Mijn man wil deze winter terug naar huis, maar ik wil voor het eerst blijven waar ik gelukkig ben

Volgende maand moet ik de winterboeking doorgeven aan de camping. Het formulier ligt al ruim een week op de eettafel van onze stacaravan, onder een schaal met mandarijnen die langzaam indrogen. Ik heb het drie keer ingevuld en drie keer weer verscheurd.

Het is niet eens zo’n groot formulier. Naam, plaatsnummer, kenteken, akkoord met de wintervoorwaarden. Maar als ik mijn handtekening zet, voelt het alsof ik iets anders onderteken dan alleen een plek op camping De Zandkuil tot maart.

Henk wil naar huis zodra het seizoen voorbij is. Naar ons rijtjeshuis in Capelle, waar we sinds 1991 wonen. Hij zegt het niet op een boze manier. Hij zegt het alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

“Het wordt koud hier, Marjan. En nat. Wat moeten we hier de hele winter?”

Ik antwoord dan meestal iets flauws, dat we een kachel hebben en een elektrische deken. Of dat het in Capelle ook koud en nat is. Maar daar gaat het natuurlijk niet over.

Henk mist zijn leven van vroeger. Niet zijn werk zelf, denk ik. Hij was planner bij een installatiebedrijf en kon thuis aan de keukentafel nog zuchten over monteurs die hun werkbonnen niet invulden. Maar hij mist de vaste dingen eromheen. Op woensdag koffie met zijn oude collega’s bij De Polder, vrijdagmiddag een biertje met Kees en Arie, op zaterdag naar de bouwmarkt zonder dat er echt iets kapot is.

Hij mist ook de stad. De tram, zegt hij soms. Daar moet ik dan bijna om lachen, want hij mopperde vroeger altijd op de tram. Maar ik snap wel wat hij bedoelt. Hij wil mensen om zich heen die hem kennen zoals hij altijd geweest is.

Ik heb juist het gevoel dat ik daar alleen nog bekendsta als de vrouw van Henk. Of als de moeder van Sander en Lotte. Of als degene die vroeger de administratie deed voor zijn kleine klusbedrijfje toen hij een paar jaar voor zichzelf werkte. Ik heb daar niet per se ongelukkig geleefd. Zo moet het niet klinken. We hebben een goed huwelijk gehad, denk ik. Nog steeds wel, misschien. We hebben hard gewerkt, kinderen grootgebracht, ouders geholpen toen die hulp nodig hadden. Mijn moeder heeft de laatste vier jaar van haar leven bijna volledig op mij geleund. Mijn schoonvader belde Henk nooit als er iets was, maar mij wel.

En ineens waren we allebei 58 en konden we stoppen. Henk met een regeling via zijn werk, ik omdat ik eerder minder ben gaan werken en we het financieel konden redden. Het voelde eerst als vakantie die maar doorging.

Die camping hadden we al langer. Eerst gingen we er alleen in schoolvakanties heen, later elk weekend. Een simpele stacaravan, niet groot, met van die bruine kastjes waar ik eigenlijk een hekel aan had. Toch werd het steeds meer onze plek. Of eigenlijk: mijn plek, merk ik nu pas.

Hier drink ik op maandagochtend koffie met Els van nummer 42 en Ria van het veldje achter ons. Op donderdag doen we line dance in de recreatiezaal. Ik ben daar verschrikkelijk slecht in, ik draai standaard de verkeerde kant op, maar iedereen lacht en niemand vindt dat erg. In de zomer help ik soms bij de bingo. Niet omdat ze mensen tekortkomen, maar omdat ik het leuk vind dat er gewoon op me gerekend wordt.

Henk vindt die mensen aardig. Hij maakt een praatje, helpt een voortent rechtzetten, leent gereedschap uit. Maar hij hoort er niet echt bij. Als wij na de line dance nog een wijn drinken bij Els, komt hij vaak na een halfuur terug naar de caravan. Dan zegt hij dat hij ‘zijn eigen bed maar eens opzoekt’, terwijl hij vijf meter verderop op de bank gaat zitten met zijn tablet.

Vorige week, tijdens het afwassen, zei ik dat ik misschien gewoon de winter hier wilde blijven. Niet als proefweekendje, maar echt. Tot we in het voorjaar weer zien hoe het loopt.

Hij droogde een bord af en zei: “Dat meen je niet.”

Ik zei dat ik het wel meende.

Toen werd het stil. De kraan liep nog. Dat was zo’n stom detail, maar ik herinner me vooral dat ik hem niet meteen uit kon krijgen omdat mijn handen vol sop zaten.

Hij vroeg wat hij dan moest doen.

“Nou, jij kunt toch naar huis als je dat fijner vindt?” zei ik. “Je kunt ook hier komen wanneer je wilt. Of een paar weken daar en een paar weken hier.”

