Mijn zoon trok bij ons in na zijn failliete onderneming, en nu voel ik me een gast in mijn eigen appartement
Ik had niet gedacht dat ik ooit blij zou zijn met een slaapkamer minder.
Veertig jaar woonden Marijke en ik in een tussenwoning in Amersfoort. Drie slaapkamers boven, een rommelzolder, een tuin waar ik ieder voorjaar veel te fanatiek de tegels schoonspoot. Onze twee kinderen zijn daar opgegroeid. Ellen woont al jaren in Deventer met haar vrouw en twee jongens. Onze zoon Bas, de jongste, ging als laatste het huis uit. Dat was inmiddels ook alweer dertien jaar geleden.
Toen ik vorig jaar met pensioen ging, hebben we de knoop doorgehakt. Het huis was te groot, het onderhoud begon me tegen te staan en Marijke wilde dichter bij het centrum wonen. We verkochten goed, tot mijn eigen verbazing. Daarna kochten we een nieuw driekamerappartement in een oud schoolgebouw dat helemaal was verbouwd. Niet groot: 78 vierkante meter. Maar licht, vloerverwarming, een lift, alles gelijkvloers. Onze tweede slaapkamer werd eerst een logeerkamer, maar al snel stond er ook Marijkes naaimachine en mijn bureau. Het was geen huis voor een gezin meer. Dat was juist het idee.
We hadden een ritme gekregen waar ik me bijna schuldig gelukkig bij voelde. Op dinsdag koffie op de markt. Donderdagavond eten bij vrienden of gewoon een uitsmijter en een serie. Ik fietste naar de bibliotheek, Marijke naar haar koor. Geen haast, geen lawaai van boven, geen gedoe.
In november belde Bas.
Hij zei niet meteen dat hij geld nodig had. Hij vroeg eerst hoe het met ons ging, wat ik altijd een slecht teken vind. Daarna vertelde hij dat zijn bedrijf definitief stopte. Hij had met een vriend een kleine onderneming in bedrijfswebsites gehad. Het klonk jaren redelijk succesvol, al begreep ik nooit precies wat ze deden. Nu bleek die vriend al maanden geen administratie te hebben bijgehouden en waren er belastingschulden, openstaande rekeningen en gedoe met een zakelijke lening. Bas zei dat hij ermee bezig was, maar zijn huur in Utrecht kon hij niet meer opbrengen.
‘Ik heb gewoon even een plek nodig om opnieuw te beginnen,’ zei hij. ‘Een maand of zes. Dan kan ik sparen.’
Ik zei vrijwel direct: ‘Bas, dat gaat hier niet.’
Hij bleef stil. Ik hoorde verkeer op de achtergrond. Daarna zei hij alleen: ‘Oké, duidelijk.’
Marijke zat tegenover me aan tafel en keek me aan alsof ik de telefoon uit zijn handen had geslagen. Ze wachtte tot ik had opgehangen.
‘Dat meen je niet,’ zei ze.
Ik zei dat ik het wel meende. Dat Bas 34 was, geen jongen van achttien. Dat wij dit appartement juist hadden gekocht om kleiner te leven. Dat zes maanden in de praktijk nooit zes maanden zijn, zeker niet als iemand geen plan heeft.
‘Hij staat straks misschien op straat, Henk.’
‘Hij staat niet op straat. Hij kan ook iets huren met huisgenoten, hij kan naar schuldhulpverlening, hij kan tijdelijk meer uren maken.’
‘Hij werkt al in een magazijn, voor zover je weet.’
Dat laatste zei ze scherp, en daar zat natuurlijk iets in. Ik wist inderdaad niet precies hoeveel hij werkte, wat hij verdiende en hoeveel schuld hij had. Bas had het over “achterstanden” en “regelingen”, maar zodra ik doorvroeg, werd het vaag. Toch vond Marijke dat geen reden om nee te zeggen. Voor haar was het simpel: hij was onze zoon en hij zat in de problemen.
Drie dagen hebben we erover gepraat, soms rustig, soms helemaal niet. Uiteindelijk belde Marijke hem zelf. Hij kon komen, zei ze. Tijdelijk. We zouden afspraken maken.
Ik zei toen niks meer. Dat is misschien laf geweest. Of vermoeiend. Ik weet het niet.
Bas kwam begin december met een gehuurde bus, twee koffers, een televisie, een bureau, een wasmand vol kabels en een koffiezetapparaat dat groter was dan het onze. Hij kreeg onze tweede kamer. Mijn bureau verhuisde naar een hoek van de woonkamer. Marijke zei dat het wel gezellig zou worden.
