Na veertig jaar vriendschap bleek een vakantiehuis ineens meer te betekenen dan een vakantiehuis

Ik heb de groepsapp van ons vieren op stil gezet. Dat klinkt misschien kinderachtig op mijn leeftijd, ik ben 64, maar ik merkte dat ik bij elk piepje meteen keek of Rob weer een link had gestuurd naar een villa in de Algarve.

Eerder vond ik dat juist leuk aan hem. Rob is altijd degene geweest die plannen maakte. In 1985 regelde hij ons eerste huisje op Texel, via een oom van hem die een sleutel had. Het was vochtig, er zat een muizenval onder het aanrecht en we hadden een campingbedje voor onze oudste, maar we hebben daar vreselijk gelachen. Janine en Ellen deden de boodschappen bij de Spar, Rob en ik fietsten naar Den Burg voor bier en dan waren we trots als we zonder verdwalen terugkwamen.

Sindsdien deden we bijna alles samen. Niet letterlijk ieder weekend, natuurlijk. We hadden banen, kinderen, ouders die ziek werden, verbouwingen, gedoe met scholen. Maar we waren er wel. Rob was ceremoniemeester op onze bruiloft. Janine bleef bij Ellen in het ziekenhuis toen onze dochter veel te vroeg geboren werd. Wij pasten op hun jongens als zij een paar dagen weg moesten toen Jans vader dement werd.

Onze kinderen noemen elkaar geen neef en nicht, maar het scheelt weinig.

Ellen werkt nog twee dagen op de administratie van een fysiopraktijk. Ik ben sinds vorig voorjaar met deeltijdpensioen na bijna veertig jaar bij dezelfde installatieclub in Amersfoort. Rob is net gestopt als zelfstandig financieel adviseur en Janine gaat in oktober weg bij de gemeente. We praatten het afgelopen jaar vaak over wat daarna kwam. Alsof pensioen een land is waar je alvast reisgidsen voor koopt.

Ellen en ik wilden minder gaan werken bij de voedselbank in de wijk en bij een stichting die mensen helpt hun huis energiezuiniger te maken. Ik ben handig, ik kan tochtstrips zetten, een kapotte radiator ontluchten, dat soort dingen. Geen wereldreddende zaken. Maar in onze buurt wonen genoeg mensen voor wie een rekening van driehonderd euro wel degelijk het verschil maakt tussen wel of geen warme douche.

We wilden ook tijd voor onze kleindochter Noor, en best eens een weekje weg. Zo vroom zijn we nou ook weer niet. Alleen hadden we na het aflossen van de hypotheek en wat spaargeld besloten dat we niet opeens moesten doen alsof we miljonair waren.

Het voorstel van Rob kwam op een zaterdag bij hen thuis, tussen de koffie en de appeltaart in. Hij legde een tablet op tafel met foto’s van een wit huis met een zwembad. Volgens mij was het in de buurt van Lagos. Er waren palmbomen, een dakterras en een buitenkeuken waar je, als ik Rob moest geloven, met acht man tegelijk kon koken.

‘Kijk nou,’ zei hij. ‘Als we dit met z’n vieren doen, is het gewoon hartstikke haalbaar.’

Janine zei dat ze al hadden gekeken naar verhuurmogelijkheden in de maanden dat we er zelf niet zouden zijn. Rob had een hele berekening gemaakt. Aankoop, onderhoud, beheer, belasting, verwachte huur. Hij was zichtbaar blij. Niet opschepperig, meer zoals iemand die een verrassing eindelijk mag verklappen.

Ellen kneep even in mijn knie onder tafel. Niet omdat we het leuk vonden, denk ik, maar omdat we allebei tegelijk voelden: o nee.

Ik heb eerst nog gevraagd hoe vaak ze daar dan wilden zijn. Rob zei: ‘Zolang we nog kunnen lopen, zoveel mogelijk. In de winter naar de zon, in het voorjaar met de kinderen en kleinkinderen. En jullie natuurlijk ook.’

Dat “jullie natuurlijk ook” maakte het lastig. Het was gul bedoeld. Ze zagen al voor zich dat we er kerst vierden, dat onze kinderen aansloten, dat er op het terras te hard werd gepraat en dat de kleinkinderen in het zwembad sprongen. Eigenlijk boden ze ons niet alleen een investering aan, maar ook een versie van de toekomst waarin we bij elkaar bleven horen.

