Na veertig jaar vriendschap legde ik de sleutel van hun huis op tafel

De sleutel lag ineens zwaarder in mijn hand dan hij kon zijn. Een gewone huissleutel, aan zo’n versleten blauw rubberen labeltje met daarop nog net leesbaar: ‘Kerklaan 18’. Ik had hem veertig jaar geleden voor het eerst gekregen, toen Henk en Marijke drie weken naar Frankrijk gingen en wij de planten water zouden geven.

Nu stond ik in hun bijkeuken, tussen zwarte vuilniszakken, een kapotte staande lamp en zeven dozen met het woord ‘uitzoeken’ erop. Henk zat aan de keukentafel met zijn telefoon voor zich, Marijke had haar jas nog aan terwijl ze al uren binnen was.

Ik zei dat ik de sleutel op tafel legde omdat ik morgen niet kon komen.

Dat was niet helemaal waar. Ik kon wel. Ik wilde alleen niet meer.

We kennen Henk en Marijke sinds 1983. Mijn vrouw Els werkte toen op de administratie van de melkfabriek in het dorp en Marijke kwam daar tijdelijk invallen. Henk en ik raakten aan de praat bij een barbecue van de personeelsvereniging. Hij was iemand die overal wel een mening over had, maar ook degene die midden in de nacht kwam helpen toen onze kelder onderliep. We gingen samen kamperen in de Ardèche, later met de kinderen naar Texel, en toen de kinderen groter werden nog jarenlang een lang weekend naar Limburg of Duitsland.

Er was een tijd dat we elkaar bijna ieder weekend zagen. Niet omdat het moest, maar omdat het vanzelf ging.

Toen Henk en Marijke vertelden dat ze hun huis wilden verkopen, snapte ik het ook wel. Het was een groot vrijstaand huis uit de jaren zeventig, met een tuin waar Henk vroeger elke zaterdag in werkte. Hij had steeds meer last van zijn heup en Marijke was vorig jaar geopereerd aan haar knie. Hun twee zoons wonen allebei niet in de buurt. De een in Groningen, de ander in Londen, en die hebben gewoon hun eigen leven.

Ze hadden een appartement gevonden in een kleinschalig woonhof in Drenthe, vlak bij Assen. Niet echt een verzorgingshuis, meer zelfstandige seniorenwoningen met een gezamenlijke ruimte en iemand die een paar dagen per week aanwezig is. Marijke was er enthousiast over. Minder traplopen, geen tuin, mensen om hen heen als er iets gebeurde.

Alleen was er één probleem: ze moesten van een huis met vijf slaapkamers, een zolder en een schuur naar een driekamerappartement.

‘Jullie kennen ons huis bijna beter dan wijzelf,’ zei Marijke lachend. ‘Als jullie een paar dagen helpen, zijn we er zo doorheen.’

Els zei meteen ja. Ik ook, geloof ik. Het voelde ondenkbaar om nee te zeggen.

De eerste zaterdag was eigenlijk best gezellig. We begonnen met de boekenkast. Henk maakte koffie en vertelde bij elk boek wel iets. Over die biografie van Cruijff, over een reisgids van Italië uit 1994, over een roman die hij nog steeds wilde lezen. Na twee uur hadden we misschien twintig boeken in dozen gedaan en drie apart gelegd voor de kringloop.

Pas later merkte ik dat dit geen paar dagen ging worden.

Marijke wilde van alles zelf beslissen, wat ik ergens ook begrijp. Maar het betekende dat je met een schaal oude kerstballen in je handen stond terwijl zij boven in een kast naar fotoalbums zocht en je twintig minuten niet wist of die schaal naar het afval, de kringloop, een van de zoons of naar Assen moest.

Henk wilde alles eerst nog controleren. Alles. Een doos met verlopen garantiebewijzen, cassettebandjes waar niemand meer een speler voor had, kabels waarvan hij niet wist waarvoor ze waren maar die ‘misschien bij de oude camera hoorden’.

Els is geduldig, veel geduldiger dan ik. Ze ging iedere dinsdag en donderdag. Ik ging op woensdag en zaterdag, naast mijn vrijwilligerswerk bij de voetbal en onze eigen afspraken. Langzamerhand draaide alles om de Kerklaan. Als we bij onze dochter zouden eten, zei Els halverwege de middag: ‘We moeten niet te laat weg, morgen weer vroeg bij Marijke.’

Het was alsof we er tijdelijk werkten, maar dan zonder dat iemand ooit zei wanneer het klaar moest zijn.

Na drie weken begon ik er slecht van te slapen. Niet door het tillen, al voelde mijn rug het ook. Vooral door dat opgejaagde gevoel. Elke keer als ik mijn telefoon hoorde, dacht ik dat Henk weer een foto stuurde van een kastje met de vraag of ik zaterdag een aanhanger kon regelen.

