Na veertig jaar vriendschap voelde ik me ineens meer hun mantelzorger dan hun vriendin
Vorige zondag stond ik om half negen met een tas schone handdoeken in onze bijkeuken, terwijl Henk boven zijn overhemd stond te strijken voor de verjaardag van onze kleindochter. Ik weet nog dat ik naar die handdoeken keek en dacht: waarom heb ík eigenlijk handdoeken van Marijke en Ton in huis?
Het antwoord was niet ingewikkeld. Hun wasmachine was stuk, Ton kon vanwege zijn evenwicht niet goed de trap op naar zolder, en Marijke had die week zoveel last van haar schouder dat ze nauwelijks iets boven haar hoofd kon tillen. Dus had ik gezegd: geef maar mee, dan draai ik wel een wasje.
Zo gaat het de laatste tijd steeds. Het begint met iets kleins. Een boodschap, omdat Ton niet meer zo prettig auto rijdt. Even meekijken naar een brief van de zorgverzekeraar. Marijke naar de huisarts brengen na een oogbehandeling, omdat ze dan niet zelf terug mocht rijden. En voor ik het wist had ik hun afspraken in mijn telefoon gezet, omdat Marijke ze steeds door elkaar haalde en ik het zonde vond als ze weer voor niets naar het ziekenhuis in Nieuwegein zouden gaan.
We kennen elkaar al sinds 1983. Henk en ik woonden net in ons eerste huurhuis in Zeist, met een bruine vloerbedekking die al versleten was toen we erin kwamen. Ton werkte bij de gemeente, Henk in een drukkerij. Marijke en ik kregen ongeveer tegelijk onze eerste kinderen. We hadden geen familie dichtbij en vierden toen bijna alle feestdagen met elkaar. Later gingen we met z’n vieren kamperen in Frankrijk, met die oude vouwwagen van Ton waar altijd iets aan mankeerde.
Als ik aan hen denk, denk ik niet alleen aan hulpvragen. Ik denk aan Marijke die drie weken lang voor mijn moeder kookte toen die na haar heupoperatie thuiszat. Aan Ton die op een zaterdag onze lekkage kwam oplossen terwijl hij zelf eigenlijk naar een voetbalwedstrijd zou gaan. Aan hoe zij bij onze scheiding van Henk en mij — we zijn uiteindelijk na een jaar weer bij elkaar gekomen, lang verhaal — allebei niets kozen en toch bij ons bleven komen.
Het zijn geen kennissen. Het zijn, voor zover je dat op onze leeftijd nog zo zegt, onze mensen.
Misschien is het daarom ook zo ongemerkt scheef gegroeid. Ik ben sinds twee jaar met pensioen. Ik werkte op de administratie van een middelbare school en mijn dagen waren vroeger altijd vol. Toen ik stopte, dacht ik: eindelijk tijd om te wandelen, meer lezen, misschien een cursus tekenen in het buurthuis. Henk werkt nog drie dagen per week in een magazijn, al moppert hij dat hij eigenlijk ook wel klaar is.
Maar mijn dinsdagen zijn inmiddels voor Marijke en Ton. Donderdag vaak ook. Op maandag bel ik meestal even om te horen hoe het weekend was, maar dat gesprek duurt zelden minder dan drie kwartier. Als ik niet bel, belt Marijke mij. Soms alleen omdat ze bang is dat Ton weer duizelig wordt. Soms omdat ze ruzie hebben gehad over iets kleins, zoals de thermostaat of zijn medicijnen.
Henk zegt dan: “Je hoeft niet altijd meteen op te nemen, hoor.”
Maar als ik hem aankijk, zegt hij er vaak achteraan: “Ik bedoel het niet verkeerd. Ze hebben je gewoon nodig.”
En dat is precies het probleem. Iedereen die iets vraagt, heeft natuurlijk een reden. Ton doet niet alsof hij moeilijk loopt. Hij loopt moeilijk. Marijke verzint die pijn in haar schouder niet. En ze hebben kinderen, maar hun dochter woont in Groningen en hun zoon werkt onregelmatig op Schiphol. Die komen echt wel, maar niet op een dinsdagmiddag omdat de apotheek een fout heeft gemaakt met de herhaalmedicatie.
Ik begrijp het allemaal. Alleen: begrip is kennelijk niet hetzelfde als eindeloos beschikbaar zijn.
De week voor de verjaardag van onze kleindochter belde Marijke op vrijdagavond. Wij zaten net met een glaasje wijn naar een slechte detective te kijken. Ze klonk gejaagd. De buurvrouw die normaal op zaterdag hun vuilnisbak buiten zet, was een weekend weg. Of Henk en ik dan zaterdagmorgen konden komen, want Ton mocht van de fysiotherapeut niet met die container over het grindpad rommelen.
