Ik zorgde voor mijn ouders, terwijl mijn broer en zus mij om geld bleven vragen
Ik weet nog precies wanneer ik besefte dat ik niet meer normaal ademde. Het was een dinsdagmiddag, half vijf. Ik stond bij mijn ouders in de keuken met een pan aardappels op het vuur, de telefoon tussen mijn schouder en oor geklemd omdat de wijkverpleegkundige terugbelde. Mijn vader riep vanuit de woonkamer dat zijn afstandsbediening het niet deed. Mijn moeder vroeg voor de derde keer die dag of ik haar medicijnen al uit de apotheek had gehaald.
Ondertussen trilde mijn telefoon weer. Een bericht van mijn zus Marije.
‘Kun je me 250 euro lenen? Echt alleen tot de kinderbijslag er is.’
Ik staarde naar dat scherm terwijl de aardappels overkookten. En ik voelde iets in mij gewoon dichtgaan.
Mijn vader is 84 en heeft Parkinson. Niet heel heftig in de zin dat hij alleen maar in bed ligt, maar genoeg om niets vanzelfsprekend te maken. Aankleden duurt lang. Douchen is een onderneming. Hij schaamt zich daar vreselijk voor, wat ik ook begrijp. Hij was vroeger uitvoerder in de bouw, een man die met één hand een aanhanger kon koppelen en die nooit naar de dokter ging tenzij er bloed uitkwam.
Mijn moeder is 80 en heeft hartproblemen, diabetes en sinds een paar jaar ook moeite met haar geheugen. Ze woont nog bij mijn vader in hun rijtjeshuis in Hoorn. Dat was hun grote wens: niet weg, niet naar een appartement, niet naar ‘zo’n gebouw’. Het huis waar wij alle drie zijn opgegroeid, met de scheve schutting en de berging waar mijn vader alles bewaarde omdat het ‘nog van pas kon komen’.
Ik ben 52, alleenstaand en werk vier dagen per week op de salarisadministratie van een installatiebedrijf. Of eigenlijk werkte ik vier dagen. Het afgelopen jaar heb ik zo vaak uren opgenomen, later begonnen of op mijn vrije dag naar mijn ouders gereden, dat mijn leidinggevende op een gegeven moment voorzichtig vroeg of ik niet beter mantelzorgverlof kon aanvragen.
Dat klonk lief, maar mantelzorgverlof betaalt geen boodschappen. En ik huur zelf een appartement. De huur is afgelopen zomer weer omhooggegaan, mijn energierekening ook, en ik had net eindelijk mijn kleine lening voor de badkamer afgelost.
Mijn broer Edwin woont in Zwolle. Hij is 56, heeft een eigen klusbedrijf gehad dat niet goed liep. Dat vind ik oprecht rot voor hem. Hij kan ook heel charmant zijn, heel behulpzaam als hij er is. Dan repareert hij in tien minuten iets waar ik al weken tegenaan hik. Maar hij komt misschien eens in de zes weken langs, meestal op zondagmiddag. Dan drinkt hij koffie, zegt tegen mijn vader dat hij er goed uitziet en vertrekt vóór het avondeten omdat hij ‘nog een rit voor de boeg’ heeft.
Marije woont dichterbij, in Purmerend. Zij heeft twee volwassen kinderen die nog regelmatig geld van haar vragen en een ex die volgens haar alles ingewikkeld maakt. Ook bij haar heb ik vaak medelijden gehad. Dat is misschien mijn probleem: ik kan van iedereen wel een reden bedenken waarom iets moeilijk voor ze is.
In het begin probeerden we het nog met een appgroep. ‘Pap en mam zorg’, heette die. Ik zette erin wanneer de huisarts kwam, wanneer mijn moeder naar de cardioloog moest, welke hulpmiddelen aangevraagd waren en dat er iemand nodig was om mijn vader naar de pedicure te brengen.
Edwin reageerde vaak met een duimpje.
Marije schreef dingen als: ‘Wat goed dat jij dat allemaal regelt, San.’
Dat laatste klonk eerst als waardering. Na een tijdje voelde het alsof ik een compliment kreeg voor iets waar ik niet meer onderuit kon.
De indicatie voor de Wlz was uiteindelijk toegekend, maar daarmee was niet alles opgelost. Mijn ouders wilden zo lang mogelijk thuis blijven en de zorg kwam in stukjes: wijkverpleging in de ochtend, huishoudelijke hulp die soms wel en soms niet kon vanwege personeelstekort, hulpmiddelen die aangevraagd moesten worden, afspraken die verzet werden. Mijn moeder raakte in paniek als er een andere verzorgende voor de deur stond. Mijn vader wilde geen vreemde man helpen met douchen.
Dus ging ik erheen. Voor de boodschappen, de was, de medicijnen, het invullen van formulieren, de gesprekken met de casemanager. Soms alleen om te kijken of er wel gegeten was.
