Na 28 jaar wil ik de vakantie in Frankrijk niet meer regelen, en nu lijkt het alsof ik onze vriendengroep kapotmaak

Vorige week zat ik aan de keukentafel met mijn laptop open en een schriftje naast me. Niet omdat ik iets wilde boeken, maar omdat ik eindelijk alle tabbladen wilde sluiten die ik al maanden had laten staan. Gîtes in de Ardèche, huisjes in de Dordogne, een camping bij Sarlat waar we ooit met z’n allen op doorreis waren blijven hangen. Ik kreeg er bijna een beklemmend gevoel van.

Ik ben 63, sinds januari met pensioen en ik dacht eerlijk gezegd dat ik me licht zou voelen. Ik heb 34 jaar op een middelbare school gewerkt, eerst als docent Frans en later ook als mentor. Altijd lijstjes, ouders mailen, roosters die weer veranderden, leerlingen die hun toets kwijt waren terwijl hij gewoon in Magister stond. Ik hield ervan, echt, maar ik was ook moe.

Toen ik stopte, zei iedereen: “Nou, nu heb jij eindelijk tijd.” Dat bleek een rare zin. Alsof mijn tijd meteen beschikbaar was voor alles wat ik al jaren deed, maar dan uitgebreider.

Onze vriendengroep bestaat uit vier stellen. Wij kennen elkaar van vroeger, uit de straat waar we in de jaren negentig woonden. De kinderen zijn samen opgegroeid, we hebben verjaardagen, scheidingen, nieuwe banen en twee begrafenissen met elkaar meegemaakt. Sinds 1996 gaan we bijna elk jaar een week of tien dagen naar Frankrijk. Eerst met tenten en kinderen die om zes uur wakker werden, later in grote huurhuizen met een zwembad en koelkasten die nooit groot genoeg waren voor alle wijn en kaas.

Ik ben daar langzaam de regelaar van geworden. Niet omdat iemand mij formeel aanwees. Ik vond het in het begin gewoon leuk. Ik sprak Frans, ik wist waar je moest zoeken, ik lette op de afstand, het aantal badkamers, of er schaduw was op het terras en of het zwembad veilig genoeg was toen de kinderen klein waren. Daarna vroeg iedereen vanzelf: “Marijke, jij hebt vast al iets gezien?”

En ik zei dan ja.

Ik maakte een Excelbestand met bedragen. Ik stuurde Tikkies, soms drie keer omdat iemand het vergat. Ik regelde de borg, beddengoed, wie wanneer aankwam. Ik zocht restaurants uit voor onderweg. Als we er waren, kwam er altijd wel iemand bij me met: “Weet jij toevallig of de markt op dinsdag of donderdag is?” Of: “Zullen we morgen kanoën, kun jij even kijken?”

Ze bedoelden het nooit lelijk. Dat is misschien juist waarom ik er zo lang in mee ben gegaan.

Dit jaar wil ik met Hans gewoon met de auto weg. Niet weten waar we op woensdag slapen. Misschien ergens twee nachten blijven omdat het dorpje leuk is. Misschien een hotelletje dat niet geschikt is voor acht mensen, maar wel een goed bed heeft en stilte. Ik wil niet om half acht wakker worden omdat er beneden al iemand koffie zet en vraagt of we naar een wijnboer gaan of naar een brocante.

Hans begreep dat eerst niet. Hij zei: “Maar dat kunnen we toch daarnaast doen? Die week met de groep is toch altijd hartstikke gezellig?”

Dat is ook zo. Of het was zo. Ik weet het zelf niet eens meer helemaal.

In februari stuurde ik in onze WhatsApp-groep een bericht. Ik heb er veel te lang over gedaan, steeds woorden weggehaald. Uiteindelijk schreef ik dat ik dit jaar de organisatie niet op me wilde nemen. Dat ik graag mee wilde denken als iemand anders het voortouw nam, maar dat ik geen huis zou zoeken, niets zou voorschieten en geen schema zou maken.

Eerst kwamen er hartjes. Van Ingrid: “Natuurlijk meis, helemaal logisch na je pensioen.” Ik was opgelucht. Misschien overdreef ik alles in mijn hoofd.

Een dag later begon het.

Pieter vroeg of ik dan tenminste mijn oude zoeksites kon doorsturen. Sandra wilde weten hoeveel slaapkamers we “normaal gesproken minimaal” namen. Koos zei, waarschijnlijk als grap, dat hij niet eens wist hoe je een Franse verhuurder moest mailen zonder dat het meteen een puinhoop werd. Daarna bleef het stil.

Twee weken later appte Ingrid privé of ik misschien toch alvast drie opties kon verzamelen. “Dan kiezen wij gewoon, scheelt jou toch werk?”