Ik zei dat we die middag naar Amersfoort gingen, naar onze dochter. Onze kleindochter werd zeven. We zouden helpen met de slingers en blijven eten.
Aan de andere kant bleef het even stil.
“Maar die bak moet wel aan de straat,” zei Marijke uiteindelijk.
Ik zei dat ik dat snapte. Dat ik eventueel zondag kon komen en dat de bak dan misschien pas maandag geleegd zou worden, of dat ze de buurjongen konden vragen. Ik hoorde mezelf al oplossingen aandragen, omdat ik die stilte niet trok.
“Die buurjongen kent Ton nauwelijks,” zei ze. “En zondag hebben we er niets aan.”
Toen nam Ton de telefoon over. Hij zei niet boos, eerder gekwetst: “Laat maar, Els. We redden ons wel. We willen jullie familie niet in de weg zitten.”
Dat vond ik gemeen. Misschien bedoelde hij het niet gemeen, maar zo kwam het wel binnen. Alsof ik hen expres liet zitten omdat een kinderfeestje leuker was dan zij.
Ik heb gezegd dat het niet om in de weg zitten ging. Dat wij ook afspraken hebben. Dat ik niet elk weekend stand-by kan staan voor dingen die misschien op een andere manier geregeld kunnen worden.
Daar werd Marijke boos van. Niet schreeuwen, dat doet zij nooit. Juist dat vlakke, stille van haar is erger.
“Na alles wat we samen hebben meegemaakt, had ik niet gedacht dat we dit moesten gaan bijhouden,” zei ze.
Ik weet nog dat ik in de keuken stond met de telefoon tegen mijn oor en naar Henk keek. Hij hoorde alleen mijn kant. Hij maakte een gebaar van: wat is er nou?
Ik zei tegen Marijke dat ik niets bijhield. Maar dat was niet helemaal waar. Ik hield het wel bij. Niet in een schriftje, maar in mijn hoofd. Hoe vaak ik hun brood haalde. Hoe vaak ik mijn eigen afspraak afzegde. Hoe vaak Henk alleen naar zijn broer ging omdat ik nog met Marijke bij de poli neurologie zat.
De volgende dag gingen we gewoon naar Amersfoort. Ik had een enorme knoop in mijn maag. Bij onze dochter deed ik alsof er niets was. Mijn kleindochter liet trots haar nieuwe step zien en wilde dat ik mee naar buiten ging. Ik ben gegaan, maar ik keek steeds op mijn telefoon.
Er waren drie gemiste oproepen. Twee van Marijke, één van Ton. Geen bericht.
Pas laat in de middag belde ik terug. Ton nam op. De container was uiteindelijk door de overbuurman buitengezet. Hij zei dat het prima was en dat ik me niet druk moest maken. Maar hij klonk alsof hij verkouden was, kort en dof.
Sindsdien is het anders. Niet helemaal kapot, daar zijn we te lang voor met elkaar verbonden. Maar er zit iets tussen ons in waar vroeger niks zat. Marijke appt me nog wel, alleen veel zakelijker. “Dinsdag 10.30 oogarts, lukt ophalen?” Ik merk dat ik nu soms expres pas na een uur reageer. Daar schaam ik me ook voor. Het voelt kinderachtig, alsof ik haar wil laten merken hoe het is om te wachten.
Henk vindt dat ik het groter maak dan het is. Hij zegt dat we best één vaste ochtend kunnen afspreken waarop we helpen, en dat we voor de rest moeten kijken wat haalbaar is. Dat klinkt verstandig, maar ik weet niet of het in het echte leven zo werkt. Ziekte houdt zich niet aan een vaste ochtend. Eenzaamheid ook niet.
Toch heb ik afgelopen week de thuiszorgorganisatie gebeld die bij hen al eens over de vloer kwam na Tons knieoperatie. Niet om hen weg te schuiven, zo voelt het wel een beetje, maar omdat er misschien iemand mee kan denken over praktische ondersteuning. Marijke weet nog niet dat ik heb gebeld. Ik weet niet eens of ze daar blij mee zal zijn.
De handdoeken heb ik uiteindelijk niet meegenomen naar Amersfoort. Ze liggen nog opgevouwen in de bijkeuken. Morgen breng ik ze terug. Daarna wilde ik eigenlijk naar de markt voor tulpen, maar ik heb nog niet besloten of ik eerst koffie bij Marijke drink, of alleen de tas bij de deur zet.