Ik heb een bezichtiging gepland zonder het aan mijn vrouw te vertellen

Afgelopen dinsdag stond ik om kwart voor zeven in de regen de kliko aan de straat te slepen, terwijl ik in mijn hoofd al aan het avondeten dacht. Geen groot drama, zou je zeggen. Maar ik kreeg dat ding nauwelijks over de drempel. Mijn schouder speelde op, mijn onderrug ook. En binnen hoorde ik Marja roepen dat haar telefoon op de grond was gevallen.

Ik liet die kliko half scheef op de stoep staan en ging naar binnen.

Marja zat in haar sta-opstoel met één pantoffel uit. De telefoon lag inderdaad onder de kast. Ze keek me niet eens aan toen ik hem pakte.

“Hij bleef haken achter het tafeltje,” zei ze.

Alsof die telefoon dat expres deed.

Marja is 62. Ik ben 64. We wonen in een vrijstaand huis aan de rand van Ede, met een tuin waar we vroeger belachelijk trots op waren. Niet eens heel bijzonder groot naar huidige maatstaven misschien, maar voor ons was het alles. Een grasveld, twee appelbomen, een terras dat ik zelf heb gelegd en achterin een moestuin waar Marja jarenlang courgettes kweekte waar niemand op zat te wachten behalve zij.

We hebben er ruim dertig jaar voor gewerkt. Ik bij een installatiebedrijf, zij eerst in de thuiszorg en later bij de administratie van een zorgorganisatie. Extra diensten, vakantiegeld in de hypotheek, nooit gekke auto’s. Toen de kinderen klein waren, gingen we hooguit een week naar Limburg met de vouwwagen.

Dus ik snap best dat ze niet weg wil.

Twee jaar geleden kreeg Marja steeds meer last van haar heupen en knieën. Eerst dacht iedereen: slijtage, fysio, rustig aan. Daarna ging het sneller. Ze heeft inmiddels een scootmobiel voor buiten en loopt binnen met een rollator, al noemt ze dat ding nog steeds “dat rek”. Traplopen lukt vrijwel niet meer. We hebben beneden een bed laten plaatsen in de voormalige werkkamer. De badkamer hebben we aangepast. Douchen doe ik met de douchestoel klaarzetten, handdoeken neerleggen, helpen als ze haar evenwicht verliest.

Ik doe de boodschappen, kook, maak schoon voor zover het lukt, regel afspraken, herhaal drie keer per week dat haar medicijnen niet op het aanrecht moeten blijven liggen. Er komt thuiszorg voor een paar handelingen in de ochtend, maar de rest zit bij mij. Zo voelt het in ieder geval.

En ik schaam me een beetje dat ik dat opschrijf, want Marja vraagt er niet om. Ze is niet lui. Ze is ook niet iemand die graag verzorgd wordt. Juist daarom wordt ze soms kwaad als ik te snel help.

“Laat me nou eerst zelf proberen, Henk.”

Maar als ik haar zelf laat proberen en ze valt, ben ik degene die haar overeind moet zien te krijgen. Vorige maand lag ze naast het bed. Niet hard gevallen gelukkig, maar ze kon niet meer draaien. Ik heb bijna drie kwartier op mijn knieën gezeten voordat ik via de huisartsenpost advies kreeg en we haar met veel gedoe weer in de stoel hadden.

De volgende ochtend zei ze alleen: “Zie je wel, thuiszorg is ook niet alles.”

Daar moest ik bijna om lachen, maar ik was te moe.

Ik heb altijd geklust. Op zaterdag koffie bij de voetbal, één keer per maand vissen met mijn broer Kees, in de zomer met de caravan weg. Nu zeg ik alles af. Niet omdat Marja me letterlijk verbiedt te gaan, maar omdat er altijd iets kan gebeuren. En als er niets gebeurt, zit ik alsnog met mijn telefoon naast me, alsof ik dienst heb.

Kees belde laatst of ik mee ging naar de IJssel, een nachtje. Ik zei dat het niet kon. Hij zei: “Jongen, je hoeft toch niet opgesloten te zitten?” Ik werd boos op hem. Veel bozer dan nodig was.

Onze zoon Bas begrijpt het wel. Hij is 35, woont met zijn vriendin in Veenendaal en komt meestal op zondag even langs. Hij ziet de wasmanden, de rommel op het aanrecht, hoe ik na het eten nog de tuin in moet omdat de heg uitloopt. Hij heeft een paar keer voorgesteld om een tuinman te regelen, maar Marja wil geen “vreemde mensen die aan mijn planten zitten”.

