Mijn zoon zegt dat ik hem laat vallen, maar ik kan mijn pensioen niet blijven opmaken
Ik heb vorige week voor het eerst mijn spaarrekening op een rijtje gezet zonder tussendoor weg te kijken.
Dat klinkt misschien raar, maar ik wist heus wel ongeveer wat erop stond. Alleen wilde ik niet precies zien hoeveel er de afgelopen jaren af was gegaan. Iedere keer dat mijn zoon Martijn belde met: “Mam, het is maar tijdelijk,” zei ik tegen mezelf dat het wel weer goed zou komen.
Martijn is 39, heeft een vrouw, Sanne, en mijn kleindochter Noa van acht. Hij werkt in de logistiek, of eigenlijk: hij werkt steeds ergens anders in de logistiek. Contracten lopen af, hij krijgt ruzie met een planner, er komt een reorganisatie. Soms heeft hij een paar maanden werk en dan lijkt alles weer op de rit. Dan krijg ik foto’s van Noa bij zwemles, of van een weekendje weg naar Landal waarvan ik achteraf denk: hoe kon dat dan wel?
Maar ik weet ook dat het niet zo simpel is. Huur is hoog, boodschappen zijn duur, Sanne werkt maar drie dagen omdat Noa op andere dagen naar de bso moet en dat ook geld kost. Ze wonen in een huurwoning in Almere waar ieder jaar iets bij komt aan servicekosten. Ik heb het allemaal vaak genoeg gehoord.
Mijn man Henk overleed zeven jaar geleden. Hij was 66 en dacht nog minstens tien jaar door te werken. Longkanker. Het ging snel, eigenlijk te snel om eraan te wennen dat ik ineens alleen beslissingen moest nemen. Henk was degene die altijd zei dat we een buffer moesten houden. Hij had een map in de kast met tabbladen: verzekering, bank, hypotheek die allang afgelost was, testament.
In het begin gaf ik Martijn geld omdat ik dat zelf wilde. Hij had net een achterstand bij de energieleverancier en schaamde zich zichtbaar toen hij het vertelde. Ik maakte 750 euro over. Daarna 400 voor een kapotte wasmachine. Een keer betaalde ik de gemeentelijke belasting omdat er anders beslagdreiging kwam, zei hij. Met kerst kocht ik Noa een winterjas en laarzen, omdat Sanne terloops zei dat ze haar oude jas nog wel een seizoen kon dragen.
Ik voelde me dan nuttig. Dat is misschien het eerlijkste wat ik kan zeggen.
Toen Henk er net niet meer was, waren de dagen erg stil. Martijn belde vaker als hij iets nodig had. Dat klinkt hard, want hij belde ook wel eens gewoon om te vragen hoe het ging. Maar meestal kwam er na tien minuten toch iets. Of hij zuchtte zo nadrukkelijk dat ik zelf al vroeg: “Is er weer wat?”
Ik heb nooit een schriftje bijgehouden. Geen leningen op papier gezet. Soms noemde ik het een lening, maar we wisten allebei dat ik het geld waarschijnlijk niet terug zou zien. Ik wilde ook niet de moeder worden die bij haar eigen kind rente gaat rekenen.
De afgelopen twee jaar werd het anders. Mijn pensioen is niet slecht, maar ook niet ruim. Ik krijg AOW en een klein aanvullend pensioen van de winkel waar ik vroeger werkte. Mijn huur is vorig jaar omhooggegaan. De zorgverzekering ook. Ik heb artrose in mijn knie en betaal fysiotherapie sinds mijn aanvullende verzekering minder vergoedt. En mijn oude Toyota moest in februari door de apk met nieuwe banden en iets aan de remmen. 980 euro. Ik was er dagen ziek van, terwijl ik die auto eigenlijk nodig heb om bij mijn zus in Harderwijk te komen en voor Noa als ik haar ophaal.
De laatste keer dat Martijn om geld vroeg, ging het om 1.200 euro. Zijn auto was stuk, er stond een achterstand bij Klarna en zijn werkgever had volgens hem uren verkeerd uitbetaald. Hij zei dat hij er bijna niet van sliep.
