Onze beste vrienden hebben al een aanbetaling gedaan voor een woonproject waar wij nooit ja op hebben gezegd

Ik schrijf dit omdat ik merk dat ik bij iedereen die ik ken voorzichtig formuleer. Alsof ik anders ondankbaar klink. Want het gaat over mijn beste vrienden, Henk en Marja. Mensen die veertig jaar bij ons leven horen. Niet een beetje, maar echt.

Mijn vrouw Els en ik leerden hen kennen toen we net in onze rijtjeswoning in Amersfoort woonden, 1984 was dat. Onze oudste kinderen schelen drie maanden. We hebben samen in tentjes gestaan in de Ardèche, elkaars katten gevoerd, bij elkaar in de keuken gehuild toen Henk darmkanker had en later, jaren daarna, toen onze dochter Iris ging scheiden. Met kerst wisselden we nooit echt cadeaus uit, hooguit iets lekkers, maar we wisten wel precies wie er van de ander geen olijven lustte en wie te veel suiker in zijn koffie deed.

Dus toen Henk twee jaar geleden begon over ‘samen oud worden’, vond ik dat eerst eigenlijk ontroerend.

Hij zou over anderhalf jaar met pensioen kunnen bij de gemeente. Marja werkte al minder uren in de thuiszorg en was er zichtbaar klaar mee. Els en ik zijn 64 en 63. Ik werk nog drie dagen bij een installatiebedrijf, vooral op de planning inmiddels. Wij hadden het er ook wel over: wat doe je straks met al die tijd? Onze kinderen wonen niet om de hoek. Iris in Zwolle, onze zoon in Utrecht, maar die heeft een druk gezin en we zien hem meestal op zondagmiddag als het uitkomt.

Henk zei dat hij iets had gelezen over een collectief woonproject net buiten Leusden. Acht of tien huishoudens, ieder een eigen compacte woning, met een gezamenlijke tuin, logeerkamers en een grote ruimte waar je kon eten of een film kon kijken. Geen woongroep met vergaderingen over afwas, benadrukte hij meteen. Gewoon zelfstandig, maar niet alleen.

Marja zat naast hem aan onze eettafel en knikte zo hard dat haar bril een beetje scheef zakte.

‘Als een van ons straks valt of ziek wordt, dan heb je tenminste mensen dichtbij,’ zei ze. ‘Niet pas na drie dagen iemand die denkt: gek, hij neemt niet op.’

Ik begreep dat. Door Henk zijn ziekte zijn ze allebei anders naar tijd gaan kijken. En Marja heeft geen broers of zussen meer. Els heeft nog twee zussen, ik een jongere broer in Drenthe, maar dat is toch iets anders dan iemand die even aanbelt.

Alleen: Els en ik hadden nooit gedacht aan ons huis verkopen. We wonen er sinds 1996. Het is geen paleis, maar de hypotheek is bijna klaar. Els heeft haar volkstuin op tien minuten fietsen. Ik heb mijn vaste rondje langs de Eem en, hoe suf het misschien klinkt, ik ken hier de mensen van de supermarkt en de buren. Onze overbuurvrouw zet de kliko soms terug als wij weg zijn. Dat soort dingen zijn niet groot, maar ze maken een buurt wel tot een plek waar je hoort.

In het begin zeiden we steeds: ‘Interessant, stuur maar door.’ Dat was misschien onze fout. We bedoelden: we willen erover lezen. Henk en Marja hoorden blijkbaar: ze doen mee.

Er kwamen pdf’s, plattegronden, een financieel overzicht. Henk belde me op mijn werk omdat hij wilde weten of wij liever een hoekwoning of een woning aan het hofje wilden. Ik maakte er een grap van en zei dat ik vooral een schuur voor mijn fiets wilde.

Els zei later: ‘Je doet alsof het vrijblijvend is, maar hij telt ons gewoon mee.’

Toen zijn we duidelijker geweest. We zijn op een zondagmiddag bij hen gaan zitten. Marja had appeltaart gebakken, wat het nog ongemakkelijker maakte. Els zei rustig dat we het idee mooi vonden, maar dat wij niet van plan waren om nu ons huis te verkopen. Misschien ooit kleiner wonen, ja. Maar niet alles omgooien omdat we met pensioen gaan.

Henk werd stil. Niet boos meteen. Hij keek vooral alsof ik hem iets had afgenomen.

‘Maar jullie zeggen altijd dat jullie niet in een flat willen eindigen,’ zei hij.

‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Maar tussen hier wonen en samen op een terrein gaan zitten, zit nogal wat.’

Marja zei toen: ‘Het gaat ons niet om op elkaar zitten. Juist om elkaar kunnen helpen zonder dat je kinderen alles moeten opvangen.’

