Na 34 jaar vriendschap wilde ik niet meer aan tafel zitten met mensen die mij steeds moesten verbeteren

Ik heb jarenlang gedacht dat je na je zestigste wel weet wie je vrienden zijn. Niet dat alles altijd makkelijk is, maar je kent elkaars rare kanten, elkaars zwakke plekken, de verhalen die je al twintig keer hebt gehoord. Je hoort bij elkaar, op een bepaalde manier.

Met Henk en Marijke waren we zo. Kees en ik leerden hen kennen toen onze oudste kinderen nog op de basisschool zaten. We woonden toen allebei in dezelfde nieuwbouwwijk buiten Amersfoort. Zij hadden een hoekhuis, wij een tussenwoning met een tuin waar altijd te veel speelgoed in lag. De kinderen gingen samen op zwemles, Kees en Henk voetbalden een tijdje bij hetzelfde veteranenteam en Marijke en ik zaten ooit in de ouderraad. Zo gaat dat.

Toen de kinderen groter werden, bleef de vriendschap over. Misschien juist omdat je niet meer alleen ouders van elkaars kinderen bent. We gingen wandelen, naar kleine musea, een paar keer met de trein een weekend weg. En al zeker vijftien jaar eten we op donderdag bij elkaar. Om en om koken. Niet elke week, hoor, maar vaak genoeg dat het een vaste plek in onze agenda heeft gekregen.

Henk maakte altijd al graag discussies van dingen. Daar kon ik meestal om lachen. Als hij na twee glazen wijn begon over de Europese Unie, of over mensen die volgens hem te veel verwachten van de overheid, dan keek Marijke vaak al een beetje weg. Kees ging er juist graag tegenin. Die twee konden een uur praten over warmtepompen, belasting of boerenprotesten en daarna gewoon nog een stuk appeltaart eten.

Maar de laatste twee, drie jaar is het veranderd. Of misschien zie ik het pas sinds ik minder zin heb om het weg te lachen.

Henk discussieert niet meer alleen. Hij legt uit hoe wij eigenlijk zouden moeten leven. Dat begon klein. Dat onze zonnepanelen wel mooi waren, maar dat we ondertussen nog steeds een auto hadden. Dat Kees te vaak vlees op de barbecue legde. Dat ik ‘toch echt eens’ iets moest doen met mijn pensioen, omdat we volgens hem financieel veel te voorzichtig waren.

Hij zei het meestal met een glimlach. Alsof hij behulpzaam was.

“Jullie zijn van die mensen die zekerheid verwarren met stilstand,” zei hij eens, terwijl hij bij ons aan tafel zat en voor de tweede keer opschepte van de lasagne.

Kees lachte toen en zei: “Nou, stilstand met hypotheekvrij wonen bevalt me uitstekend.”

Iedereen lachte een beetje. Ik ook. Maar ik voelde dat ik rood werd, en dat vond ik irritant van mezelf. Waarom trek ik me dit aan, dacht ik. Henk is gewoon Henk.

Alleen bleef het niet bij dat soort opmerkingen. Hij begon ook over mijn werk. Ik heb tot vorig jaar drie dagen per week bij de bibliotheek gewerkt. Geen carrière waar je op een verjaardag lang over kunt praten, maar ik vond het mooi werk. Mensen helpen die moeite hadden met een DigiD, kinderen een boek laten uitzoeken, oudere vaste bezoekers die eigenlijk vooral even wilden praten.

Toen ik stopte, omdat mijn contract afliep en ik eerlijk gezegd ook wat meer rust wilde, zei Henk: “Ja, maar je moet oppassen dat je niet zo’n pensionado wordt die alleen nog in haar eigen kringetje leeft.”

Ik zei niets. Marijke zei ook niets. Kees veranderde het onderwerp naar de verbouwing bij hun dochter.

In de auto naar huis zei ik dat ik die opmerking naar vond.

Kees zuchtte. “Henk bedoelt het niet zo zwaar. Hij zegt soms dingen zonder na te denken.”

“Hij denkt juist heel veel na,” zei ik. “Alleen altijd over wat anderen verkeerd doen.”

Kees vond dat flauw. Hij zei dat Henk ook genoeg over zichzelf te horen kreeg, en dat ik tegenwoordig snel geraakt was. Dat laatste kwam hard aan, juist omdat er misschien een beetje waarheid in zat. Ik ben niet meer zo onverwoestbaar als vroeger. Mijn moeder is vorig jaar overleden, mijn zus woont sinds haar scheiding tijdelijk bij haar dochter in Zwolle en ik merk dat ik soms sneller vol zit. Maar betekent dat dat mensen dan maar alles mogen zeggen?

