Na veertig jaar vriendschap bleek ons chalet in Frankrijk ineens te groot voor ons allebei

De dozen staan nog steeds in mijn garage in Deventer. Zes stuks, allemaal netjes met zwarte stift beschreven: KEUKEN FRANKRIJK, BADKAMER, BOEKEN, TERRAS. Mijn dochter zegt dat ik die dozen gewoon moet openmaken of wegbrengen. “Pap, je gaat daar toch niet meer wonen zoals het nu loopt?”

Maar ik krijg het niet over mijn hart. Niet omdat er iets kostbaars in zit. Er zitten vooral glazen, handdoeken en een nieuw dekbed in. Gewone dingen. Alleen waren die dingen bedoeld voor een leven dat ik al zo lang voor me zag dat het bijna meer herinnering dan toekomst is geworden.

Henk en ik kennen elkaar sinds 1983. We werkten toen allebei bij dezelfde technische groothandel, ik in het magazijn en hij op de buitendienst. Hij kon overal met mensen een praatje maken. Ik niet echt, ik was altijd meer van eerst kijken en dan pas iets zeggen. Maar op vrijdagmiddag gingen we standaard nog één pilsje drinken bij De Buren, en dat ene pilsje werd soms vier.

We trouwden, kregen kinderen, verloren allebei op verschillende momenten een ouder. Henk scheidde jaren geleden van Marjan. Ik ben twaalf jaar geleden weduwnaar geworden. In al die tijd was er één plan dat bleef terugkomen. Als we later met pensioen zouden zijn, zouden we een klein chalet kopen in Frankrijk. Niet aan de Côte d’Azur of zo, daar hadden we het geld niet voor en eerlijk gezegd hoefde dat van ons ook niet. Gewoon ergens in de Ardèche, met een terras, een boulangerie in de buurt en een plek waar je ’s avonds buiten kunt zitten zonder dat je buurman precies hoort wat je zegt.

We hebben er jarenlang voor gespaard. Soms belde Henk me na een vakantie om te zeggen dat hij weer een park had gevonden. Dan stuurde hij een link met foto’s van een zwembad, een rij platanen en zo’n typisch Frans luik dat altijd een beetje scheef hangt. Vorig jaar kochten we eindelijk samen een dubbel chalet op een kleinschalig park bij Ruoms. Twee slaapkamers, een gezamenlijke woonkeuken en een overdekt terras. Niet groot, maar voor ons ruim genoeg.

Ik ging ervan uit dat het leukste deel daarna zou komen: inrichten.

Ik had geen paleis in gedachten. Echt niet. Maar ik wilde wel een goede bank waar je niet na twintig minuten met een pijnlijke rug van opstaat. Een degelijke koelkast, een fijne barbecue, goede matrassen. Misschien een vaatwasser, omdat ik mijn hele leven genoeg afwas heb gedaan. Ik wilde eindelijk eens niet steeds rekenen of iets wel mocht.

Henk keek me aan alsof ik had voorgesteld om er een casino van te maken.

Dat begon eigenlijk al voordat we de sleutel hadden. Hij was in zijn laatste werkjaren veranderd. Hij noemde het zelf “versoberen”. Eerst verkocht hij zijn auto en ging hij alles op de fiets doen. Prima, dacht ik. Daarna zei hij zijn abonnement op televisie op, gaf hij dozen met spullen weg en begon hij over hoe weinig een mens eigenlijk nodig had.

Ik vond het soms wat veel worden, maar ik had ook bewondering voor hem. Na zijn scheiding had hij een moeilijke tijd gehad. Misschien gaf het hem rust. Wie ben ik om daar iets van te zeggen.

Totdat het over ons chalet ging.

Ik had een lijst gemaakt, gewoon praktisch. Bij de Mediamarkt zag ik een compacte vaatwasser in de aanbieding. Bij een meubelzaak in Zutphen had ik een hoekbank uitgezocht die in de gezamenlijke ruimte zou passen. Henk zei dat hij de lijst had bekeken en er slecht van had geslapen.

“Slecht geslapen?” vroeg ik.

“Berend, we gaan daarheen om eenvoudiger te leven. Niet om alle spullen die we hier belangrijk zijn gaan vinden opnieuw te kopen.”

Ik zei dat een koelkast en een bank mij niet bepaald spiritueel bedorven leken te maken.

Hij zuchtte toen. Niet boos, meer op die manier waarop je tegen iemand praat die het volgens jou nog niet begrijpt.

“Het is ballast. We hebben de kans om het anders te doen.”

