Ik vertrok alleen uit Frankrijk en ineens zag ik hoe alleen ik in mijn huwelijk al was
Het begon eigenlijk al op de eerste avond, met een pan pasta die veel te klein was voor negen mensen.
We zaten in een groot, wat gedateerd vakantiehuis in de Ardèche. Zo’n huis met terracotta tegels, luiken die niet goed dichtgingen en een zwembad waar de kinderen vanaf acht uur ’s ochtends omheen hingen. Wij waren er met onze twee kinderen, Mees van negen en Lotte van zes. Mijn schoonouders waren mee, en mijn schoonzus Sanne met haar vriend en hun dochtertje.
Het idee was leuk geweest. Mijn schoonvader werd dat jaar zeventig en wilde graag iedereen bij elkaar. We zouden de huur delen, samen boodschappen doen, lekker ontspannen. Ik had er eerlijk gezegd best zin in gehad. In Nederland zagen we elkaar meestal op verjaardagen, tussen de blokjes kaas en de kinderen die alweer naar voetbal moesten.
Die eerste avond stond ik pasta te koken omdat mijn schoonmoeder, Els, zei dat ze na de reis “even helemaal op” was. Dat snapte ik ook wel. We hadden allemaal zeven uur gereden, inclusief drie stops omdat de kinderen moesten plassen of misselijk waren.
Sanne zat met haar telefoon op het terras en zei dat ze wel even een salade zou maken. Uiteindelijk zette ze een zak rucola, een bakje tomaatjes en feta op tafel. Haar vriend, Daan, was bezig met de barbecue, hoewel er niets op de barbecue ging die avond. Mijn man Jeroen stond erbij met een biertje en hielp hem zoeken naar aanmaakblokjes.
Ik weet nog dat ik met die pastapan in mijn handen dacht: laat maar. Eerste avond. Niet moeilijk doen.
Maar de dagen daarna werd het een patroon waar ik steeds later uit leek te kunnen stappen.
’s Ochtends kwam ik beneden en stonden er zeven glazen, kruimels, plakkerige yoghurtvlekken en soms een halve meloen op tafel. Els ging dan met een boek bij het zwembad zitten, want ze had last van haar knie. Sanne zei vaak dat ze eerst koffie nodig had om mens te worden. Daan sliep uit. Jeroen ging met de kinderen naar de boulangerie of was druk met iets aan de auto, omdat het lampje van de bandenspanning brandde.
En ik ruimde op.
Niet omdat iemand het letterlijk opdroeg. Dat was bijna nog erger. Iedereen ging er gewoon vanuit dat het gebeurde.
Na het ontbijt maakte ik de vaatwasser leeg, veegde ik de tafel af en bedacht ik wat we die avond moesten eten. Vervolgens kwam er altijd wel iemand vragen of ik misschien boodschappen wilde doen, omdat ik “toch zo goed wist wat iedereen lustte”. Els at geen paprika. Mijn schoonvader wilde graag vlees. Sanne was ineens minder enthousiast over brood omdat ze thuis probeerde minder koolhydraten te eten. De kinderen aten natuurlijk alleen pasta, friet of stokbrood met smeerkaas.
Jeroen zei weleens: “Jij bent daar ook gewoon handiger in.” Alsof dat een compliment was.
Op de vierde dag gingen we naar een supermarkt net buiten Ruoms. Een enorme Intermarché waar iedereen met volle karren en strandspullen liep. Bij de kassa kwam de rekening uit op ruim tweehonderd euro. Vooral wijn, vlees, vleeswaren, ijsjes, ontbijtspullen en een paar flessen zonnebrand.
Mijn schoonvader keek naar het bonnetje en zei: “Zullen we het gewoon makkelijk houden? Jullie betalen de boodschappen deze keer, dan doen wij de volgende grote ronde wel.”
Ik zei dat dat prima kon, maar dat ik dan wel even wilde bijhouden wie wat betaalde. Niet op de euro nauwkeurig, maar een beetje eerlijk. Wij waren met vier personen, zij met vijf volwassenen en een kind. En wij hadden die week al de tol, de eerste boodschappen en een etentje betaald.
Het werd ineens stil op een vervelende manier.
Sanne zei: “Maar jullie verdienen toch ook gewoon meer dan wij?”
Ze zei het niet boos. Eerder alsof ze iets praktisch uitlegde wat ik blijkbaar onnodig ingewikkeld maakte.
Ik wist niet eens wat ik moest zeggen. Ja, Jeroen verdient meer dan Sanne en Daan samen, waarschijnlijk. Hij werkt in de IT. Ik werk drie dagen op een basisschool en de andere dagen regel ik meestal alles wat thuis blijft liggen. Maar we hadden ook een hypotheek, twee kinderen, een oude auto die net door de apk was gekomen en ik had de maand ervoor nog moeten rekenen of Lotte wel op zwemles kon blijven én naar dansen kon.
“Dat is toch niet echt het punt,” zei ik.
Mijn schoonmoeder zuchtte toen. Niet hard, maar duidelijk genoeg.
“Je hoeft vakantie niet zo administratief te maken, Marit.”
Jeroen zei niets. Hij stond bij de uitgang met een fles water in zijn hand, alsof hij wachtte tot we eindelijk naar de auto zouden lopen.
