Mijn man wil niet meer mee naar Frankrijk, en ineens voelt onze hele vriendengroep als iets waar ik uit kan vallen
De appgroep heet nog steeds ‘La douce France 1998’, terwijl we al lang niet meer naar dezelfde camping gaan en sommige van ons inmiddels kunstknieën, gehoorapparaten of kleinkinderen hebben. Maar verder is er weinig veranderd. In januari begint het meestal. Dan stuurt Henk links naar huisjes in de Dordogne of de Ardèche, Marijke zegt dat ze vooral een goed zwembad wil, Ton begint over de tolwegen en ik maak uiteindelijk een lijstje met wie welke slaapkamer wil.
Het is altijd een beetje gedoe, maar vertrouwd gedoe. We zijn met vier stellen. Ooit begonnen we met kleine kinderen, plastic bekers en stacaravans waar je elkaars adem kon horen. Nu huren we grote huizen met een plancha en minstens drie badkamers. We eten te veel, we drinken rosé die thuis niemand zou kopen en iedere donderdag gaan we naar een markt waar de mannen doen alsof ze verstand hebben van meloenen.
Mijn man, Kees, was altijd degene die de auto volpropte. Fietsen achterop, koelbox tussen onze voeten, een tas met kabels waarvan ik nooit wist waarvoor ze waren. Hij mopperde over de péage, maar zodra we er waren zat hij als eerste met een biertje bij het zwembad.
Sinds hij in november met pensioen is, herken ik hem soms niet helemaal meer. Niet op een enge manier. Hij is gewoon stiller. Hij loopt ’s ochtends langer met de hond dan nodig is. Hij is begonnen met tekenen, van die oude loodsen bij de haven en bomen langs het kanaal. Eerst vond ik het eigenlijk leuk. Kees heeft veertig jaar bij een installatiebedrijf gewerkt, altijd lijstjes, storingen, telefoontjes. Hij zei vroeger vaak: ‘Als ik ooit tijd heb, ga ik iets maken.’
Maar toen Henk in februari in de app schreef dat hij een huis had gevonden voor de eerste twee weken van juli, reageerde Kees niet. Dat deed hij wel vaker. Ik stuurde hem de link aan de keukentafel door.
Hij keek ernaar, knikte een beetje en zei: ‘Mooi huis.’
‘Ja toch? Acht slaapkamers. En er zit een overkapping bij, dus als het regent kunnen we daar eten.’
Hij bleef naar zijn telefoon kijken. ‘Ik denk niet dat ik mee wil dit jaar.’
Ik dacht eerst dat hij bedoelde dat hij niet wilde rijden. Of dat hij die eerste week een afspraak had. Ik zei zelfs nog: ‘Dan ga je met Ton mee, die vindt het juist gezellig om te rijden.’
Toen zei hij: ‘Nee, Els. Ik wil niet mee met die hele vakantie.’
Ik weet nog dat ik de waterkoker uitdeed, terwijl hij helemaal niet aanstond. Zo’n rare automatische beweging. Ik vroeg waarom.
Hij haalde zijn schouders op, maar niet onverschillig. Eerder alsof hij al weken iets op zijn schouders droeg. Hij zei dat hij geen zin meer had in de vaste grappen, de vaste indeling, het feit dat Henk iedere ochtend al om half negen wil weten wat het programma is. Dat hij niet meer drie uur aan tafel wil zitten omdat iedereen vindt dat je ‘gezellig’ moet blijven zitten. En dat hij zich er sinds zijn pensioen steeds meer benauwd voelt.
‘Ik wil een keer ergens heen zonder dat er al besloten is wie met wie naar de supermarkt gaat,’ zei hij.
Ik werd meteen boos, wat ik achteraf ook niet netjes vind. Ik zei dat niemand hem vastketende. Dat hij best een middag kon gaan tekenen of wandelen. Dat we heus niet meer twintig zijn.
Kees keek me aan en zei: ‘Maar dat is het nou juist. Dan moet ik uitleggen waarom ik wegga. Of Henk roept: “Daar heb je onze kunstenaar weer.” En iedereen lacht, ook jij.’
Dat laatste kwam hard aan, juist omdat het waar was. Niet omdat ik hem wilde kleineren. Het is gewoon hoe het in die groep gaat. Kees maakt een opmerking over Henk die altijd te hard praat, Henk zegt iets over Kees die overal gereedschap voor meeneemt, en dan lachen we. Al dertig jaar.
Ik zei dat hij er veel te zwaar aan tilde.
Hij zei niets meer. Hij pakte zijn schetsblok en ging naar boven.
