Ik had geen zin meer om tijdens de expositie de jassen aan te nemen
Sinds ik met pensioen ben, maak ik meer collages dan ik vroeger ooit had kunnen bedenken. Niet omdat ik ineens zo gedisciplineerd ben, maar omdat er ruimte kwam. Eerst voelde die ruimte bijna ongemakkelijk. Geen leerlingen meer die om acht uur binnenstormden, geen teamvergaderingen, geen mails van ouders op zondagavond. Alleen koffie aan de keukentafel, de krant, Bram die boven aan zijn modelspoorbaan rommelde, en ik met oude tijdschriften, verf, lijm en papier.
Via de bibliotheek hoorde ik van Atelierkring De Linde. Een vrij grote vereniging hier in de buurt, met een eigen expositieruimte in het oude wijkgebouw. Ik kende er al een paar mensen van gezicht: Ineke van de apotheek, Jos die vroeger bij de gemeente zat, een vrouw uit onze straat die altijd met haar teckel loopt.
In het begin vond ik het heerlijk. Elke dinsdagmiddag werken, elkaar niet al te serieus nemen, koffie uit van die dunne kopjes. Ik was 67 en had ineens weer iets dat alleen van mij was. Niet van het gezin, niet van Bram, niet van de kleinkinderen.
Maar er was ook Marjan, de voorzitter.
Marjan zegt dingen heel vriendelijk, en juist daardoor ben je soms pas een uur later boos. Ze heeft altijd een sjaal om, ook in juni, en ze noemt iedereen bij de voornaam met zo’n opgewekte nadruk alsof ze de juf is en wij net iets te luidruchtig zijn.
Mijn eerste werk dat werd uitgekozen voor de voorjaarsexpositie hing ze op een onmogelijke plek, naast de toiletten. Toen ik voorzichtig vroeg of er misschien ergens anders ruimte was, zei ze: “Ach Els, je moet ook leren dat zichtbaarheid niet alleen een kwestie is van de beste muur krijgen.”
Iedereen lachte een beetje. Ik ook, geloof ik. Dat doe ik dan. Lachen, zodat het niet lijkt alsof het me raakt.
Langzaam begon ik te zien hoe het werkte. Marjan bepaalde wie een solohoekje kreeg, wie de nieuwsbrief mocht schrijven, wie er wel of niet mee mocht naar een kunstmarkt in Deventer. Het bestuur bestond uit haar, haar vriendin Ria als secretaris en een penningmeester die vooral naar zijn schoenen keek wanneer Marjan sprak.
Als iemand iets voorstelde dat niet in haar straatje paste, zei ze: “Dat gaan we niet ingewikkelder maken dan nodig.” Daarmee was het klaar.
Bram vond dat ik me er te druk om maakte. Hij is niet ongevoelig, dat wil ik eerlijk zeggen. Toen ik nog werkte in het onderwijs, kon hij goed luisteren als ik een lastige ouderavond had gehad. Maar bij die kunstkring kreeg hij een soort moe gezicht.
“Het is toch een hobbyclub, Els?” zei hij een keer terwijl hij aardappels afgiet. “Laat haar lekker voorzitter spelen. Jij gaat daarheen om te schilderen, niet om bestuurslid te worden.”
“Collages,” zei ik. “Ik maak collages.”
“Ja, goed. Dat bedoel ik.”
Het ging me ook niet om bestuurslid worden. Ik wilde alleen niet behandeld worden alsof ik blij moest zijn dat ik een stoel mocht aanschuiven.
De druppel kwam met de jaarlijkse zomerexpositie. Dat is voor De Linde het grote moment: opening op vrijdagavond, wethouder cultuur erbij als die tijd heeft, wijn van de slijter op het plein en een schaal blokjes kaas waar niemand echt van eet. Dit jaar was het thema ‘Overgangen’. Mijn werk ging over mijn moeder, die in haar laatste jaar in het verpleeghuis steeds kleine stukjes servet verzamelde. Ik had foto’s, gekreukeld papier en kopieën van haar handschrift verwerkt. Het was persoonlijker dan wat ik normaal maakte.
Twee weken voor de opening kreeg ik een mail van Marjan. Of ik die avond de ontvangst wilde doen en de jassen kon aannemen. “Jij bent daar zo goed in, warm en representatief,” stond er.
Er was ook nog een rooster bijgevoegd. Ik zou van half zeven tot kwart over negen bij een inklapbare kapstok in de gang staan. Precies tijdens de opening en de rondleiding langs het werk.
Mijn naam stond wel in de catalogus. Mijn collage hing in de kleine zijzaal, samen met drie werken van leden die er net bij waren. Marjan zelf kreeg de grote wand in de centrale ruimte.
Ik heb die mail drie keer gelezen. Daarna heb ik hem uitgeprint, waarom weet ik niet. Alsof papier erger is dan een scherm.
Aan tafel zei Bram eerst niets. Hij las de mail, vouwde het vel dubbel en legde het naast zijn bord.
“Niet leuk,” zei hij.
“Niet leuk? Ze vraagt me mijn eigen opening te missen om jassen aan te nemen.”
“Misschien heeft ze gewoon iemand nodig die dat kan.”
