Sinds Kees thuis is, voel ik me soms te gast in het huis waar we dertig jaar voor hebben gewerkt

Vorige donderdag kwam ik thuis met een tas boodschappen en een bos tulpen die bij de Dirk in de aanbieding waren. Het regende zo’n fijne, irritante regen waar je haar meteen plat van wordt. Ik zette mijn fiets in de schuur, deed de achterdeur open en hoorde de televisie al.

Niet hard, dat is het gekke. Gewoon aanwezig. Een mannenstem die het over voetbal had, een reclameblok, daarna weer Kees die kuchte.

De woonkamer rook naar gebakken ui en naar dat stof van de elektrische kachel die hij soms aanzet, terwijl de cv gewoon werkt. Zijn krant lag open over de eettafel. Niet één krant trouwens. Het AD, de regionale krant van zijn broer, en zo’n folder van de Hornbach waar hij met een pen rondjes in had gezet.

‘Ben je er?’ riep hij, zonder op te kijken.

Dat klinkt misschien heel normaal. Dat is het ook. Maar ik stond daar met die tas in mijn hand en dacht ineens: ik woon hier toch ook nog?

Kees en ik wonen al ruim dertig jaar in dit rijtjeshuis, in een dorp onder Rotterdam. We hebben hier onze kinderen grootgebracht. Daan woont nu in Gouda met zijn vriendin, Marije zit in Utrecht en komt vooral als er gegeten wordt of als haar wasmachine weer stuk is. Vroeger was dit huis vol. Tassen in de gang, ruzie om de badkamer, sportkleren op de trap, iemand die altijd zijn fietssleutel kwijt was.

Nu is het stil, behalve als de televisie aanstaat. En die staat eigenlijk altijd aan sinds Kees thuis is.

Hij werkte bij een bedrijf in de haven, op kantoor maar wel tussen de mannen die alles regelden rond transport en planning. Drie jaar geleden kwam die reorganisatie. Hij was toen 57. Officieel kon hij blijven, maar er lag een regeling en zijn leidinggevende zei iets in de trant van dat het misschien goed was om plaats te maken voor jongere mensen. Kees vertelde het thuis alsof hij zelf gekozen had.

‘Ik heb er wel genoeg van,’ zei hij toen.

Maar ik zag hoe hij de eerste maanden elke ochtend rond half zeven wakker werd. Dan lag hij naast me naar het plafond te kijken. Soms stond hij op alsof hij gewoon naar zijn werk moest, maakte koffie en ging in zijn badjas aan de keukentafel zitten.

In het begin vond ik het eerlijk gezegd heerlijk. Hij deed boodschappen, hij kookte vaker, hij bracht mijn fiets weg als er iets aan was. Als ik thuiskwam, was er iemand. Na jaren waarin we langs elkaar heen leefden met werk en kinderen en mantelzorg voor mijn moeder, voelde dat bijna als luxe.

Alleen is ‘iemand thuis’ langzaam veranderd in ‘iemand overal’.

De bijkeuken staat vol met zijn gereedschap. Dat begon met één gereedschapskoffer. Nu staat er een werkbankje, bakken met schroeven, een oude radio en een half uit elkaar gehaalde lamp van onze buurvrouw. Hij helpt iedereen, dat moet ik hem nageven. Een scharnier, een lekkende kraan, een kastje dat scheef hangt: Kees komt eraan. Maar onze eigen bijkeuken kan ik niet meer in zonder eerst iets opzij te zetten.

De woonkamer is zijn plek geworden. Zijn stoel staat bij het raam. De afstandsbediening ligt ernaast. Als ik iets anders wil kijken, vraagt hij nooit letterlijk of ik weg wil, maar hij zucht wel. Of hij zegt: ‘Dat kan toch ook op je tablet?’

Ik werk vier dagen bij de gemeente, administratie bij vergunningen. Geen wereldbaan, maar ik heb fijne collega’s en ik ben goed in wat ik doe. De hele dag ben ik bezig met aanvragen, termijnen, mensen die boos bellen omdat ze geen dakkapel mogen waar ze hem willen. Op dinsdagavond heb ik vaak nog een zere nek van dat scherm.

Dan kom ik thuis en wil ik soms gewoon twintig minuten met mijn benen op de bank zitten zonder dat er op de achtergrond iemand roept dat de scheidsrechter blind is.

Ik heb het voorzichtig geprobeerd te zeggen.

‘Misschien is het leuk als je een keer naar de bibliotheek gaat werken aan dat klusboek van je,’ zei ik vorig jaar.