Daarna heb ik dagen gedaan alsof het vanzelf wel over zou gaan. Ik heb in de app gezet dat we het huis een prachtig idee vonden. Ik heb met Marijke gebeld over beddengoed en handdoeken. Ik dacht: tegen de tijd dat er betaald moet worden, heeft Kees zich wel bedacht. Hij is altijd degene geweest die uiteindelijk meeging. Niet omdat hij geen eigen mening heeft, maar omdat hij ook weet hoe dingen lopen.
Alleen dit keer liep het niet zo.
Toen Henk vroeg of iedereen zijn aanbetaling wilde overmaken, zei Kees aan tafel: ‘Zeg maar dat jij alleen gaat. Of dat jullie iemand anders zoeken.’
Ik voelde mijn gezicht warm worden. ‘Dat kan ik toch niet zomaar zeggen?’
‘Waarom niet?’
‘Omdat we altijd samen gaan.’
‘Ja. Dat zeg je steeds. Alsof dat een reden op zichzelf is.’
Ik heb die avond uiteindelijk Marijke gebeld. Niet Henk, want Henk maakt alles meteen groot. Marijke luisterde eerst heel stil. Daarna zei ze: ‘Maar wat is er dan met Kees? Is hij depressief of zo?’
Ik zei dat het niet zo was. Dat hij gewoon rust wilde.
Ze zuchtte. ‘Nou, dat begrijp ik ergens wel. Maar twee weken per jaar moet toch kunnen? Hij hoeft toch niet ineens zo moeilijk te doen?’
Dat woord, moeilijk, bleef hangen. Niet eens omdat Marijke kwaad bedoelde. Zij kent Kees al sinds we 34 waren. Voor haar is hij degene die de barbecue aansteekt, die de kinderen vroeger opblaaspoppen in het zwembad gooide en die altijd meegaat naar dat ene wijnhuis omdat Ton daar per se naartoe wil.
Ik zei nog: ‘Hij is net met pensioen. Misschien moet hij wennen.’
Maar toen ik ophing, hoorde ik mezelf praten alsof ik zijn gedrag moest verklaren. Alsof hij ziek was of een fase had waar wij als groep geduld mee moesten hebben.
Kees had blijkbaar een deel van het gesprek gehoord. Hij stond in de gang en vroeg alleen: ‘Heb je ook gezegd dat ik gewoon niet wil?’
Ik werd weer boos. Of bang, eigenlijk. Ik zei dat hij geen idee had wat het voor mij betekende als ik daar alleen zou aankomen. Iedereen zou vragen waar hij was. Mensen gaan invullen dat wij problemen hebben. En misschien doen ze dat dan ook wel, want wat voor stel gaat na bijna veertig jaar apart op vakantie?
Hij zei: ‘Misschien een stel dat niet alles samen hoeft te doen.’
Daar had ik geen antwoord op.
Het vervelende is dat ik hem ook begrijp. Als ik eerlijk ben, heb ik zelf soms ook genoeg van Henk die overal een mening over heeft. Van Ineke die nog steeds doet alsof zij de enige is die kan koken. Van de vaste stoelverdeling aan die lange tafel. Maar ik weet ook wie ik ben in die groep. Ik ben degene die onthoudt dat Ton geen koriander lust, die met Marijke ’s ochtends brood haalt, die zorgt dat er pleisters zijn voor de kleinkinderen die tegenwoordig soms meekomen. Daar ben ik niet alleen Kees’ vrouw of de moeder van onze dochters. Daar ben ik gewoon Els, en mensen verwachten dat ik er ben.
Vorige week hebben Kees en ik geprobeerd een compromis te verzinnen. Eén week Frankrijk met de groep, daarna met z’n tweeën ergens anders. Hij zei meteen nee. Niet hard, maar wel duidelijk. Hij wil niet eerst een week ‘doorstaan’ om daarna rust te verdienen.
Ik snap dat ook weer. En toch doet het pijn dat hij niet eens één week voor mij wil.
Gisteren heb ik Henk geappt dat Kees niet meegaat en dat ik nog niet weet wat ik doe. Hij belde binnen twee minuten. Ik nam niet op. Daarna kwamen er berichten van de anderen: of alles goed is, of ze kunnen helpen, of Kees misschien gewoon mee moet omdat hij anders spijt krijgt.
Kees zat buiten met zijn tekenblok. Ik keek door het raam naar hem. Hij had zijn leesbril laag op zijn neus en was bezig met onze schuur, van de kant van de tuin. Een onderwerp waar ik zelf nooit naar zou kijken.
Ik heb nog steeds niet geantwoord in de appgroep. De aanbetaling moet vrijdag overgemaakt worden. Ik kan alleen gaan, ik kan afzeggen, of ik kan doen alsof er niets aan de hand is en hopen dat hij alsnog zwicht.
Die laatste mogelijkheid herken ik helaas het beste aan mezelf.