Mijn man wil onze beste vriend opvangen, maar ik kan niet nog iemand in huis dragen
Vorige week vond ik ’s ochtends drie koffiekopjes op het aanrecht, terwijl er maar twee van ons thuis waren geweest.
De derde was van Henk. Zo’n grote, donkerblauwe mok die hij altijd uit de kast pakt zonder te vragen. Hij was de avond ervoor nog even langsgekomen, zei hij. Uiteindelijk werd het half één. Kees had hem naar huis willen brengen, maar Henk zei dat hij nog wel kon rijden. Ik lag toen al in bed en hoorde beneden hun stemmen steeds zachter worden, afgewisseld met dat korte, harde lachen van mannen die niet willen laten merken dat ze eigenlijk verdrietig zijn.
Ik ben 66, Kees is 68. We kennen Henk en Marja al sinds 1984, vanaf de camping in Frankrijk waar onze kinderen nog klein waren en alles met een gaspitje, een lek luchtbed en eindeloos afwassen moest. Daarna kwamen de vaste etentjes, oud en nieuw, verjaardagen, weekendjes op de Veluwe. Niet iedere week intensief, maar wel het soort vriendschap waarbij je elkaars huis kent zonder rondleiding. Henk wist waar de stoppenkast zat. Marja wist dat ik op kerstavond altijd te veel aardappels schilde.
Toen Henk en Marja vorig najaar uit elkaar gingen, kwam dat eerlijk gezegd niet helemaal uit de lucht vallen. Ze konden elkaar al jaren kleiner maken met opmerkingen waar anderen dan om moesten lachen. Marja regelde alles, Henk trok zich terug. Hij kon heel charmant zijn, maar ook passief. Als er iets stuk was in huis, liet hij het liggen tot Marja ontplofte of iemand anders het oploste.
Toch was ik geschrokken toen ze echt uit elkaar gingen. Na 42 jaar. Marja vond een appartement in Amersfoort, dicht bij hun dochter. Henk bleef in het huis in Soest, veel te groot voor hem alleen. Hij heeft artrose in zijn heup en sinds een val in de schuur is hij onzeker geworden met traplopen. Niet dat hij helemaal niets meer kan. Hij rijdt nog auto, doet boodschappen, loopt met een stok als het slecht gaat. Maar alles kost hem meer tijd en hij raakt ervan in de war als er te veel tegelijk moet.
Kees nam het meteen op zich. Eerst heel redelijk. Op woensdag ging hij met Henk naar de bouwmarkt of hielp hij met een lamp ophangen. Soms nam hij soep mee. Ik vond dat vanzelfsprekend. Als iemand die je zo lang kent in de knoop zit, laat je hem niet zitten.
Maar woensdag werd ook maandagmiddag. En zaterdag. Kees belde hem iedere avond, soms een uur. Tijdens het eten lag zijn telefoon naast zijn bord. Als Henk appte dat hij zich beroerd voelde, zag ik Kees al half opstaan.
Ik zei er eerst niets van, of nou ja, niet duidelijk. Ik zei dingen als: ‘We zouden toch naar de markt?’ Of: ‘Kom je vanmiddag ook nog thuis?’ Daar reageerde Kees dan geïrriteerd op, alsof ik hem betrapte op iets verkeerds.
‘Hij heeft nu gewoon niemand, Els.’
Dat zinnetje begon ik te haten. Niet Henk, maar dat zinnetje. Alsof ik iemand wilde afpakken wat hij nodig had.
Ik ben vorig jaar gestopt met werken in de administratie van een fysiopraktijk. Ik had me daar enorm op verheugd, maar ik moest ook wennen. De eerste maanden voelde ik me soms nutteloos. Iedereen zegt dat pensioen vrijheid is, maar je moet die vrijheid ineens zelf invullen. Ik ben gaan zwemmen op dinsdagochtend, drink eens per maand koffie met twee oud-collega’s en ik rommel in de tuin. Kees en ik hadden eindelijk een ritme dat niet draaide om werk, kinderen die iets nodig hadden of ouders die ouder werden.
En ja, ik heb ook mijn eigen dingen. Mijn moeder had in haar laatste jaren veel zorg nodig. Ik was degene die altijd meeging naar het ziekenhuis, de was deed, de rekeningen controleerde. Mijn broer woonde in Groningen en had het druk, zogenaamd. Ik heb daar nog steeds een soort vermoeidheid van over die ik niet goed kan uitleggen. Als iemand afhankelijk van mij dreigt te worden, ook maar een beetje, voel ik het meteen in mijn lijf. Dan slaap ik slecht en ga ik alles vooruitdenken.
