jij in dat veel te grote huis zitten en ik ga alleen in een appartement wonen?”

„Zo zeg ik het niet.”

„Maar zo is het wel.”

Hij keek naar zijn koffie. „Ik wil niet iedere ochtend wakker worden op een plek waar ik niemand ken.”

Dat kwam harder binnen dan ik wilde toegeven. Want ik kende die angst wel. Alleen voelde ik hem anders. Voor mij was de gedachte dat we hier zouden blijven juist benauwend. Nog tien jaar de tuin, nog tien jaar kamers schoonmaken waar niemand komt, nog tien jaar wachten tot het huis ons op een dag dwingt te verhuizen omdat het niet meer gaat.

Ik zei dingen die niet netjes waren. Dat hij zich gedroeg alsof hij burgemeester van de wijk was. Dat zijn vrienden heus ook zonder hem koffie konden drinken. Hij werd bleek en stil. Achteraf schaamde ik me daarvoor. Niet omdat ik ineens vond dat ik ongelijk had, maar omdat ik wist dat ik precies raakte waar het pijn deed.

Sinds zijn pensioen is hij minder zichzelf geweest dan hij laat merken. De eerste maanden had hij nog allerlei plannen. De garage opruimen, een cursus Spaans, vaker met de camper weg. Maar uiteindelijk zat hij steeds vaker op dinsdagmiddag bij de vereniging of reed hij ‘even’ langs iemand. Ik vond dat soms irritant. Nu denk ik dat hij daar nog een rol had die duidelijk was. Daar was hij niet gewoon een gepensioneerde man die thuis liep te zoeken naar een klusje.

Het appartement kwam onverwacht op ons pad. Een hoekappartement op de vierde verdieping, twee slaapkamers, een groot balkon en een parkeerplek. Duur, ja. Meer dan we vroeger ooit aan wonen hadden willen uitgeven. Maar ons huis was ook veel waarder geworden dan we hadden gedacht. We konden het betalen, als we niet gek deden.

Ik was er meteen verliefd op. Niet op een romantische manier, maar ik zag mezelf er al koffie drinken in de ochtendzon. Ik zag onze kleindochter Noor aan de keukentafel tekenen. Ik zag een leven dat minder zwaar voelde.

De makelaar belde op een donderdag: de verkopers hadden nog een ander stel, maar als wij die middag mondeling akkoord gingen, kregen wij de eerste kans.

Henk zei aan de telefoon dat hij zou komen. Hij kwam ook. Maar in het verkoopkantoor zei hij bijna niets.

De makelaar schoof de papieren naar ons toe en begon over de ontbindende voorwaarden. Ik pakte mijn pen. Henk legde zijn hand op de tafel.

„Ik kan dit niet,” zei hij.

Niet hard. De makelaar keek meteen naar zijn scherm, alsof hij ons privacy wilde geven zonder echt weg te gaan.

Ik voelde mijn gezicht warm worden. Ik vroeg of we even buiten konden praten. Op de gang bij de lift zei ik dat hij mij daar niet zo kon laten zitten. Hij zei dat ik hem ook al maanden nergens meer in zag zitten behalve in dat appartement.

„Ik vraag je niet om jezelf weg te gooien,” zei ik.

„Nee,” zei hij. „Maar ik weet niet wie ik daar ben.”

We zijn zonder handtekening naar huis gereden. Het was stil in de auto, op de richtingaanwijzer na. Thuis vroeg hij of ik wilde eten. Hij had nog gehakt in de koelkast. Ik zei dat ik geen honger had en ging boven op bed liggen, terwijl het drie uur ’s middags was.

Het appartement is inmiddels aan iemand anders verkocht. Marjan stuurde een berichtje dat ze het jammer vond, omdat ze zichzelf al met mij op de markt zag lopen. Ik heb alleen een hartje teruggestuurd.

Henk heeft vorige week voorgesteld om met een financieel adviseur te praten en ook naar appartementen dichter bij onze wijk te kijken. Dat is redelijk van hem. Misschien zelfs meer dan redelijk. Maar ik merk dat ik daar niet blij van word. Ik wil niet verhuizen naar een kleinere versie van hetzelfde leven omdat dat voor hem minder eng is.

Tegelijkertijd zie ik hem nu soms door de voortuin lopen, even zwaaien naar iemand die langsfietst, en dan denk ik: wie ben ik om te doen alsof dat niets waard is?

Vanmorgen heb ik weer een mapje op Funda opgeslagen. Henk weet het. Hij heeft er niets van gezegd. Hij stond in de schuur een band van zijn fiets op te pompen, hoewel die fiets al weken niet gebruikt is.