Sinds we met pensioen zijn, lijkt onze vriendschap ineens een soort zorgregeling te worden
Ik merkte het aan de boodschappenlijst op de koelkast.
Er stond ineens: twee extra kroppen sla, een groot pak gehakt, wijn, bitterballen. Niet omdat we iets te vieren hadden, maar omdat het donderdag was en donderdag blijkbaar onze vaste avond met Kees en Marijke was geworden.
Mijn vrouw, Els, had er met een blauwe stift een hartje achter gezet. Daar begon mijn irritatie al, en ik weet dat dat kinderachtig klinkt. Het is maar een hartje. Maar ik had net drie weken geen wekker meer hoeven zetten na 41 jaar bij de gemeente, en ik had me verheugd op lege dagen. Een beetje fietsen, de tuin, misschien eindelijk die oude foto’s uitzoeken. Niet op iedere donderdag voor zes man aardappels schillen omdat Kees en Marijke “toch in de buurt” waren.
We kennen hen al sinds 1984. Onze kinderen zaten ongeveer tegelijk op de basisschool, we gingen jarenlang met twee auto’s naar Frankrijk en Kees heeft mijn schuur helpen zetten toen ik daar zelf nog dacht dat ik alles kon. Marijke was erbij toen mijn moeder overleed. Ze zette koffie, maakte broodjes en bleef zitten zonder dat ze steeds vroeg hoe het ging. Dat vergeet ik niet.
Ze zijn ook nooit gierig geweest. Integendeel. Toen zij nog goed verdienden met hun bloemenzaak, namen ze makkelijk de rekening op zich. Kees zei dan: “Ach joh, volgende keer jullie.” Alleen die volgende keer kwam meestal niet, maar dat maakte toen niemand iets uit. Ze leefden ruim. Nieuwe camper, een jacuzzi in de tuin waar ze volgens mij vier keer in hebben gezeten, cruises waar Marijke achteraf over klaagde omdat er te veel Duitsers waren.
Els en ik waren anders. Niet beter, daar wil ik vanaf zijn. Wij hebben gewoon altijd gerekend. Eerst omdat het moest, later omdat het erin zat. Hypotheek aflossen, pensioen aanvullen, een klein huisje op de Veluwe kopen toen dat nog enigszins kon. Geen luxe ding, gewoon een voormalige recreatiewoning bij Ermelo met een piepkleine badkamer en een terras waar je alleen lekker zit als er geen wind staat.
Kees stopte vorig jaar met werken. De bloemenzaak was al een tijd geleden verkocht, minder gunstig dan ze hadden gehoopt. Marijke had losse uren in een kledingwinkel en dacht dat haar pensioen wel zou meevallen. Dat bleek dus niet zo te zijn.
In het begin vertelden ze het voorzichtig. De energierekening. De huur die omhoogging. De auto die weer door de apk moest. Ik had medelijden met ze, echt. Je zag aan Kees dat hij zich schaamde. Hij, die vroeger zonder kijken een rondje gaf op het terras, zat nu met zijn telefoon te rekenen hoeveel benzine het kostte om naar zijn zus in Breda te rijden.
Els zei al snel dat ze elke week bij ons konden eten. “Dan hebben ze in elk geval één avond iets fatsoenlijks binnen zonder stress,” zei ze.
Ik zei dat dat prima was, maar ik bedoelde eigenlijk: af en toe. Zij hoorde: vanaf nu.
De eerste maanden was het best gezellig. Marijke bracht soms een bos bloemen mee, waarschijnlijk van de markt vlak voor sluitingstijd. Kees nam bier mee als het in de aanbieding was. We kletsten, kaartten een beetje. Maar langzamerhand gingen ze ook op andere dagen bellen.
Of we dinsdag koffie wilden doen, want thuis was het zo kil.
Of we nog een pannetje soep over hadden.
Of ze zondag mee konden eten, want hun zoon kwam met zijn gezin en dan hadden ze zelf te weinig in huis.
Dat laatste snapte ik niet helemaal. Dan eet je toch wat eenvoudigers, dacht ik. Maar ik zei het niet. Ik ben niet iemand die makkelijk zegt wat hij denkt als ik weet dat het onaardig klinkt. Ik word stil, ga de vaatwasser inruimen terwijl die eigenlijk al schoon is. Els kent dat inmiddels.
“Je doet alsof ze hier wonen,” zei ik op een avond, toen de deur net achter hen dichtviel.