Toch zei Ellen vrij snel dat we daar geen geld in wilden steken.

Janine keek haar aan alsof ze een grap maakte. ‘Niet? Maar jullie hebben toch ook overwaarde zat? En je pensioen is gewoon goed geregeld?’

Ellen zei dat het daar niet om ging. Dat we het te veel vonden. Dat we liever iets achter de hand hielden en ook geld wilden gebruiken voor dingen dichterbij.

Ik had het daarbij moeten laten. Dat weet ik nu wel.

Maar Rob zei iets als: ‘Jullie leven soms alsof je jezelf niks mag gunnen.’ En ik schoot meteen in de verdediging.

Ik zei dat er in onze eigen stad mensen zijn die geen fatsoenlijke meubels hebben, dat het misschien niet nodig was om nog een huis met een zwembad te kopen terwijl je al prettig woont. Ik zei ook, en dat was het ergste, dat het wel heel makkelijk was om alles naar jezelf en je eigen familie toe te trekken.

De stilte daarna duurde misschien tien seconden, maar ik voelde hem in mijn nek.

Janine zette haar koffiekopje neer. ‘Dus wij zijn egoïstisch?’

‘Dat heb ik niet zo bedoeld.’

‘Maar je zegt het wel.’

Rob keek niet boos, eerder gekwetst. Hij zei dat hij zijn hele leven hard had gewerkt, vaak avonden door, ook omdat hij zijn gezin zekerheid wilde geven. Dat Janine jarenlang mantelzorg had gedaan voor haar moeder naast haar werk. ‘En nu we eindelijk tijd hebben, moeten we ons daar kennelijk schuldig over voelen?’

Daar had ik niets goeds op terug. Want nee, dat moeten ze niet. Als iemand recht heeft op comfort, dan zij ook. En eerlijk is eerlijk: ik ben zelf ook niet vies van een goed restaurant of een nieuwe fiets. Alleen voelde dat huis als iets waar ik mezelf niet in herkende, en misschien was ik bang dat ik anders degene zou worden die elke keer mee moest, mee moest betalen, blij moest zijn.

We gingen die middag te vroeg weg. Ellen heeft in de auto bijna niets gezegd. Thuis zette ze de waterkoker aan en vroeg toen: ‘Waarom moest je nou weer de wereld erbij halen?’

Dat kwam hard aan, omdat ze gelijk had.

Sindsdien is het stroef. Niet openlijk ruzieachtig. Rob stuurt nog steeds foto’s van de verbouwing bij hun jongste zoon. Janine feliciteerde Noor gewoon op haar verjaardag. Maar de vanzelfsprekendheid is weg. We hebben hun vorige maand niet gevraagd om mee te eten, terwijl we dat vroeger zonder nadenken zouden doen. Zij zijn een weekend naar Maastricht geweest met kennissen die wij vaag kennen. Dat mag allemaal, natuurlijk. Toch voelt het alsof je merkt dat iemand een stoel een stukje van tafel heeft geschoven.

Vorige week belde Rob. Hij zei dat ze waarschijnlijk alsnog iets gingen kopen, maar dan kleiner en met een ander stel dat ze via een golfclub kennen. Hij zei het luchtig, bijna te luchtig. Ik zei dat ik het hen gunde. Dat meen ik ook. Alleen toen ik ophing, zat ik een tijd in de schuur naar een half afgemonteerde lamp te kijken.

Ellen denkt dat we moeten stoppen met elkaar overtuigen. ‘We hoeven toch niet hetzelfde te willen om vrienden te zijn,’ zei ze.

Misschien heeft ze gelijk. Misschien heb ik van onze vriendschap iets gemaakt dat ik wilde beschermen tegen veranderingen die toch komen. We zijn niet meer vier dertigers met te weinig geld en te veel plannen. We krijgen stijve knieën, onze kinderen hebben hun eigen levens, en we blijken allemaal anders te dromen zodra er ruimte ontstaat.

Aanstaande donderdag ga ik weer naar de voedselbank. Daarna wil Ellen Janine appen of ze zin heeft om koffie te drinken, gewoon met z’n tweeën. Geen Portugal, geen geld, geen berekeningen. Ik hoop dat dat nog kan. Maar ik weet ook dat een gesprek over iets kleins soms precies laat zien wat er al die tijd onder heeft gezeten.