Na veertig jaar wilde ik één maand geen etentje regelen, maar blijkbaar betekende dat voor iedereen veel meer
Vorige maand stond ik op een donderdagmiddag in de Albert Heijn met een zak kattenbrokjes en een pak koffie in mijn mandje, toen ik me realiseerde dat het bijna de eerste van de maand was en dat ik nog niets had geregeld voor ons etentje.
Normaal zit dat allang in mijn hoofd. Dan heb ik Henk al geappt of hij en Carla kunnen, heb ik bij De Oude Herberg in ons dorp geïnformeerd of de grote tafel vrij is, en heb ik een lijstje gemaakt van wie er vegetarisch eet, wie geen ui verdraagt en wie na twee glazen wijn toch weer vergeet dat hij de volgende ochtend oppas heeft.
Veertig jaar doe ik dat al, min of meer.
Eerst nog met z’n allen thuis, met pannen op het fornuis en kinderen die boven sliepen. Later in restaurants, omdat we allemaal drukker werden en niemand na een werkweek nog zin had om voor tien man lasagne te maken. Inmiddels zijn we met acht: mijn vrouw Els en ik, Henk en Carla, Joost en Marijke, en Frank en Willemijn. De kinderen zijn het huis uit, sommige wonen in Groningen of zelfs in België, en we hebben inmiddels twee kleinkinderen in de groep. Maar die eerste vrijdag of zaterdag van de maand bleef staan.
Het was nooit officieel mijn taak geworden. Ik was er gewoon handig in, denk ik. Ik werkte in de planning bij een installatiebedrijf. Agenda’s, bevestigingen, rekening houden met mensen die altijd te laat reageren: daar was ik mijn hele werkende leven al mee bezig. Dus als ik in de groepsapp schreef: ‘Zaterdag 6 april, Oude Herberg, 19.00 uur. Iedereen akkoord?’, dan kwam er altijd wel iets terug.
Na mijn pensioen, afgelopen najaar, dachten de meesten dat ik eindelijk tijd zou hebben voor nog meer dingen. Fietstochten organiseren. Een weekendje weg plannen. Misschien zelfs die jaarlijkse barbecue weer bij ons in de tuin.
Maar ik merkte juist het tegenovergestelde. Alsof er eindelijk ruimte was gekomen in mijn hoofd, en iedereen daar meteen stoelen in wilde zetten.
Els begrijpt dat maar half. Zij werkt nog twee dagen per week bij de bibliotheek en vindt het heerlijk om afspraken te hebben. Zij zegt dat ik sinds januari ‘een beetje naar binnen gekeerd’ ben. Dat klinkt zwaarder dan het is. Ik zit niet de hele dag somber op de bank. Ik rommel in de tuin, fiets naar de markt, help onze dochter Sophie soms met oppassen op de woensdag. Ik vind het alleen prettig als een week niet al van tevoren dichtgetimmerd is.
Die donderdag in de Albert Heijn besloot ik dus dat ik niets zou doen. Geen datumprikker, geen restaurant, geen uitleg. Gewoon een maand overslaan.
Ik heb zelfs mijn telefoon op stil gezet toen ik thuiskwam. Kinderachtig misschien. Maar ik wist precies wat er zou gebeuren als ik één berichtje stuurde: dan zou iedereen gaan overleggen en zou het alsnog mijn probleem worden.
Die avond vroeg Els tijdens het eten: ‘Heb jij al iets gehoord van De Oude Herberg?’
Ik zei: ‘Nee. Ik regel deze maand niks.’
Ze keek me aan alsof ik had gezegd dat ik de verwarming voortaan uit wilde laten.
‘Hoe bedoel je, niks?’
‘Gewoon. Geen etentje deze maand.’
‘Maar waarom?’
Ik wist het eigenlijk niet goed uit te leggen zonder bot te klinken. Omdat ik geen zin had in zeven losse reacties. Omdat Frank de laatste tijd vooral over zijn prostaat praat en Joost altijd moppert over de politiek. Omdat ik soms op een zaterdag liever met Els een patatje haal en naar een slechte detectiveserie kijk dan dat ik drie uur lang gezellig moet zijn.
Dus ik zei: ‘Omdat ik even geen verplichtingen wil.’
Els legde haar vork neer. ‘Het is geen verplichting, Bas. Het zijn je beste vrienden.’
Dat raakte me meer dan ik verwachtte. Alsof die twee dingen elkaar uitsluiten. Alsof je pas een goede vriend bent als je altijd beschikbaar blijft.
De groepsapp bleef die week opvallend stil. Alleen Henk stuurde zondagmiddag: ‘Alles goed daar? Geen etentje deze maand?’ Ik zag het bericht, maar reageerde pas de volgende ochtend met: ‘Ja hoor, alles goed. Ik had even geen ruimte in mijn hoofd om iets te plannen. We slaan een maand over.’