Hij keek me aan alsof ik had voorgesteld dat we ons huis moesten verkopen zonder het hem te vertellen.

“Dus jij wilt apart wonen?”

“Nee. Niet apart wonen. Alleen niet de hele winter terug omdat jij elke vrijdag naar De Polder wilt.”

Dat was gemeen van me. Meteen toen ik het zei, wist ik dat. Het gaat hem niet om dat ene biertje. Hij is bang dat hij stilvalt. Ik zie dat ook. Thuis loopt hij soms van de woonkamer naar de keuken, kijkt in de koelkast en loopt weer terug. Hij heeft altijd een agenda gehad die vol stond. Nu voelt een lege dinsdagmiddag voor hem blijkbaar als een soort afgrond.

Maar ik ben ook bang. Alleen voor iets anders. Dat ik weer terugga naar dat huis en binnen twee weken automatisch de was van iedereen ga doen als de kinderen langskomen. Dat ik weer overal ja op zeg. Dat ik bij de supermarkt bekenden tegenkom die vragen of ik niet gek word van zoveel vrije tijd, en dat ik zeg dat het wel meevalt.

Hier ben ik Marjan die meehelpt met de bingo. Marjan die op zaterdagochtend met een thermoskan naar het hondenlosloopveld wandelt, ook al hebben we zelf geen hond. Marjan die ineens weet hoe je een gasfles aansluit, omdat Henk een weekend thuis was en ik geen zin had om te wachten.

De avond na dat gesprek hebben we bijna niet gepraat. Henk heeft voetbal gekeken met het geluid harder dan normaal. Ik heb in bed gedaan alsof ik sliep toen hij kwam liggen.

De volgende ochtend zei hij dat hij niet wilde dat we een stel werden dat alleen nog op verjaardagen naast elkaar zit en doet alsof alles prima is. Hij zei ook dat hij niet snapte waarom ik vrijheid blijkbaar alleen kon voelen als hij er niet was.

Dat kwam hard aan, juist omdat ik er geen goed antwoord op had. Het is niet dat ik van hem weg wil. Ik vind het nog steeds fijn als hij koffie voor me zet. Ik mis hem zelfs als hij een middag naar Assen gaat voor boodschappen en pas laat terugkomt. Maar hij is overal zo… aanwezig. Hij vraagt wat we gaan eten, hoe laat we weggaan, of ik mijn jas wel mee heb, of Els niet te veel drinkt. Soms is dat zorgzaam. Soms voelt het alsof ik weer toestemming moet vragen om een eigen plan te hebben.

Ik heb gezegd dat hij mee mag blijven. Dat hij niets hoeft op te geven als hij dat niet wil. Maar hij hoorde alleen dat ik bereid ben hem achter te laten.

Misschien is dat ook wel wat ik doe, al klinkt dat vreselijk.

Gisteren belde Lotte. Ik had haar niets verteld, maar Henk blijkbaar wel. Ze zei voorzichtig dat ze begreep dat ik het fijn heb in Drenthe, maar dat papa er echt verdrietig van klonk. Daar werd ik boos van. Niet op haar, eigenlijk ook niet op hem. Vooral omdat ik meteen weer degene werd die iets moest oplossen.

Ik heb tegen haar gezegd dat haar vader geen zielige man is die ik in een leeg huis achterlaat. Hij heeft vrienden, een auto, geld genoeg en twee gezonde benen. Daarna heb ik me verontschuldigd, want zij zat alleen maar tussen ons in.

Vanmiddag zijn Henk en ik naar de receptie gelopen om iets te vragen over de kosten. De beheerder zei dat winterplaatsen dit jaar snel vol zitten door de hogere energieprijzen thuis en omdat steeds meer mensen langer blijven. Henk knikte alsof hij een zakelijke afspraak had. Op de terugweg hield hij mijn hand even vast. Niet lang. Gewoon tot aan ons pad.

Het formulier ligt nog steeds op tafel. Henk is buiten bezig met het blad uit de dakgoot halen, terwijl er alweer nieuw blad naar beneden waait. Ik weet niet of hij straks zegt dat ik hem moet invullen, of dat hij vraagt wanneer we naar Capelle vertrekken.

Ik denk dat we deze winter misschien allebei ergens moeten zijn waar we niet helemaal willen zijn. Hij een deel van de tijd hier, ik een deel van de tijd thuis. Dat klinkt als een compromis, en ik heb een hekel aan dat woord gekregen. Maar misschien hoeft samen zijn niet altijd te betekenen dat je precies hetzelfde leven leidt.

Of misschien maak ik het mezelf daarmee te makkelijk. Dat weet ik eerlijk gezegd nog niet.