Henk kwam de laatste tijd steeds vaker bij ons eten. Soms vroeg hij het, soms zei Kees gewoon: ‘Henk eet mee.’ Dan stond ik om vijf uur alsnog extra groenten te snijden. Dat klinkt kinderachtig als ik het zo opschrijf. Een aardappel meer of minder, waar hebben we het over? Maar het was nooit alleen eten. Henk bleef hangen. Hij vertelde telkens hetzelfde over Marja: dat zij al langer iemand anders zou hebben, dat zij hem zijn kleinkinderen afpakte, dat hij niet begreep waarom zij niet gewoon normaal konden overleggen.
Soms had ik medelijden met hem. Echt. Hij keek dan zo verloren naar zijn eigen handen. Maar soms dacht ik ook: bel je dochter, bel een huisarts, zoek een maatjesproject, doe íets wat niet alleen op Kees leunt. Vervolgens schaamde ik me daarvoor.
De echte ruzie kwam twee zondagen geleden. We hadden net de vaatwasser ingeruimd. Kees was al de hele dag stil geweest. Hij zei: ‘Henk vroeg of hij af en toe hier kan slapen. Vooral in het weekend. Hij zegt dat de avonden het ergst zijn.’
Ik dacht eerst dat hij bedoelde één nacht, na een etentje misschien.
‘Af en toe, hoe vaak is af en toe?’ vroeg ik.
Kees haalde zijn schouders op. ‘Dat zien we dan wel. Misschien een nacht per week. Misschien meer als het nodig is.’
Ik weet nog dat ik een theedoek in mijn handen had. Ik zei meteen nee. Te snel misschien, maar het kwam eruit voordat ik het netjes kon maken.
Kees keek me aan alsof ik iets onmenselijks had voorgesteld.
‘Nee?’ zei hij. ‘Hij zit daar alleen in dat huis, Els.’
‘Ik weet dat hij alleen zit. Maar ik wil niet dat ons huis zijn uitwijkplek wordt.’
‘Dus hij mag hier niet slapen omdat jij je rust wilt?’
Dat was precies de gemene samenvatting waar ik bang voor was. Ik werd boos en zei dat ik niet nog jaren de achtergrondfiguur wilde zijn in iemands verdriet. Dat ik niet verantwoordelijk was voor een man van 69 die na zijn scheiding niet wist wat hij met een zondagavond moest.
Kees zei toen: ‘Als ik in zijn schoenen stond, zou ik hopen dat iemand meer hart had.’
Daar ben ik nog steeds niet overheen. Niet omdat hij Henk wil helpen. Maar omdat hij daarmee eigenlijk zei dat ik geen hart heb.
We hebben daarna twee dagen nauwelijks gesproken. Kees ging woensdag weer naar Henk. Hij kwam laat thuis en zei alleen dat Henk misschien tijdelijk zijn slaapkamer naar beneden moet verplaatsen, omdat de trap moeilijker wordt. Ik zei dat dat vervelend was. Meer kreeg ik niet uit mijn mond.
Gisteren belde Henk zelf. Hij klonk voorzichtig, bijna opgewekt. Hij vroeg of het goed was als hij komend weekend bij ons bleef, van vrijdag tot zondag. Kees had volgens hem gezegd dat hij het ‘wel even met Els zou bespreken’.
Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Nee, Henk. Dit weekend niet. En voorlopig ook niet op die manier.’
Aan de andere kant bleef het stil. Toen zei hij: ‘O, oké. Ik dacht alleen… laat maar.’
Ik heb daarna bijna een uur gehuild, vooral uit woede op mezelf en op iedereen. Kees heeft nog niet echt met me gepraat. Hij doet beleefd, haalt brood, vraagt of ik koffie wil, maar er zit iets kouds tussen ons. Alsof ik een deur heb dichtgedaan waar hij zelf ook nog doorheen wilde.
Morgen gaat hij met Henk praten over thuishulp en misschien een personenalarm. Dat vind ik goed. Ik heb zelfs gezegd dat Henk best een keer kan eten als we het van tevoren afspreken. Maar ik weet niet of Kees dat nog als hulp ziet, of als een karige uitzondering die ik hem afdwing.
Vanmiddag heb ik die blauwe mok afgewassen en terug in de kast gezet. Niet achterin. Gewoon bij de andere mokken. Ik ben niet van plan hem uit ons leven te zetten.
Ik wil alleen niet dat ik zelf langzaam uit mijn eigen leven verdwijn.