Die avond heb ik hem erover aangesproken toen de kinderen sliepen. Niet eens schreeuwend. Ik was te moe om boos te zijn. We zaten buiten op ons kleine balkonnetje naast de slaapkamer. Je hoorde krekels en ergens verderop een hond.
Ik zei dat ik me gebruikt voelde. Dat ik niet alleen bedoelde dat geldgedoe, maar alles. Het koken, opruimen, plannen, de kinderen in de gaten houden terwijl iedereen aan het zwembad lag. Ik zei dat ik graag wilde dat hij een keer gewoon zei: we doen dit samen, of dat hij in elk geval niet stil bleef als zijn familie deed alsof ik moeilijk was.
Hij keek me aan alsof ik hem wakker had gemaakt voor iets onbenulligs.
“Marit, het zijn twee weken,” zei hij. “Mijn moeder heeft last van haar knie en Sanne zit niet zo lekker in haar vel. Kun je het niet gewoon een beetje laten gaan?”
“En ik dan?” vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op. “Jij maakt er meteen zo’n groot ding van. Het gaat om kleine dingen. We zijn hier met z’n allen, je hoeft de sfeer niet te verpesten.”
Dat zinnetje bleef hangen. Niet omdat het zo hard was, maar omdat hij het zo gewoon zei.
Alsof ik de sfeer was. Niet de scheve verdeling. Niet het feit dat iedereen achteroverleunde zolang ik bleef opstaan. Ik.
De volgende ochtend stond ik om half zeven op. Lotte had buikpijn en had in haar bed gespuugd. Ik verschoonde haar, zette een was aan en maakte thee. Jeroen draaide zich om toen ik terug in de kamer kwam.
“Gaat het?” mompelde hij.
“Ja,” zei ik. “Kom jij straks even?”
Hij zei: “Mmm,” en sliep verder.
Rond negen uur zat Els buiten met haar koffie. Ze vroeg of ik misschien alvast kon bedenken wat we met de lunch deden, want ze wilde later wel naar dat marktje in Vallon-Pont-d’Arc.
Ik hoorde mezelf zeggen: “Nee.”
Niet hard. Niet dramatisch. Gewoon nee.
Ze keek me aan.
Ik zei dat ik naar huis ging. Dat ik een trein had gevonden vanaf Montélimar die middag, via Lyon naar Rotterdam. Ik had hem die nacht geboekt op mijn telefoon, zittend op de rand van het bed terwijl iedereen sliep.
Jeroen werd boos toen ik het hem vertelde. Eerst dacht hij dat ik een grap maakte. Daarna zei hij dat ik onmogelijk alleen kon vertrekken en de kinderen daar kon achterlaten. Daar had hij ergens ook gelijk in, en het brak mijn hart om Mees en Lotte uit te leggen dat mama eerder naar huis ging. Maar zij bleven met hun vader, opa en oma. Er waren genoeg mensen. Ik ging niet weg om hen te straffen.
Ik ging weg omdat ik bang was dat ik anders iets zou zeggen dat ik niet meer terug kon nemen.
Mees vroeg waarom ik niet gewoon nog twee nachtjes bleef. Ik zei dat ik thuis iets moest regelen. Laf, misschien. Lotte wilde haar knuffel aan mij meegeven zodat ik niet alleen hoefde te slapen.
Jeroen bracht me uiteindelijk naar het station. De rit duurde bijna een uur. We zeiden weinig. Bij een rotonde zei hij ineens: “Je maakt hier echt iets veel groters van dan nodig is.”
Ik keek uit het raam naar de droge velden en de halfverbrande bermen.
“Misschien,” zei ik. “Maar jij maakt het kleiner dan het voor mij is.”
Op het perron gaf hij me geen kus. Hij zette mijn koffer neer, zei dat ik moest appen als ik in Lyon was en liep terug naar de auto.
Thuis was het huis stil en rommelig van voor vertrek. Er lag nog een verdwaalde sok onder de bank en in de koelkast stond een halve pot augurken die over datum was. Ik heb twee dagen bijna niemand gesproken. Ik sliep veel. Ik at crackers als avondeten. Mijn collega appte of Frankrijk leuk was en ik heb alleen een lachend gezichtje teruggestuurd.
Jeroen en de kinderen kwamen drie dagen later thuis. Hij deed alsof het vooral onhandig was geweest. Zijn moeder was volgens hem gekwetst. Sanne vond dat ik haar verkeerd had begrepen. Niemand had mij expres alles willen laten doen.
Dat geloof ik ergens ook wel. Misschien was het voor hen allemaal gewoon vanzelfsprekend geworden. Misschien had ik eerder iets moeten zeggen, in plaats van vier dagen doen alsof het wel ging.
Maar sinds die vakantie kan ik niet meer terug naar hoe makkelijk ik Jeroen vond. Niet omdat hij zijn moeder niet tegensprak bij een supermarktbonnetje. Maar omdat ik naast hem zat, moe en boos en verdrietig, en hij vooral bang was dat anderen zich ongemakkelijk zouden voelen.
Vanavond eten we bij mijn ouders. Jeroen vroeg vanmorgen of we het “nu wel een keer kunnen laten rusten”. Ik heb gezegd dat ik dat niet weet.
Daarna heb ik de vaatwasser uitgeruimd. Hij stond achter me in de keuken, pakte twee borden uit mijn handen en zette ze zelf in de kast. Het was een klein gebaar. Ik voelde er bijna niets bij, en juist dat maakte me verdrietig.