Ik zat aan mijn keukentafel met mijn bankapp open. Op mijn spaarrekening stond nog iets meer dan negenduizend euro. Vroeger had daar ruim vijfentwintigduizend op gestaan. Een deel was van Henk zijn levensverzekering geweest. Niet genoeg om rijk van te worden, maar wel geld waarvan we altijd zeiden: voor later, als een van ons zorg nodig heeft of als er iets met het huis gebeurt.
Ik zei: “Martijn, ik kan het niet meer doen.”
Hij bleef eerst stil. Ik hoorde verkeer op de achtergrond, hij belde volgens mij vanuit zijn busje.
“Niet?” zei hij uiteindelijk.
“Nee. Ik heb zelf ook kosten. En ik moet iets achter de hand houden.”
Hij lachte een beetje, maar niet omdat hij iets grappig vond. “Jij zit toch gewoon goed, mam.”
Dat raakte me meer dan ik wilde laten merken. Alsof mijn leven stilstaat omdat ik alleen woon en geen kinderen meer hoef te voeden. Alsof een pensioen een soort bodemloze pot is.
Ik zei dat ik best mee wilde kijken naar zijn rekeningen, of dat hij contact kon opnemen met de gemeente voor schuldhulpverlening als het echt zo klem zat. Daar werd hij meteen kwaad om.
“Dus je denkt dat ik mijn zaken niet op orde heb?”
“Nee, dat zeg ik niet.”
“Je laat me gewoon zitten nu het echt misgaat. Al die jaren kon het wel, en nu ineens moet jij zeker aan jezelf denken.”
Ik weet nog dat ik naar de fruitschaal keek. Er lagen twee mandarijnen en een zachte banaan. Zo’n onbenullig detail, maar ik zie het nog voor me. Ik zei niets meer omdat ik bang was dat ik zou gaan huilen en dan zou hij zeggen dat ik hem emotioneel onder druk zette. Dat heeft hij een keer eerder gezegd, toen ik vroeg waarom hij een vakantie had geboekt terwijl hij mij nog geld schuldig was.
Hij hing op met: “Laat maar.”
Daarna hoorde ik bijna twee weken niets. Normaal stuurde Sanne af en toe foto’s van Noa, zeker als ze bij turnen een diploma had gehaald of haar haar weer zelf had afgeknipt. Nu niets. Ik stuurde Noa een kaart voor haar rapport. Geen reactie. Ik weet dat kinderen van acht geen kaarten beantwoorden zoals volwassenen dat zouden doen, maar vroeger kreeg ik op zijn minst een foto van haar met die kaart in haar hand.
Ik heb uiteindelijk Sanne geappt. Heel voorzichtig. Ik vroeg of alles goed ging met Noa en of ik haar zaterdag misschien even kon zien. Zij antwoordde pas de volgende ochtend: “Noa mist je ook, maar er is nu veel spanning. Martijn wil even rust.”
Alsof ik de spanning had veroorzaakt door niet nog eens geld te sturen.
Ik ben ook niet helemaal onschuldig hierin, dat weet ik. Ik heb nooit duidelijk gezegd: tot hier en niet verder. Als Martijn problemen had, loste ik ze mee op. Dan kon ik mezelf wijs maken dat ik een goede moeder was. Misschien heb ik hem juist geleerd dat er altijd nog een rekening was die ik wel zou betalen.
Tegelijkertijd denk ik: hij is geen jongen meer die zijn schooltas kwijt is. Hij is een volwassen man met een gezin. Ik kan niet blijven doen alsof mijn geld van ons allemaal is, terwijl niemand vraagt wat er gebeurt als ik zelf straks hulp nodig heb.
Vorige zondag heb ik een afspraak gemaakt bij mijn bank om te bespreken hoe ik mijn spaargeld beter kan verdelen en hoeveel ik maandelijks werkelijk overhoud. Niet omdat ik Martijn wil straffen. Juist omdat ik niet meer op gevoel wil beslissen wanneer hij belt.
Vanmiddag zag ik dat Noa via de tablet een spraakbericht had gestuurd. Ze zei: “Oma, papa zegt dat we misschien later kunnen videobellen. Ik heb een radslag geleerd.”
Ik heb het bericht drie keer afgespeeld. Daarna heb ik haar teruggestuurd dat ik heel graag wilde kijken, ook als haar radslag nog scheef was.
Het is nu half negen. Mijn telefoon ligt naast me op de bank. Hij is nog niet gegaan.