Na veertig jaar vriendschap voelde elke vrijdag ineens als een dienst
De app van Henk staat al drie dagen op ongelezen. Niet omdat ik hem niet zie. Integendeel, dat groene bolletje boven WhatsApp lijkt groter te worden als ik ernaar kijk. Mijn vrouw Marije zegt er niks van, maar ik weet dat zij hetzelfde doet. We zitten allebei op de bank met een boek dat we niet echt lezen.
Henk en ik kennen elkaar sinds 1983. We werkten toen bij dezelfde technische groothandel in Amersfoort, nog vóór computers op ieder bureau stonden. Hij op de binnendienst, ik in het magazijn en later in de verkoop. Onze vrouwen leerden elkaar kennen op een barbecue van de personeelsvereniging. Els maakte toen een salade met veel te veel rauwe ui. Marije heeft daar nog jaren grappen over gemaakt.
Daarna ging het eigenlijk vanzelf. Vakanties in Frankrijk, eerst met een klein tentje en later met caravans waar we allemaal een mening over hadden. Zaterdag fietsen als het droog was. Op donderdag kaarten. En al zeker vijfentwintig jaar aten we op vrijdag om de beurt bij elkaar. Niet chique. Stamppot, pasta, een pannetje nasi uit zo’n pakje vroeger. Soms een fles wijn te veel en altijd een discussie over de politiek waar niemand van mening veranderde.
Els en Marije waren niet van dat overdreven knuffelige soort vriendinnen. Ze belden niet elke dag. Maar als een van de kinderen gedoe had, of als er een operatie was, dan wist de ander het meteen. We waren gewoon verweven geraakt in elkaars leven, zonder dat je daar ooit woorden aan gaf.
Twee jaar geleden begon Els dingen te vergeten. Eerst was het nog van die dingen waarvan je dacht: ja, dat hebben we allemaal wel eens. De naam van een buurvrouw. Of ze de voordeur op slot had gedaan. Ze vertelde een verhaal op een avond twee keer. Henk lachte erom, misschien iets te hard.
Later werd het minder grappig. Ze raakte in de supermarkt in Leusden de weg kwijt, terwijl ze daar al dertig jaar kwam. Een keer belde ze Marije omdat ze niet meer wist hoe de wasmachine werkte. Henk had toen een onderzoek bij de geheugenpoli geregeld. Uiteindelijk kwam er een diagnose waar niemand echt van opkeek en toch viel het alsof iemand een zwaar dienblad op tafel liet vallen: een vorm van beginnende dementie.
In het begin probeerden we gewoon normaal te doen. Dat zei Henk ook steeds. ‘Niet van haar weglopen, hè. Ze is er nog gewoon.’ En daar had hij gelijk in. Els was er ook nog. Ze kon nog lachen om flauwe dingen. Ze wist nog precies dat ik vroeger altijd te laat kwam. Alleen soms keek ze me aan alsof ze aan het zoeken was in een kast met laatjes en het goede laatje niet open kreeg.
De vrijdagavonden werden bij hen thuis, omdat Els onrustig werd als ze ergens anders moest eten. Prima. Marije en ik namen af en toe eten mee. Ook prima. Henk had genoeg aan zijn hoofd, dat zagen we wel.
Maar ‘af en toe’ werd al snel iedere week. Daarna kwam er een vaste lijst in de app. Wie haalt de boodschappen. Wie kookt. Wie blijft er even bij Els als Henk de keuken opruimt of een rondje met de hond moet. Die hond hadden ze trouwens pas een jaar daarvoor genomen, tegen mijn advies in. Een labradoodle. Hij heet Moos en hij springt nog steeds tegen iedereen op.
Henk ging ons ook vragen om half zes te komen, stipt. Geen minuut later, want Els at tegenwoordig om zes uur. Als we om kwart over vijf belden dat we in de file stonden bij Hoevelaken, kreeg Marije een bericht terug: ‘Dat geeft Els veel onrust.’
Ik snapte dat best. Echt. Alleen ging ons hele leven er langzaam omheen draaien.
Marije past op dinsdagmiddag op onze kleindochter, Isa. Ik tennis op woensdagavond, al jaren, met mannen die ik niet eens bijzonder aardig vind maar die wel mijn vaste groep zijn. Op vrijdag wilden we soms ook gewoon thuisblijven. Vis halen bij de kraam, televisie aan, ieder op zijn eigen stoel. Dat klinkt misschien treurig, maar na een leven waarin je altijd aan het rennen bent geweest, is zo’n stille avond juist heerlijk.
Toch gingen we bijna altijd. Omdat Henk moe klonk. Omdat Els vroeg of we kwamen. Omdat het maar één avond in de week was, hielden we onszelf voor.