Hij keek me aan alsof ik had voorgesteld hem bij het grofvuil te zetten.

‘Werken? Ik ben met pensioen, Els.’

‘Ik bedoel niet werken. Gewoon even ergens anders zitten. Of die wandelgroep waar Henk het over had.’

‘Dus ik moet weg zodat jij alleen thuis kan zijn?’

Daarna zei ik dat ik het niet zo bedoelde, want dat doe ik vaak. Ik begin ergens over en binnen vijf minuten ben ik degene die aan het sussen is.

Misschien bedoelde ik het wel een beetje zo. Dat durfde ik toen niet toe te geven.

Sinds een paar maanden ga ik op mijn vrije vrijdag geregeld naar mijn vriendin Saskia in Schiedam. Zij werkt deels vanuit huis en is meestal pas rond een uur of twaalf klaar. Dan drinken we koffie, lopen we door de stad of we eten een broodje ergens. Kees denkt dat ik het gewoon gezellig vind, en dat is ook zo. Maar ik ga soms al om half tien weg, met een tas alsof ik een heel programma heb, terwijl ik eigenlijk nergens heen hoef.

Vorige week vroeg hij nog: ‘Ben je tegenwoordig thuis allergisch voor mij of zo?’

Ik lachte het weg. Dat was laf. Hij zei het ook niet boos. Meer moe.

De eetkamer is eigenlijk een uitbouwtje van niks. Er staat nu een ronde tafel waar we met kerst te krap aan zitten en waar verder vooral post op belandt. Ik dacht: als we daar nou een klein bureau neerzetten, een goede stoel, een lamp. Niet eens om thuis te werken, al kan dat soms. Gewoon een plek voor mijn administratie, mijn naaidingetjes, een boek. Een deur hebben we niet, dus het is geen afgesloten kamer, maar wel een hoek die niet meteen door de televisie wordt opgeslokt.

Ik had zelfs al op Marktplaats gekeken naar een smal bureau.

Aan tafel, tijdens het eten, zei ik het. Ik weet niet waarom precies toen. Kees had nasi gemaakt en er stond zo’n fles kroepoek waar hij altijd te hard in knijpt.

‘Ik zat te denken aan de eetkamer,’ zei ik. ‘Dat we daar misschien een werkplek van kunnen maken voor mij.’

Hij stopte met eten.

‘Voor jou.’

‘Ja, voor mij. Maar we kunnen er natuurlijk nog steeds eten als er mensen zijn.’

‘Dus ik heb de woonkamer en jij krijgt een eigen kamer.’

‘Zo zeg ik het niet.’

‘Nee, maar zo is het wel.’

Ik voelde meteen die irritatie opkomen, omdat hij alles groter maakt zodra het over zijn pensioen gaat. Tegelijk zag ik aan zijn gezicht dat hij zich echt geraakt voelde. Niet toneelmatig. Hij keek naar zijn bord en zei na een tijdje: ‘Je wil gewoon niet meer bij me zitten.’

Dat was zo pijnlijk dat ik eerst boos werd.

‘Kees, ik wil soms gewoon ruimte. Dat is toch niet hetzelfde?’

Hij zei niets meer. Hij zette de rest van zijn nasi in een bakje voor de volgende dag en ging naar de woonkamer. De televisie ging aan voordat ik de afwas had gedaan.

Die nacht lag hij met zijn rug naar mij toe. Ik wilde zeggen dat ik niet weg wil, dat ik nog steeds van hem hou, dat ik ook begrijp dat zijn dagen soms leeg zijn. Maar ik dacht ook aan mezelf. Aan nog tien jaar werken, misschien langer. Aan thuiskomen en altijd eerst moeten voelen wat voor sfeer er in mijn eigen huis hangt.

Zaterdag heeft hij de tafel in de eetkamer opgemeten. Zonder iets te zeggen. Ik zag het pas toen ik zijn rolmaat op de vensterbank vond en een potloodstreepje op de muur.

Zondag vroeg hij of ik dat bureau al had gezien.

Ik zei ja.

‘Neem dan niet zo’n goedkoop ding,’ zei hij. ‘Die wiebelen altijd.’

Meer zei hij niet.

Ik weet nog steeds niet of dit nu toestemming was, een steek onder water, of zijn manier om toch mee te doen. Misschien alle drie. Volgende vrijdag ga ik met Saskia kijken bij een tweedehandswinkel in Vlaardingen. Kees heeft gezegd dat hij die dag de oude kast uit de eetkamer wel naar de milieustraat brengt.

Ik heb hem niet gevraagd of hij daarna mee koffie wil drinken. Nog niet.