“Er zijn veertig leden.”
Hij zuchtte. “Els, als jij nu een scene gaat maken, wordt dat maanden gepraat. Niet alleen daar. Ineke woont hier om de hoek. Ria zit bij de wandelgroep van de buurtvereniging. Wij komen die mensen overal tegen.”
Dat ‘wij’ stak me onverwacht hard. Alsof mijn vernedering vooral lastig was omdat hij dan bij de bakker misschien een stil gesprek zou krijgen.
Ik zei dat ik geen scene wilde maken. Ik wilde Marjan alleen mailen dat ik niet beschikbaar was voor ontvangst en dat ik graag bij de opening van mijn eigen werk aanwezig wilde zijn.
Bram pakte zijn bril af en wreef over zijn voorhoofd. “Waarom niet één avond verstandig zijn? Doe die jassen. Drink daarna een glas wijn. Volgend jaar kijk je wel verder.”
“En als ze me volgend jaar vraagt de wc’s schoon te maken?”
“Nu overdrijf je.”
Misschien deed ik dat ook. Maar ik zag ineens heel scherp hoe ik de afgelopen maanden telkens een beetje was opgeschoven. Eerst die muur naast het toilet. Daarna mijn voorstel voor een gezamenlijke workshop dat ‘te veel gedoe’ was. Toen de mail. Ik was niet alleen boos op Marjan. Ik was ook boos op mezelf, omdat ik zo lang had gedaan alsof het niets was.
Die avond heb ik een conceptmail geschreven waarin ik veel te fel was. Iets over kleineren, machtsspelletjes en dat ze zich moest schamen. Ik heb hem niet verstuurd. De volgende ochtend maakte ik er een kortere versie van.
Ik schreef dat ik niet bij de garderobe zou staan. Dat ik deelnam als exposant en graag mijn gasten en werk wilde kunnen ontvangen. Verder niets.
Marjan belde binnen tien minuten. Ik nam niet op. Daarna kwam er een appje: “Jammer Els. We rekenen op ieders flexibiliteit, zeker bij een gezamenlijke inspanning.”
Ik bleef er de hele dag misselijk van. Bram zei bijna niets. Hij ging fietsen met Henk van twee huizen verder en kwam terug met broodjes van de Hema, alsof dat iets kon gladstrijken.
Op de avond van de opening trok ik mijn donkerblauwe broekpak aan. Niet omdat ik me sterk voelde, maar omdat ik daarin niet steeds aan mijn buik hoef te trekken. Bram ging mee, al had hij daar zichtbaar geen zin in.
Bij binnenkomst stond Ria bij de kapstok. Ze keek me aan, toen naar Bram, en zei: “O, fijn dat je er toch bent. Marjan was bang dat je misschien niet zou komen.”
“Waarom zou ik niet komen?” vroeg ik.
Mijn stem klonk rustiger dan ik me voelde.
In de centrale zaal stond Marjan met de wethouder te praten. Ze gaf me een kort knikje, alsof we elkaar die middag nog gezellig hadden gesproken. Mijn collage hing inderdaad in de zijzaal. Er stond één vrouw voor, iemand die ik niet kende. Ze boog voorover om een stukje handschrift te lezen.
Bram kwam naast me staan. Hij pakte niet mijn hand, maar hij bleef wel staan.
Na de toespraak liep Marjan naar me toe. “Kunnen we straks even praten? Niet nu, natuurlijk.”
Ik wilde zeggen dat het juist wel nu moest. Dat ik klaar was met haar ‘straks’ en haar vriendelijke toon. Ik voelde alle woorden al omhoogkomen.
Maar toen zag ik die onbekende vrouw opnieuw bij mijn werk. Ze veegde met haar duim langs haar oog en zei zacht: “Is dit van uw moeder?”
Ik knikte.
We hebben zeker tien minuten gepraat. Over verpleeghuizen, over dingen bewaren die voor een ander onzin zijn, over hoe handen veranderen als mensen ouder worden. Bram luisterde op afstand mee. Hij keek anders dan thuis aan tafel, minder bezorgd om wat anderen zouden vinden.
Ik heb Marjan die avond niet publiekelijk de wacht aangezegd. Daar baal ik soms van, omdat het laf voelt. Maar ik heb haar ook niet opgezocht voor dat gesprek.
Maandagochtend heb ik mijn lidmaatschap opgezegd. Zonder lange uitleg. Alleen dat ik niet langer een plek ervoer waar ik mijn werk vrij kon ontwikkelen.
Bram vond het jammer. Hij zei dat het misschien toch nog uitgesproken had kunnen worden. Ik zei dat hij daar waarschijnlijk gelijk in had, en dat ik het alsnog niet wilde.
Nu werk ik op donderdag in een klein groepje bij de buurvrouw van mijn dochter in Utrecht, als ik daar toch op de kleinkinderen pas. Geen bestuur, geen catalogus, geen opening met kaasblokjes. Soms zit er iemand bij die veel te veel advies geeft. Mensen blijven mensen.
Mijn collage over mijn moeder staat voorlopig in de logeerkamer tegen de muur. Bram heeft er vorige week een goed lampje boven gehangen. Hij zei er niets bij. Ik ook niet.