Ze hadden offertes opgevraagd van een ontruimingsbedrijf. Dat wist ik omdat Henk er uitgebreid over begon. Bijna drieduizend euro voor opruimen, afvoeren en een deel van de verhuizing.

‘Dat is toch krankzinnig geld?’ zei hij.

Ik zei dat het misschien veel was, maar dat het wel een groot huis betrof.

Hij keek me aan alsof ik hem beledigde. ‘Wij gaan toch geen drieduizend euro weggooien als jij een bus van je zwager kunt lenen?’

Daar zat iets in wat me dwarszat. Niet eens alleen dat hij ervan uitging dat ik die bus zou regelen. Meer dat mijn tijd blijkbaar geen waarde had omdat we vrienden waren.

Els zag het ook, maar zij bleef zeggen dat ze bang was dat we ze lieten zitten. ‘Ze zijn gewoon in de war, Kees. Alles moet weg. Dat is ook niet niks.’

Dat wist ik. Ik zag Marijke soms in de woonkamer staan, met haar hand op de rugleuning van haar oude fauteuil. Daar had ze haar moeder nog in zien zitten. Ik had medelijden met haar. Tegelijkertijd stond ik daarna weer drie uur in de schuur om potjes met schroeven uit te sorteren, omdat Henk vond dat ijzer, plastic en restafval absoluut niet door elkaar mochten.

Het ging mis op een maandagmiddag. We waren er extra heen gegaan omdat de makelaar de volgende dag foto’s zou komen maken. De woonkamer moest leeg op een paar meubels na. Henk had beloofd dat alles klaar zou staan.

Niets stond klaar.

Er lagen stapels papieren op de eettafel, dozen in de gang en in de serre stonden nog twee kasten vol servies. Marijke zei dat ze die ochtend duizelig was geweest en Henk had eerst nog naar de huisarts moeten bellen. Daar kon niemand iets aan doen, natuurlijk niet. Maar vervolgens zei Henk: ‘Mooi dat jullie er zijn, dan kunnen we vanavond misschien eindelijk de zolder doen.’

Ik weet nog dat Els heel stil werd.

Ik zei: ‘Nee, Henk. Vanavond niet. En eerlijk gezegd gaan wij na vandaag ook niet meer op deze manier door.’

Hij dacht eerst dat ik een grap maakte.

Ik legde uit dat we wilden helpen met een laatste verhuisdag, dozen sjouwen, meubels inladen. Maar geen dagenlang sorteren, geen zolder, geen schuur, geen voortdurende losse klusjes meer. Ik zei ook dat ze echt een bedrijf moesten inschakelen voor wat overbleef.

Marijke begon te huilen. Niet hard, eerder stil, met haar gezicht weggedraaid. Daar krijg ik nog steeds een knoop van in mijn maag van.

Henk werd rood. Hij zei: ‘Dus nu, op het moment dat wij het nodig hebben, trekken jullie je handen ervan af.’

Ik had kunnen zeggen dat wij al een maand lang bijna alles opzij hadden gezet. Dat we geen vrienden waren ingehuurd als gratis personeel. Dat hij zelf die offerte had afgewezen terwijl hij wist hoeveel werk het was. Maar ik zei alleen: ‘We laten jullie niet vallen. We kunnen dit alleen niet meer dragen.’

Hij antwoordde: ‘Dat is hetzelfde.’

Sindsdien is het stil. Hun huis is inmiddels verkocht. Via een buurvrouw hoorde Els dat ze uiteindelijk toch een bedrijf hebben genomen, met hulp van hun oudste zoon die een week vrij heeft genomen. Henk stuurde mij een kort bericht dat de verhuisdatum was veranderd en dat ze het verder geregeld hadden. Geen groet, geen vraag hoe het met ons ging.

Els mist Marijke. Ik mis Henk ook, denk ik, al ben ik nog boos. Misschien vooral omdat ik mezelf niet eerder heb uitgesproken. We hebben zoveel samen meegemaakt dat ik dacht dat vriendschap betekende dat je gewoon doorgaat, ook als het teveel wordt.

Vorige week fietste ik langs onze oude campingwinkel en zag ik een stel bij de ingang ruzieën over een opvouwbare stoel. Het sloeg nergens op, maar ik moest meteen denken aan hoe Henk vroeger altijd te veel spullen meenam en Marijke daar dan om lachte.

Ik heb die avond zijn nummer geopend. Ik heb niets gestuurd. De sleutel van de Kerklaan ligt nog steeds in het bakje in de hal. Ik vergeet hem steeds terug te brengen, of misschien stel ik dat gewoon uit.