De donderdagavonden werden iets waar ik tegenop zag. Niet elke keer. Dat maakt het misschien ingewikkelder. Soms was het gewoon gezellig. Dan hadden we het over de kleinkinderen, of over een serie op NPO Start, en dan dacht ik: zie je wel, doe niet zo moeilijk.

En dan kwam er toch weer iets.

Over dat Kees en ik nog één keer per jaar naar de camping in Drenthe gaan, met onze oude vouwwagen. Henk noemde het “nostalgisch consumptiegedrag”. Over mijn zus, die volgens hem beter meteen had moeten gaan werken in plaats van hulp vragen bij de gemeente. Over onze buurvrouw met haar Oekraïense gezin in huis. “Goed bedoeld,” zei hij, “maar je moet niet doen alsof iedereen gered kan worden.”

Het was nooit één grote ruzie. Altijd net onder de grens waarop iemand zegt: nu is het klaar.

Vorige maand zaten we bij hen te eten. Marijke had risotto gemaakt, die veel te zout was, maar niemand zei daar iets van. Henk vertelde dat hij en Marijke in september naar een huisje in de Vogezen wilden. Toen zei hij dat het misschien leuk was als wij ook gingen. Twee huisjes naast elkaar, een week. Wandelen, marktjes, lekker eten.

Kees reageerde meteen enthousiast. Hij had het al over zijn wandelschoenen en of we dan via Luxemburg zouden rijden.

Ik zei dat ik erover na wilde denken.

Henk keek me aan en zei: “Jij bent toch niet bang dat wij je schema in de war gooien?”

Het was bedoeld als grap, denk ik. Maar ik voelde iets knappen. Niet spectaculair. Ik stond niet op en ik schreeuwde niet. Ik zei alleen: “Nee, Henk. Ik heb gewoon niet zo’n behoefte om een week lang uitgelegd te krijgen hoe ik mijn leven moet inrichten.”

Er viel een stilte die veel langer duurde dan waarschijnlijk werkelijk zo was. Marijke keek naar haar bord. Kees legde zijn vork neer. Henk trok zijn wenkbrauwen op en zei: “Dat is nogal overdreven.”

“Dat vind jij,” zei ik.

In de auto was Kees boos. Niet razend, maar op die ingehouden manier die ik erger vind. Hij vond dat ik het voor Marijke verpest had, dat ik Henk voor schut had gezet en dat ik van losse opmerkingen een heel dossier had gemaakt.

Ik zei dat het voor mij geen losse opmerkingen waren. Dat ik me al maanden klein maakte op donderdagavond. Dat ik van tevoren bedacht wat ik wel en niet kon zeggen om geen college te krijgen.

“Maar daarvoor gooi je toch geen vriendschap van vierendertig jaar weg?” zei Kees.

Ik weet niet eens of ik die vriendschap wil weggooien. Dat heb ik ook niet gezegd. Ik wil alleen niet meer iedere donderdag gaan. En ik wil niet mee naar Frankrijk alsof we vier onbezorgde jonge mensen zijn die alleen maar ruzie maken over de route.

Marijke stuurde me twee dagen later een berichtje. Alleen: ‘Het was ongemakkelijk. Ik snap dat je geraakt bent. Henk is nu ook gekwetst.’ Ik heb daar lang naar gekeken. Ik vond het lief dat ze iets stuurde, maar ook verdrietig dat zij blijkbaar meteen tussen ons in terechtkomt. Ze kent hem langer dan ik. Ze weet precies hoe hij kan zijn. Toch verdedigt ze hem bijna altijd door te zeggen dat hij het goed bedoelt.

Kees heeft de vakantie nog niet afgezegd. Hij hoopt volgens mij dat het vanzelf zakt. Gisteren vroeg hij of ik niet gewoon mee wil en dan “af en toe even weg kan lopen”. Alsof ik een hond ben die te druk wordt op een verjaardag.

Ik heb gezegd dat hij van mij best mag gaan, al doet dat me pijn om uit te spreken. Ik ga niet mee. Niet omdat ik Henk wil straffen, maar omdat ik mezelf niet nog een week wil toespreken dat ik niet zo gevoelig moet zijn.

Donderdag staat nog steeds in mijn agenda. Ik heb hem niet verwijderd. Kees ook niet. Maar ik heb voor die avond soep uit de vriezer gehaald en ik denk dat ik vroeg naar bed ga. Dat is misschien kinderachtig. Of misschien is het gewoon even nodig.