Ik vroeg wat hij dan voor zich zag.

Een houten tafel, vier stoelen die hij tweedehands op het park wilde zoeken, matrassen op bedframes, één kookplaatje en verder zo min mogelijk. Geen televisie, geen vaatwasser, geen airco. Hij vond zelfs mijn voorstel voor een goede parasol overdreven. “Schaduw kun je ook opzoeken,” zei hij.

Dat laatste maakte me bozer dan het eigenlijk verdiende. Misschien omdat ik dacht aan alle hete zomers waarin we daar juist wilden zijn. Of omdat ik ineens besefte dat ik blijkbaar toestemming moest vragen om comfortabel te mogen zitten in een huis waarvoor ik net zo veel had betaald als hij.

Het echt nare gesprek kwam twee weken later, bij mij aan de keukentafel. Ik had koffie gezet, Henk dronk sinds kort kruidenthee uit een thermosbeker die hij overal mee naartoe nam. Hij zei dat hij over de begroting had nagedacht.

“Jouw helft van de inrichting,” zei hij, “zou je natuurlijk ook aan een goed doel kunnen geven. Aan iets lokaal daar. Een voedselbank of een opvang voor vrouwen. Dat zou toch veel meer betekenen dan een designbank?”

Ik dacht eerst dat hij een grap maakte. Henk maakte vroeger nogal droge grappen.

Maar hij keek heel serieus.

Ik zei: “En als ik zelf wil beslissen wat mijn geld betekent?”

Hij antwoordde dat hij dat respecteerde, maar dat hij niet wilde meebetalen aan luxe in een gezamenlijke ruimte. Hij wilde niet iedere ochtend naar een apparaat of meubel kijken dat volgens hem stond voor verspilling.

Dat was het moment waarop ik iets zei waar ik achteraf spijt van heb. Ik zei dat hij niet eenvoudiger was gaan leven, maar vooral heel goed was geworden in anderen uitleggen waarom zij verkeerd leefden.

Hij werd wit om zijn neus. Henk is niet iemand die snel huilt, maar zijn ogen stonden meteen vol. Hij zei alleen: “Dat vind ik laag.” Daarna ging hij weg.

Een paar dagen hebben we elkaar niet gesproken. Dat was denk ik langer dan ooit in die veertig jaar. Ik was kwaad, maar ook misselijk van het idee dat dit onze vriendschap kon kosten. Mijn zoon vond dat ik hem gewoon moest uitkopen. Makkelijk praten. Het chalet is gezamenlijk gekocht, en Henk heeft er net zo lang voor gewerkt en gedroomd als ik.

Uiteindelijk ben ik toch naar hem toe gegaan. Hij woont nu in een klein appartement in Apeldoorn, vrijwel kaal inderdaad. Een tafel, twee stoelen, een boekenkast, een plant die er niet best bij stond. Ik zag dat hij het meende. Het was geen toneelstukje om mij dwars te zitten.

We hebben die middag niet echt een oplossing gevonden. Hij zei dat hij bang was dat we in Frankrijk alleen maar zouden consumeren omdat we eindelijk tijd hadden. Ik zei dat ik juist bang was dat ik na mijn pensioen nog steeds in een soort wachtkamer zou leven, alsof comfort iets was dat ik eerst moest verdienen maar nooit echt mocht toelaten.

Uiteindelijk hebben we afgesproken dat hij een maand alleen naar het chalet gaat wanneer de sleuteloverdracht is geweest. Daarna ga ik erheen. We hebben niets gekocht, behalve twee opklapbedden en een tweedehands koelkast, omdat er nu eenmaal eten koel moet staan.

De bank die ik had uitgezocht is inmiddels niet meer in de aanbieding. Dat is onbenullig, ik weet het. Toch baal ik ervan.

Vorige week stuurde Henk een foto van het terras. Twee plastic stoelen, een klein tafeltje en uitzicht op de heuvels. Hij schreef: “Het is hier stil. Misschien is dat al genoeg.”

Ik heb teruggestuurd dat ik blij was dat hij veilig was aangekomen. Daarna heb ik mijn telefoon weggelegd en ben ik in de garage gaan staan, tussen die dozen.

Ik weet nog niet of ik straks met een busje vol spullen naar Frankrijk rijd, of dat ik eerst maar één koffer meeneem. Maar ik weet wel dat ik niet mijn hele leven zuinig ben geweest om op mijn vijfenzestigste bang te moeten zijn voor een fatsoenlijke stoel.