Nog geen minuut later kwamen de reacties.
Carla: ‘O, dat is jammer. Juist nu is het zo fijn om elkaar te zien.’
Willemijn: ‘Is er iets aan de hand?’
Marijke belde Els in plaats van mij. Dat hoorde ik doordat Els in de bijkeuken zacht praatte. Te zacht, vond ik ineens. Toen ze terugkwam, zei ze alleen dat Marijke zich zorgen maakte.
‘Ze denkt dat jij misschien ziek bent,’ zei Els.
‘Nou, dan kan ze mij toch bellen?’
‘Niet iedereen wil meteen doorvragen.’
Ik zei niets meer. Dat was laf, maar ik voelde dat ik boos zou worden als ik begon.
Twee dagen later zat ik achter de laptop om de energierekening te bekijken. Els was naar haar werk. Er kwam een melding binnen van de groepsapp. Ik kijk normaal nooit op haar telefoon of accounts, maar dit stond open op onze gezamenlijke iPad.
Els had geschreven: ‘Bas had een rotdag en was wat kort door de bocht. Hij vindt het ook jammer. 18 mei staat wat hem betreft gewoon, ik reserveer wel even bij De Oude Herberg.’
Daaronder hartjes. Opgeluchte reacties. Henk schreef: ‘Fijn, we dachten al dat er iets speelde.’
Ik heb minutenlang naar dat scherm gekeken. Vooral naar die woorden: wat hem betreft.
Toen Els thuiskwam, lag de iPad op tafel. Ik zei niet meteen iets. Ze had haar jas nog aan en vertelde dat er een nieuwe stagiair op de bibliotheek was die de printer niet aan de praat kreeg.
Ik onderbrak haar. ‘Waarom heb jij namens mij gezegd dat ik het jammer vind?’
Ze werd bleek, niet overdreven, gewoon echt moe in haar gezicht.
‘Omdat iedereen onrustig werd, Bas.’
‘En dan mag jij besluiten dat ik toch kom?’
‘Ik heb niet gezegd dat je móét komen.’
‘Je hebt wel een datum bevestigd.’
Els ging zitten. ‘Ik probeer gewoon te voorkomen dat dit hele clubje uit elkaar valt omdat jij ineens nergens meer zin in hebt.’
Dat was gemeen gezegd, maar ik snapte ook waar het vandaan kwam. Carla zorgt sinds kort steeds vaker voor haar moeder. Willemijn is vorig jaar gestopt met werken en mist haar collega’s. Henk heeft na zijn hartoperatie minder energie en zegt dat hij niet eenzaam is, maar hij belt me sindsdien wel vaker. Voor hen is dat etentje misschien geen etentje. Misschien is het een bewijs dat er nog iets hetzelfde is.
Maar ik ben ook geen buurtcentrum.
We hebben die avond nauwelijks gepraat. Ik sliep slecht en hoorde Els beneden nog rommelen met de vaatwasser, hoewel die allang klaar was.
De volgende ochtend heb ik zelf in de groepsapp gezet dat ik in mei niet meega. Niet boos, zo heb ik het geprobeerd tenminste. Ik schreef dat ik na mijn pensioen merk dat ik minder behoefte heb aan vaste afspraken en dat ik hoop dat zij zonder mij gewoon doorgaan. Ik stelde voor dat we misschien later eens iets kleins doen, een wandeling of koffie, zonder dat het iedere maand vastligt.
Henk reageerde als eerste: ‘Snap ik niet helemaal, maar dank dat je het zegt.’
Carla stuurde een duimpje. Marijke helemaal niets. Frank schreef dat hij dan wel wilde reserveren, maar vroeg erbij of ik zeker wist dat het niet aan hem lag. Dat vond ik eigenlijk zielig, want Frank kan inderdaad best vermoeiend zijn, maar daar ging het niet om.
Els gaat wel in mei. Ze heeft gezegd dat ze niet tussen mij en de anderen wil kiezen. Daar ben ik het mee eens, al voelt het soms alsof ik thuis achterblijf terwijl mijn eigen leven zonder mij wordt voortgezet.
Vanmiddag kwam er een bericht van Henk. Of ik volgende week een rondje wil fietsen, gewoon met z’n tweeën, langs de Lek en daarna een koffie bij Culemborg. Ik heb nog niet geantwoord. Niet omdat ik geen zin heb in Henk. Misschien juist omdat ik daar wel zin in heb, en omdat ik bang ben dat één ja meteen weer een heel systeem in gang zet.
De kattenbrokjes zijn trouwens nog steeds niet op. De kat eet opeens minder sinds het warmer is. Zelfs daar maak ik me nu druk om, terwijl ik eigenlijk alleen maar een rustige middag wilde.