De eerste weken deed Bas echt zijn best. Hij kookte een paar keer, zette de vaatwasser aan en ging vroeg weg naar zijn werk. Maar hij kwam ook laat thuis. Niet extreem laat, meestal rond half elf, maar in een appartement hoor je alles. De voordeur, zijn schoenen in de gang, het kastje waar hij blijkbaar steeds dezelfde lepel uit pakte. Hij keek voetbal met oortjes in, maar lachte hard. Hij belde vaak op het balkon, ook als het vroor.
Het waren kleine dingen. Juist daarom voelde het kinderachtig om er iets van te zeggen.
Marijke begon voor hem boodschappen te doen. ‘Hij heeft het al moeilijk genoeg,’ zei ze wanneer ik vroeg waarom er steeds speciaalbier, afbakbroodjes en van die kant-en-klare salades in de koelkast lagen die hij lekker vond. Ze waste zijn beddengoed, hoewel hij best een wasmachine kan bedienen. Als ik daar iets van zei, werd ze boos op mij in plaats van op hem.
‘Moet ik hem dan alles laten uitzoeken?’
‘Nee, maar hij moet wel íets zelf uitzoeken.’
In januari vroeg ik Bas of hij al met de gemeente of een schuldhulpverlener had gesproken. Hij keek meteen alsof ik hem betrapte.
‘Ik heb een afspraak aangevraagd.’
‘Wanneer is die?’
‘Geen idee. Ik krijg bericht.’
Een week later had hij nog geen bericht, want hij had de aanvraag niet afgemaakt. Hij miste een paar gegevens. Zijn oude boekhouder zou iets opsturen. Zijn voormalige zakenpartner reageerde niet. Er was altijd wel iets. Ik snapte best dat het ingewikkeld en beschamend was. Tegelijkertijd zag ik de maanden al voorbijgaan zonder dat er iets veranderde.
Het ergste is dat ik mezelf ook niet aardig vond worden. Ik wachtte tot hij onder de douche vandaan kwam omdat hij lang doucht. Ik ergerde me aan zijn schoenen in de gang. Aan de manier waarop hij ‘mam’ riep vanuit zijn kamer als hij niet wist waar de pleisters lagen. Soms bleef ik expres langer beneden bij de fietsenstalling hangen, alleen omdat ik geen zin had om weer naar boven te gaan.
Op een zondagmiddag ging het mis. Marijke was bij haar zus. Bas zat op de bank met zijn laptop. Er lag een envelop van de Belastingdienst op tafel, ongeopend. Ik vroeg of hij die al had gezien.
Hij zei: ‘Ja, straks.’
Dat woord, straks, maakte iets bij me los. Ik zei dat hij inmiddels bijna drie maanden bij ons woonde en dat ik geen enkel concreet plan zag. Hij werd rood en zei dat ik makkelijk praten had, met mijn pensioen en ons verkochte huis.
Dat raakte me meer dan ik verwachtte. Alsof alles wat wij hadden opgebouwd zomaar een comfortabele stoel was waar ik toevallig in was gevallen.
Ik zei dat hij voor 1 april iets anders moest hebben. Een kamer, een tijdelijke onderhuur, desnoods terug naar een huis met huisgenoten. Maar niet meer hier.
Bas keek me lang aan. Toen pakte hij zijn laptop en liep naar zijn kamer. Geen geschreeuw. Dat was bijna erger.
Marijke kwam thuis en ik vertelde het meteen. Ze hing haar jas niet eens op.
‘Binnen een maand?’ zei ze. ‘Je zet je eigen zoon buiten.’
‘Ik zet hem niet buiten. Ik zeg dat hij moet gaan regelen wat hij al maanden had moeten regelen.’
Ze zei dat ik geen idee had hoe vernederend het voor hem moest zijn. Ik zei dat ik wel degelijk wist hoe het voelde om je te schamen; ik had vroeger ook schulden gehad na mijn diensttijd, alleen was er toen niemand die mijn bed opmaakte en mijn boodschappen kocht. Dat had ik niet moeten zeggen. Niet omdat het niet waar was, maar omdat ik het als wapen gebruikte.
We praten nu vooral praktisch. Over wie er kookt, over de post, over de afspraak die Bas eindelijk heeft bij een financieel hulpverlener. Hij heeft die afspraak volgende week. Hij zegt dat hij actief een kamer zoekt, maar in Utrecht is bijna niks betaalbaars. Dat weet ik ook wel.
Gisteravond hoorde ik Marijke zacht met hem praten in de keuken. Ik verstond niet alles. Alleen haar stem, geruststellend, en daarna Bas die zei: ‘Pap haat me gewoon.’
Ik ben niet naar buiten gegaan om dat recht te zetten.
Ik zat aan mijn bureau, tussen de stapels papier die eigenlijk in mijn eigen kamer hadden moeten liggen, en keek naar de regen tegen het raam. Over een paar dagen is het 1 april. Ik weet nog niet wat ik doe als hij dan nog geen plek heeft.