Mijn man reserveerde onze auto op de dag dat ik eindelijk mijn eerste grote presentatie moest geven
Ik heb jarenlang gezegd dat ik het prima vond om drie dagen per week te werken. Dat was ook deels waar. Onze twee kinderen waren toen nog thuis, er moest altijd iemand naar hockey, er was gedoe met proefwerkweken, sporttassen die stonken in de bijkeuken en een koelkast die op donderdag ineens leeg was.
Ik werkte bij een woningcorporatie, op de afdeling bewonerszaken. Eerst aan de balie, later meer achter de schermen. Ik vond het werk leuk, vooral als je iets voor iemand kon regelen zonder dat het meteen een heel dossier werd. Maar als er een vacature vrijkwam voor teamcoördinator, zei ik altijd tegen mezelf: laat maar. Te veel gedoe. Te veel verantwoordelijkheid. En thuis was er ook altijd wel een reden waarom het niet handig was.
Nu zijn Bas en Lotte al jaren het huis uit. Bas woont met zijn vriendin in Utrecht, Lotte huurt iets in Groningen en komt vooral thuis als ze was wil draaien of als ze ziek is, volgens mij. Mijn man, Henk, en ik waren ineens met z’n tweeën in ons rijtjeshuis in Amersfoort. Eerst was dat wennen, maar daarna werd het rustig. Misschien té rustig, achteraf gezien.
Henk werkte vier dagen als werkvoorbereider bij een installatiebedrijf. Op vrijdag was hij meestal thuis. We dronken koffie bij de keukentafel, deden boodschappen bij de Jumbo en rommelden wat in de tuin. In de zomer aten we vaak laat buiten, met zo’n bakje huzarensalade erbij waar we allebei eigenlijk niet eens gek op zijn. Het was geen slecht leven. Integendeel.
Toen mijn manager vorig voorjaar vertelde dat zij naar een andere functie ging en mij vroeg of ik haar plek wilde overnemen, zei ik niet meteen ja. Ik heb er drie nachten slecht van geslapen. Niet omdat ik het niet wilde, maar omdat ik het juist zó graag wilde dat ik bang werd.
Henk zei aanvankelijk: “Natuurlijk moet je dat doen. Je hebt er lang genoeg voor gewerkt.”
Hij meende het volgens mij ook. Alleen dacht hij, net als ik misschien, dat er verder niet zoveel zou veranderen.
De functie was 36 uur. Niet extreem, zeggen mensen dan. Maar het verschil tussen drie dagen en bijna fulltime zit niet alleen in uren. Het zit in wie onthoudt dat de kat brokken nodig heeft. Wie ziet dat de handdoeken op zijn. Wie alvast een afspraak maakt voor de tandarts. Wie op zondagmiddag denkt: we hebben nog maar twee koffiecups.
In de eerste maanden probeerde ik alles te blijven doen. Ik stond om half zeven op om was weg te werken voordat ik naar kantoor ging. Ik zette ’s avonds nog een pan soep op terwijl ik in mijn hoofd een gesprek met een boze huurder voorbereidde. Ik zei overal ja op. Op mijn werk omdat ik wilde bewijzen dat ik het kon, thuis omdat ik niet de vrouw wilde zijn die ineens vond dat alles anders moest.
Daar werd ik niet gezelliger van.
Op een donderdag kwam ik om kwart over zeven thuis. Er was een lekkage geweest in een complex in Soesterkwartier en ik had de halve middag met een aannemer, twee bewoners en onze technisch beheerder aan de telefoon gezeten. Ik kwam binnen, mijn jas nog aan, en Henk zei vanuit de woonkamer: “Er is niks te eten. Ik wist niet wat je plannen waren.”
Ik weet nog dat ik naar de fruitschaal keek. Er lagen drie mandarijnen in en een zachte peer. Meer niet.
“Mijn plannen?” vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op. “Normaal verzin jij iets.”
Ik heb toen iets heel kinderachtigs gedaan. Ik heb gezegd: “Dan eten we dus mandarijnen,” en ben naar boven gelopen. Ik schaam me daar nog steeds een beetje voor. Henk heeft uiteindelijk patat gehaald. We hebben die zwijgend op de bank gegeten, met een spelprogramma aan dat niemand volgde.
Daarna kwamen de kleine opmerkingen. Niet elke dag, maar vaak genoeg. Dat het huis rommeliger werd. Dat we nooit meer zomaar weg konden. Dat ik op zaterdag “niet echt aanwezig” was. Dat hij de tuin niet alleen kon bijhouden, alsof ik ooit in mijn leven enthousiast een haag had geknipt.
Ik snapte zijn irritatie ergens wel. Henk is geen man die veel praat als iets hem dwarszit. Hij gaat dingen doen. De garage opruimen, het terras schoonspuiten, zonder overleg drie zakken potgrond halen. En toen ik minder thuis was, kwam alles wat hij deed blijkbaar harder bij hem binnen.