Mijn ouders hebben AOW en een klein pensioen. Ze redden het niet slecht, maar er zijn steeds van die dingen die buiten alles vallen of waar je eerst zelf geld voor moet voorschieten. Een taxi omdat mijn vader niet veilig met de bus mee kon. Extra incontinentiemateriaal toen de levering fout ging. Nieuwe stevige schoenen voor mijn moeder. Een maaltijdservice die zij na twee weken weigerde omdat ‘dat eten naar karton smaakt’.
Ik heb nooit alles bijgehouden. Dat is dom geweest. Ik betaalde gewoon met mijn pinpas en dacht: later kijk ik wel. Later kwam nooit.
Toen mijn wasmachine kapotging, belde ik Edwin. Niet om geld te vragen, maar omdat ik op dat moment echt even niet wist hoe ik alles moest doen. Hij zei dat hij best wilde komen kijken, maar dat hij zelf ‘helemaal klem’ zat. Vijf minuten later vroeg hij of ik misschien 400 euro kon overmaken, omdat hij anders een rekening niet kon betalen.
Ik heb toen nee gezegd. Voor het eerst echt kort en zonder uitleg.
Hij werd stil. Daarna zei hij: ‘Nou ja, jij hebt tenminste een vaste baan.’
Dat bleef bij me hangen. Alsof mijn vaste baan een soort gezamenlijke reservepot was. Alsof ik geen huur betaalde, geen eigen leven had, niet iedere avond moe op de bank zat met mijn jas nog aan.
Met Marije ging het een paar weken later mis. Ze stuurde weer een betaalverzoek, dit keer voor 75 euro. Ik vroeg waarvoor. Ze reageerde geïrriteerd dat ik niet zo controlerend moest doen en dat zij mij ook nooit lastigviel met wat ik allemaal aan pap en mam uitgaf.
Dat deed pijn, vooral omdat ze gelijk had over één ding: ik had haar niet verteld wat ik uitgaf. Niet omdat ik geheimzinnig wilde doen, maar omdat ik bang was dat ze zouden zeggen dat ik het zelf maar had gekozen.
Ik heb die avond een overzicht gemaakt. Een rommelig Excelbestand met bedragen, bonnetjes en data. Ik kwam op ruim 3.800 euro in elf maanden, naast de tijd die ik erin stopte. Ik heb het naar hen allebei gestuurd met de vraag of we konden afspreken om de kosten voortaan eerlijker te verdelen en ieder een vaste taak op ons te nemen.
Edwin reageerde pas twee dagen later. Hij vond het bedrag ‘wel erg hoog’ en zei dat ik misschien dingen deed die niet nodig waren.
Marije schreef dat ze emotioneel al genoeg droeg en dat ik haar niet moest behandelen alsof ze een pinautomaat was.
Ik werd zó boos dat ik mijn telefoon op de keukentafel heb gegooid. Daarna schaamde ik me meteen, want mijn moeder zat tegenover me en vroeg wat er was. Ik zei dat er niets was. Zij keek me aan en zei: ‘Je bent zo bleek de laatste tijd.’
Een week later meldde ik me ziek. Niet dramatisch, niet met een enorme instorting. Ik kon gewoon niet meer stoppen met huilen in de auto na een bezoek aan mijn ouders. De bedrijfsarts noemde overbelasting. Ik vond dat een net woord voor iets wat veel lelijker voelde.
Ik heb Edwin en Marije toen één bericht gestuurd. Dat ik voorlopig geen geld meer leen of voorschiet. Dat ik alleen nog contact wil over onze ouders, en alleen als het om een concrete taak gaat. Geen discussies via WhatsApp, geen verwijten. Ik schreef er ook bij dat ik anders helemaal uit zou vallen en dat niemand daar iets aan had.
Edwin belde direct. Ik nam niet op.
Marije stuurde een lange reeks berichten. Eerst boos, toen verdrietig, toen boos op een andere manier. Dat ik haar in de steek liet. Dat zij ook mijn zus was. Dat ik deed alsof ik de enige dochter van onze ouders was.
Misschien deed ik dat ook een beetje. Misschien had ik haar te lang buitengesloten door alles zelf op te lossen, tot ik ontplofte. Maar ik kon niet meer terug naar hoe het was.
Ik heb hun nummers niet geblokkeerd. Nog niet. Wel heb ik de appgroep op stil gezet en ik kijk er hooguit één keer per dag in. Voor mijn ouders regel ik nu meer via de wijkverpleging en de casemanager, ook al voelt het soms alsof ik faal wanneer ik iets uit handen geef. Mijn vader heeft uiteindelijk toch een vrijwilliger die één middag per week met hem wandelt. Hij klaagt erover, maar hij gaat wel.
Mijn zus heeft sinds drie weken niets meer gestuurd. Edwin alleen een foto van een kapotte kraan bij mijn ouders, met de vraag of ik wist wie hij moest bellen.
Ik wist het natuurlijk. Ik heb hem het nummer gestuurd. Daarna heb ik mijn telefoon weggelegd, een boterham met pindakaas gegeten en de was opgevouwen die al twee dagen op de stoel lag.