Ik las dat bericht in de supermarkt, bij het vak met de pasta. Ik stond daar met een zak penne in mijn hand en ik voelde me ineens kinderachtig. Alsof ik moeilijk deed om iets kleins.

Ik heb teruggeschreven dat drie opties verzamelen precies het werk was waar ik mee wilde stoppen. Ze reageerde: “Ja maar jij bent daar gewoon goed in. Als iedereen er zich tegenaan bemoeit, verpest dat toch de sfeer?”

Die zin bleef hangen. De sfeer. Blijkbaar was de sfeer dat ik alles oploste voordat iemand er last van had.

Hans en ik hebben er ruzie over gekregen, een echte ruzie, niet zo’n gemopper over de vaatwasser. Hij zat op zondag de krant te lezen en zei dat ik het misschien te hard speelde. Hij is bang dat de groep uit elkaar valt. Dat snap ik ook wel. We zien elkaar buiten die vakantie om, maar die week is altijd het vaste punt geweest. Hij zei: “Als dit niet doorgaat, verwatert het misschien. En dan zijn wij straks degene die het hebben laten gebeuren.”

Ik werd boos en zei dat híj dan toch een huis kon regelen.

Toen keek hij me aan alsof ik oneerlijk was. Hans is niet iemand die slecht wil doen. Hij regelt thuis genoeg, hij kookt vaak, hij heeft jarenlang zijn zieke moeder geholpen. Maar vakanties waren blijkbaar mijn terrein, zoals de belastingaangifte het zijne is. Alleen: de belastingaangifte doet hij één keer per jaar in een avond. Mijn vakantie begon in november en eindigde met het terugvragen van de borg in september.

Hij zei dat hij niet wist waar hij moest beginnen.

“Precies,” zei ik. “Dat is het hele punt.”

Daar had ik achteraf spijt van. Niet van wat ik bedoelde, wel van hoe ik het zei. Hij werd stil en ging een stuk fietsen. Ik heb die middag de ramen gelapt terwijl het helemaal niet nodig was.

Vorige zaterdag waren we bij Koos en Els voor een borrel. Het onderwerp kwam vanzelf op tafel, tussen de blokjes oude kaas en een schaal met paprika-chips. Els had wijn ingeschonken en zei dat ze het jammer vond dat ik zo “afstandelijk” deed. Ze bedoelde waarschijnlijk iets anders, maar ik hoorde alleen dat woord.

Ik heb gezegd dat ik niet afstandelijk was. Dat ik gewoon niet meer de projectleider van een vakantie wilde zijn.

Pieter zei: “Maar we vragen toch niet of je een bedrijf runt? Het is een weekje weg met vrienden.”

Toen zei ik, veel te fel waarschijnlijk, dat een weekje weg met vrienden niet vanzelf ontstaat als acht mensen ieder wachten tot één persoon alles doet.

Er viel zo’n stilte waarin je iemand in de keuken een ijsblokje in een glas hoort doen. Sandra keek naar haar handen. Koos zei dat niemand mij had gedwongen. Ook daar had hij gelijk in, en juist daarom kwam het hard aan. Niemand had me gedwongen. Ik had zelf jarenlang ja gezegd, soms omdat ik het leuk vond, soms omdat ik bang was dat het anders een rommeltje werd.

Maar ik heb ook gezegd dat ik niet begrijp waarom stoppen meteen egoïstisch heet. Ik heb dat woord niet zelf verzonnen; Ingrid had het eerder die week aan Hans gebruikt toen ze hem belde. Niet kwaad, volgens haar. Meer: “Een beetje egoïstisch is het wel, nu Marijke eindelijk zoveel vrije tijd heeft.”

Hans vertelde me dat pas die avond. Hij had het niet willen opstoken.

Op dit moment is er nog niets geboekt. Pieter heeft voorgesteld dat we dan maar een weekend in Limburg doen, maar daar reageerde bijna niemand op. Els stuurde gisteren een link naar een huis in de Vogezen. Het had vijf slaapkamers voor acht stellen, dus dat schoot ook niet op, maar het was wel de eerste keer dat iemand daadwerkelijk zocht.

Ik weet niet of we deze zomer samen weggaan. Ik weet zelfs niet of ik dat nog wil, en dat vind ik het naarste om toe te geven. Ik mis ze niet minder omdat ik moe ben van mijn rol bij hen.

Vanmiddag heb ik een klein pensionnetje in de Jura opgeslagen onder favorieten. Twee kamers waren nog vrij in juni. Hans weet het nog niet. Ik denk dat ik hem straks vraag of hij daarheen wil, zonder planning, alleen een route op de kaart en genoeg schone onderbroeken in de auto.