Op een zondag zei hij opeens dat ik misschien kon kijken of ik vier dagen kon werken. “Niet voor altijd,” voegde hij eraan toe. “Maar gewoon, zodat we weer een beetje normaal leven.”
Dat woord, normaal, bleef in mijn hoofd haken.
Ik zei dat mijn baan niet iets was wat ik er een paar jaar bij deed tot hij er last van kreeg. Misschien zei ik het venijniger dan nodig. Hij werd rood en zei dat het hem niet om mijn baan ging, maar om ons.
“Ons was blijkbaar vooral dat ik zorgde dat alles liep,” zei ik.
Dat was gemeen, want Henk heeft altijd hard gewerkt en hij deed echt wel dingen in huis. Hij maakte de belastingaangifte, onderhield de auto, belde loodgieters en stond bij iedere kapotte vaatwasser met een zaklamp te kijken alsof hij er iets van begreep. Maar de dagelijkse laag, dat onzichtbare geregel, lag meestal bij mij. Nu ik daar mee stopte, voelde het voor hem alsof ik iets bij hem had neergegooid.
De echte breuk kwam drie weken geleden.
Ik moest op dinsdag naar Zwolle voor een gesprek met een gemeente waarmee we wilden samenwerken. Het was mijn eerste keer dat ik zo’n overleg alleen zou leiden. Niet wereldschokkend misschien, maar voor mij wel. Ik had mijn papieren al geprint, een blouse gestreken, zelfs mijn schoenen de avond ervoor bij de deur gezet. Ik zou de auto meenemen omdat de verbinding vanuit Amersfoort met de trein net onhandig was en ik na afloop nog naar een locatie buiten de stad moest.
Toen ik ’s ochtends mijn tas pakte, lag de autosleutel niet in het schaaltje.
Henk stond in de keuken en zei dat de garage de auto om negen uur kwam ophalen. Er moest met spoed naar het dak gekeken worden. Een losse dakpan, misschien meer schade. Hij had de afspraak de avond ervoor gemaakt.
Ik zei dat hij wist dat ik naar Zwolle moest.
“Je kunt toch met de trein?” zei hij. “Dat dak kan niet wachten als het gaat regenen.”
Er was geen regen voorspeld. Niet die dag, niet die week. En hij had die ochtend ook geen pan van het dak zien waaien. Hij zei alleen dat de buurman iets had opgemerkt.
Ik heb alsnog de trein genomen, te laat aangekomen en met klamme handen mijn presentatie gedaan. Het ging uiteindelijk prima, gek genoeg. Mijn collega belde achteraf zelfs dat de gemeente positief was. Maar ik was de hele terugreis misselijk. Niet door die afspraak, maar omdat ik wist dat Henk een grens was overgegaan die hij zelf waarschijnlijk nog steeds kleiner maakt dan hij was.
Thuis stond er een ladder tegen de gevel. De dakdekker was nog niet eens geweest; er was alleen een inspectie ingepland. Henk zat aan de eettafel zijn mail te bekijken.
Ik vroeg waarom hij me niet gewoon had gezegd dat hij wilde dat ik niet ging.
Hij keek me lang aan en zei: “Omdat jij toch altijd gaat.”
Dat kwam hard aan. Ook omdat er iets wanhopigs in zat. Hij bedoelde niet alleen Zwolle. Hij bedoelde dat ik sinds die baan ergens naartoe bewoog waar hij niet vanzelf mee naartoe ging.
Ik heb die avond bij mijn zus Marijke geslapen. Niet omdat ik dacht dat het voorbij was, maar omdat ik bang was dat ik anders iets zou zeggen dat niet meer terug te nemen viel. Marijke vond Henk een eikel, wat zussen blijkbaar moeten doen, maar ze zei ook dat wij jarenlang allebei hebben gedaan alsof onze taakverdeling vanzelf ontstaan was. Daar had ze gelijk in.
Sindsdien praten we wat voorzichtiger. Henk heeft excuses aangeboden voor de auto, zonder er een heel verhaal van te maken. Ik heb gezegd dat ik niet terugga naar minder uren. Daar is geen onderhandeling meer over.
We hebben een schoonmaakster geregeld voor eens per twee weken. Henk kookt nu op dinsdag en donderdag. Hij kijkt daarbij nog steeds alsof hij een ingewikkelde operatie uitvoert, maar hij kan het. Vorige week maakte hij pasta met veel te veel knoflook. Ik heb niets gezegd.
De ladder staat nog steeds tegen het huis. De dakdekker moet nog langskomen, er is vertraging door drukte. Soms zie ik Henk ernaar kijken als hij thuiskomt.
Ik weet niet of we hiermee al uit de problemen zijn. Ik ben nog vaak moe en hij is nog vaak stil. Maar ik ga volgende maand een dag naar een landelijke bijeenkomst van de corporatie, en gisteren vroeg hij uit zichzelf hoe laat mijn trein vertrekt. Hij heeft het zelfs in zijn agenda gezet.