Els antwoordde dat we dat snapten, maar dat hulp geen reden kon zijn om gezamenlijk te verhuizen. Ik weet nog dat ik naar de kruimels op mijn schoteltje keek en dacht: waarom voelt dit alsof we een huwelijk uitmaken?

Daarna werd het een tijd rustiger. We gingen nog eten, maar het onderwerp kwam telkens terug. Henk stuurde links naar artikelen over eenzaamheid onder ouderen. Marja vertelde over een kennis die pas na een val in de badkamer werd gevonden. Het waren allemaal echte, nare verhalen. Juist daarom kon ik er niet luchtig op reageren.

Tegelijk begon ik me schuldig te voelen als ik blij was met iets kleins in ons eigen leven. Els stuurde een foto van haar volkstuin in onze gezamenlijke app, met de eerste dahlia’s. Marja reageerde alleen met een duimpje. Vroeger had ze meteen gevraagd welke soort het was.

Drie weken geleden nodigden Henk en Marja ons uit voor koffie. Ze waren opvallend opgewekt. Er lag een map op tafel, zo’n stevige donkerblauwe map die Henk ook altijd meenam als hij iets bij de gemeente moest regelen.

Hij vertelde dat er eindelijk een geschikt terrein was gevonden, aan de rand van Woudenberg. Een oude kwekerij. Er zouden zes woningen komen in de eerste fase. Er waren al twee andere stellen geïnteresseerd. En toen zei hij, bijna trots: ‘Wij hebben de reserveringsbijdrage betaald. Vijfduizend euro. Anders was het weg.’

Ik dacht eerst dat hij het over hun plek had.

Maar hij zei: ‘Voor ons vier.’

Els vroeg heel kalm: ‘Hoe bedoel je, voor ons vier?’

Henk legde uit dat zij twee kavels naast elkaar hadden laten vastzetten. Niet juridisch voor ons, zei hij snel, zo zat het niet. Maar wel met het idee dat wij samen zouden instappen zodra we zagen hoe serieus het was. Hij had zelfs al gerekend met de overwaarde van ons huis. Niet precies, zei hij, want hij wist natuurlijk niet wat wij op onze spaarrekening hadden. Maar ongeveer.

Ik werd daar zo kwaad van dat ik eerst helemaal niets zei. Dat is bij mij geen goed teken. Els kende het en legde haar hand even op mijn knie onder tafel.

Marja begon te huilen voordat wij überhaupt iets hadden gezegd. Ze zei dat ze bang was. Dat was eigenlijk de kern. Niet de grond, niet die woningen, niet het gezamenlijke eten. Ze was bang dat na hun pensioen de dagen leeg zouden worden en dat wij elkaar vanzelf minder zouden zien. Dat iedereen ouder wordt, minder rijdt in het donker, afspraken afzegt omdat het regent of omdat een knie opspeelt. ‘En dan blijf je alleen maar zeggen dat we snel iets moeten doen,’ zei ze. ‘Tot het te laat is.’

Ik voelde medelijden met haar. Nog steeds. Maar ik voelde ook iets wat ik moeilijker vind om toe te geven: irritatie. Alsof onze vriendschap alleen echt was als wij bewezen bereid waren onze postcode ervoor op te geven.

Ik zei uiteindelijk dat hun angst niet onze verplichting kon worden. Te scherp misschien. Henk stond op en zette de koffiepot in de gootsteen terwijl hij nog halfvol was. Hij zei: ‘Ik had gedacht dat wij voor elkaar hadden gekozen, ook voor later.’

Daarop zei Els dat we al veertig jaar voor elkaar kiezen, maar niet op die manier. En dat zij ons niet mochten behandelen alsof wij een ontbrekend onderdeel van hun plan waren.

We zijn vertrokken zonder elkaar te omhelzen. Dat is denk ik het ergste. Marja stond in de gang met rode vlekken in haar hals en zei alleen: ‘Laat het alsjeblieft niet zo eindigen.’

Sindsdien hebben we nauwelijks contact. Henk heeft één bericht gestuurd dat ze de reservering eventueel nog kunnen aanpassen, maar dat er haast bij is. Ik heb het gelezen in bed, naast Els, en ik heb het scherm weer uitgezet.

Gisteren kwamen we Marja tegen bij de Albert Heijn. Ze had een mandje met prei, yoghurt en van die kleine hondenbrokjes voor de hond van hun dochter. We praatten drie minuten over niets. Over dat het weer zo duur is geworden en dat de zelfscan weer vastliep.

Toen zei ze dat ze zaterdag naar het terrein gingen kijken met de andere stellen.

Ik zei dat ik hoopte dat het mooi was.

Dat meende ik ook. Alleen liep ik daarna naar buiten met twee tassen boodschappen en had ik ineens geen idee meer of ik haar nog kwijt wil raken, of dat ik vooral bang ben dat zij ons al kwijt is.