Onze dochter Lotte is 32 en woont in Utrecht. Zij komt minder vaak, wat ik haar niet eens verwijt; ze heeft een drukke baan en een zoontje van vier. Maar als ze er is, gaat ze naast Marja op de bank zitten en zegt ze dingen als: “Mam, dit is toch jouw huis. Niemand mag voor jou bepalen waar je woont.”

Dat klinkt mooi. Ik heb het zelf vroeger waarschijnlijk ook zo gezegd.

Vorige week vertelde ik Marja dat ik had gekeken naar De Brinkhof, een nieuw seniorencomplex hier in de buurt. Geen verpleeghuis, gewoon ruime appartementen, lift, een restaurant beneden, zorg in de buurt als het nodig is. Er zat zelfs een balkon aan met plek voor bakken met kruiden of geraniums. Het kost een hoop geld, ja. Maar ons huis is ook geld waard. En er zou minder onderhoud zijn, minder gedoe, minder trappen, minder angst als ik even weg ben.

Marja keek me aan alsof ik had gezegd dat ik wilde scheiden.

“Dus jij wilt van me af.”

“Dat zeg ik niet.”

“Je zegt dat dit huis weg moet. Dan zeg je eigenlijk dat alles weg moet.”

Ik probeerde rustig te blijven. Ik zei dat ik niet nog tien jaar op deze manier kon doorgaan. Meteen toen ik het uitsprak, zag ik haar gezicht dichtgaan. Niet boos eerst. Eerder gekwetst.

“Dus ik ben een last geworden.”

Dat heb ik niet gezegd. Maar ik snap dat ze het zo hoort.

Zaterdag kwamen Bas en Lotte toevallig allebei eten. Ik had stamppot andijvie gemaakt, veel te veel zoals altijd. Marja begon zelf over De Brinkhof. Ze zei dat ik haar “in een luxe kooi” wilde stoppen. Bas legde zijn vork neer en zei dat ik ook nog een leven had. Lotte zei dat het nogal makkelijk praten was voor hem, omdat híj niet elke dag in dat huis woonde en ook niet begreep wat het voor mam betekende.

Bas zei toen: “Mam kan toch ook kijken wat haalbaar is?”

Lotte zei: “Haalbaar voor wie?”

Daar zat ik met vier borden, een pan op tafel en mijn kinderen die ineens klonken alsof ze advocaten waren. Marja huilde niet. Dat was misschien nog erger. Ze zat rechtop in haar stoel en zei alleen dat iedereen haar al had afgeschreven terwijl ze er nog gewoon was.

Ik heb daarna de afwas gedaan. Bas droogde af. Lotte ging met Marja naar de woonkamer. Niemand zei veel.

Maandagochtend heb ik De Brinkhof gebeld. Ik had al dagen naar hun website gekeken. Ik heb een bezichtiging gepland voor vrijdagmiddag. Alleen maar kijken, zei ik tegen mezelf. Geen handtekening, geen makelaar, geen verkoopbord in de tuin.

Ik heb het Marja niet verteld.

Dat is laf, dat weet ik. Maar ik wist ook precies wat er zou gebeuren als ik het wel zei: dan werd het geen gesprek, maar een verwijt. En eerlijk gezegd wilde ik één uur ergens rondlopen zonder dat ik eerst moest verdedigen waarom ik überhaupt ademhaal buiten dit huis.

Gisteren vond ze de afspraak in mijn agenda op de keukentafel. Ik gebruik nog een papieren agenda, zo’n ding van de Rabobank dat Kees ieder jaar voor me meeneemt.

Ze zei niets toen ik binnenkwam. Ze zat aan tafel met haar jas nog aan, hoewel ze nergens heen was geweest. De agenda lag open tussen ons in.

“Vrijdag, half twee,” zei ze.

Ik zei dat ik het haar wilde vertellen.

“Wanneer dan? Nadat je al besloten had welke gordijnen ik daar mag ophangen?”

Dat was gemeen. Maar ik zei ook iets gemeens terug. Ik zei dat ik niet haar verzorgende ben geworden om vervolgens toestemming te moeten vragen voor ieder plan dat het misschien iets lichter maakt.

Toen zei ze heel zacht: “Ik vraag jou niet om op te houden mijn man te zijn.”

Daar had ik geen antwoord op.

Vrijdag staat die bezichtiging nog steeds in mijn agenda. Bas heeft aangeboden Marja die middag gezelschap te houden, maar dat wil ze niet. Lotte appte dat ik niet alleen moet gaan kijken omdat dat “een statement” is. Misschien heeft ze gelijk. Misschien is het ook een statement.

Vanmorgen heb ik de kliko weer van de stoep gehaald. De regen was opgehouden. In de tuin stonden de natte bladeren tegen het terras geplakt en ik dacht alleen maar dat ze binnenkort allemaal van de bomen komen, of we nou blijven of niet.