Els draaide zich om met twee wijnglazen in haar hand. “Nou, dat is overdreven.”
“Ze zijn er drie, soms vier keer per week.”
“Ze hebben het moeilijk, Hans.”
“Dat weet ik ook wel.”
“Dan klinkt dit wel heel hard.”
Dat raakte me meer dan ik wilde toegeven. Alsof ik wilde dat ze honger leden. Dat was helemaal niet zo. Ik wilde alleen niet dat ons huis het verlengstuk van hun huishouden werd, zonder dat iemand ooit had gevraagd of ik dat aankon.
Het vakantiehuisje was nog ingewikkelder. Eerst gingen ze er een weekend heen toen wij in april naar mijn broer in Groningen waren. Prima. De sleutel lag in het sleutelkastje, ze lieten het netjes achter. Daarna wilden ze in juni een week, omdat hun slaapkamer thuis geschilderd werd. Ook goed.
Maar vorige maand zaten we met z’n vieren op ons terras en zei Marijke, bijna luchtig: “We hadden het erover, misschien kunnen we vanaf oktober een paar maanden in Ermelo zitten. Dan kunnen we thuis de verwarming laag houden. En eerlijk, onze huur begint echt belachelijk te worden.”
Ze zei het terwijl ze een stukje stokbrood in haar soep doopte. Kees keek naar zijn bord.
Els legde meteen haar hand op Marijkes arm. “Ach meid, wat naar.”
Ik voelde mijn maag aanspannen. Niet eens door het idee van die kosten. We vragen geen huur voor het huisje en dat zouden we ook niet snel doen bij vrienden. Maar een paar maanden? In ons huisje? Dan konden wij er zelf niet heen wanneer we wilden. En ik wist hoe dat zou gaan: Kees zou klussen aan dingen die ik liever zelf doe, Marijke zou vragen of haar zus een weekend mocht komen, en als we iets wilden zeggen, waren wij degene die twee mensen in de kou zetten.
Ik heb toen niets gezegd. Echt laf. Ik zei alleen dat we moesten kijken hoe het uitkwam met onderhoud en dat de gemeente volgens mij ook regels heeft over permanent verblijf op een recreatiepark. Dat is waarschijnlijk waar, maar het was vooral een uitvlucht.
In de auto naar huis zei Els: “Je had wel iets warmer mogen reageren.”
Ik werd boos. “En jij had misschien niet meteen moeten doen alsof het vanzelfsprekend is.”
Ze keek uit het raam. “Ik doe niet alsof het vanzelfsprekend is. Ik vind alleen dat je vrienden helpt als je kunt helpen.”
“Maar wanneer houdt helpen op en wanneer nemen wij hun leven over?”
Daar had ze niet direct antwoord op. We reden een heel stuk langs de N302 zonder radio aan.
Sindsdien hangt het tussen ons in. Kees stuurt af en toe een berichtje over hoe fijn het huisje hen lijkt in de winter. Marijke heeft een link doorgestuurd naar een elektrische kachel “die misschien handig is daar”. Els reageert vriendelijk, maar ze heeft nog niets toegezegd. Ik ook niet.
Gisteren stond ik in de schuur te rommelen toen Els naast me kwam staan. Ze had twee oude dekbedden in haar armen, voor het vakantiehuisje. Ik dacht eerst dat ze ze alvast weg wilde brengen.
“Ze komen zondag,” zei ze.
Ik zei niks.
Toen zuchtte ze. “Niet om te blijven. Om te praten. Ik heb gezegd dat we geen maanden kunnen toezeggen. Dat vond Marijke verdrietig, maar ze begreep het denk ik wel.”
Ik voelde opluchting, en daar schaamde ik me meteen weer voor. Want zij zitten nog steeds met hun huur en wij zitten nog steeds met een huisje dat leegstaat als wij er niet zijn.
Els vouwde een dekbed opnieuw op, veel netter dan nodig was.
“Misschien kunnen we wel iets afspreken voor losse weekenden,” zei ze. “Maar dan duidelijk. En niet alsof het van hen is.”
Ik knikte. Meer kreeg ik op dat moment niet uit mijn mond.
Zondag zet ik waarschijnlijk weer koffie voor vier personen. Dat vind ik niet eens erg. Ik wil alleen dat het weer voelt als koffie voor vrienden, en niet als het begin van een regeling waar niemand hardop voor heeft gekozen.