Het was alleen geen avond meer. Het begon al met koken bedenken, boodschappen doen, op tijd weggaan. Bij hen aangekomen moest je opletten dat Els niet naar buiten liep als Moos blafte. Je moest niet te veel vragen stellen, want dan raakte ze de draad kwijt. Je moest ook niet doen alsof er niets aan de hand was, want dan vond Henk dat je haar behandelde als een kind. Er zat geen goede manier meer tussen.
Op een vrijdag had Marije een pan lasagne gemaakt. We kwamen binnen en Henk zei niet eens hallo. Hij wees naar de keuken.
‘Kun jij de oven aanzetten? Ik ben de hele middag bezig geweest met Els haar indicatie en ik krijg dat ding niet aan de praat.’
Ik zei dat ik wel even hielp. Daarna bleek dat er geen melk was voor de koffie, dat de vaatwasser kapot was en dat Els haar medicijnen van die avond nog niet had genomen omdat ze zei dat ze die al op had. Henk werd steeds stiller. Els begon te huilen omdat ze dacht dat ze iets fout had gedaan.
Marije zat naast haar en aaide over haar arm. Ik stond aardappels af te gieten terwijl ik dacht: wat doe ik hier eigenlijk? En meteen daarna schaamde ik me kapot om die gedachte.
De week erna zei Marije dat ze niet kon. Niet omdat ze echt niet kon, maar omdat ze op was. Ze had slecht geslapen en haar rug speelde op. Ik belde Henk om het uit te leggen. Hij zei eerst dat hij het begreep.
Tien minuten later kreeg ik een bericht van hem.
‘Als jullie nu al afhaken, wat blijft er dan precies over van al die jaren vriendschap?’
Ik heb dat bericht wel twintig keer gelezen. Daarna werd ik boos. Niet meteen op hem, vooral op dat gevoel dat hij ons in een hoek zette. Alsof we alleen echte vrienden waren als we zonder mopperen onderdeel werden van zijn zorgregeling.
Marije wilde hem terugbellen, maar ik zei dat we beter even konden wachten. Dat was laf, denk ik. Of voorzichtig. Ik weet het nog steeds niet.
De zondag daarop gingen we toch langs. Met bloemen, wat nergens op sloeg want Els ziet ze nauwelijks meer, maar je neemt iets mee als je niet weet wat je moet zeggen. Henk deed open in zijn badjas. Het was half drie. Els zat in de woonkamer met een deken over haar benen, hoewel het buiten 22 graden was.
Ik zei dat zijn bericht me had geraakt. Henk keek naar de vloer.
‘Jullie hebben tenminste nog een leven,’ zei hij. ‘Ik moet alles plannen. Als ik vijf minuten niet oplet, weet ik niet wat er gebeurt. En dan hoor ik jullie over een rustige vrijdagavond.’
Dat was hard, maar niet onwaar. Ik zei ook iets hards terug. Dat hij niet van ons kon verwachten dat we iedere week kwamen koken, opruimen en beschikbaar waren alsof we familie in huis waren. Ik gebruikte volgens mij het woord “rooster”. Daar werd hij kwaad om.
‘Dus Els is een rooster voor jou?’
Nee, natuurlijk niet. Maar op dat moment klonk alles verkeerd.
Els keek ons een tijdje aan. Toen zei ze: ‘Gaan jullie weg?’ Heel zacht. Marije begon meteen te huilen, wat ik haar bijna nooit zie doen. Henk draaide zich om en deed alsof hij iets in de keuken moest pakken.
We zijn na een uur vertrokken. Niet met ruzie de deur uit, niet verzoend ook. Henk zei bij de voordeur alleen: ‘Ik weet ook niet hoe ik dit moet doen.’
Dat vond ik misschien nog het ergste. Want ik geloof hem. Hij is geen manipulerende man, geen egoïst. Hij is bang, uitgeput en hij ziet zijn vrouw langzaam verdwijnen terwijl hij ondertussen formulieren invult en moet onthouden wanneer de thuiszorg komt. Maar wij zijn ook geen hulpverleners. En Marije is niet ineens jonger geworden omdat Els ziek is.
Uiteindelijk hebben we voorgesteld om niet meer elke vrijdag te komen. Eens per twee weken eten we bij hen, en op een andere middag ga ik soms met Henk wandelen terwijl Marije bij Els koffie drinkt. Niet altijd. Niet volgens een strak schema. Gewoon als het lukt.
Hij heeft daar nog niet echt ja op gezegd. Hij reageert beleefd in de app, korter dan vroeger. Vorige week stuurde hij een foto van Els met Moos op schoot. Zij keek de verkeerde kant op. Ik heb er een hartje onder gezet en daarna mijn telefoon omgedraaid.
Vanavond is het vrijdag. Marije heeft soep gemaakt voor onszelf. Er ligt brood op het aanrecht dat nog afgesneden moet worden. Om half zes ga ik Henk toch even bellen. Niet om te vragen wat er moet gebeuren, maar gewoon om zijn stem te horen.
Ik hoop dat dat nog iets betekent.