Na mijn pensioen wilde ik ons huis verbouwen, maar Martha wilde er juist minder aan vastzitten

De eerste maandag dat ik niet meer naar mijn werk hoefde, werd ik om kwart over vijf wakker. Niet omdat de wekker ging, die had ik de avond ervoor juist uitgezet, maar omdat mijn lichaam blijkbaar nog niet wist dat het klaar was.

Ik bleef liggen luisteren naar de regen tegen het slaapkamerraam. Martha ademde rustig naast me. Om zes uur ben ik er toch uitgegaan, heb koffie gezet en ben aan de keukentafel gaan zitten met de krant die ik normaal pas ’s avonds opensloeg.

Om half acht had ik hem al helemaal uit.

Dat klinkt misschien klein, maar ik voelde me die ochtend werkelijk nergens voor nodig. Veertig jaar ben ik opgestaan met een planning. Eerst bij de technische dienst van de melkfabriek, later bij een installatiebedrijf in Zwolle. Storingen, mensen die je belden, onderdelen die besteld moesten worden, vrijdagmiddag nog even langs een klant omdat het anders maandag misging. Ik was geen directeur of zo, maar ik wist wat ik deed. Mensen rekenden op me.

Martha zei die eerste weken vaak: “Je hoeft niet meteen iets te bewijzen, Henk. Wen er nou eerst maar aan.”

Maar dat was precies wat ik niet kon. Wennen voelde als afwachten tot de dag voorbij was.

Ik ben altijd wel handig geweest met hout. In de schuur had ik een oude werkbank van mijn vader staan en ik maakte soms een kastje voor een van de kinderen, of een vogelhuisje waar Martha dan weer om moest lachen omdat ik er drie avonden aan kon schuren. Na mijn afscheidsborrel had ik van mijn collega’s een goede set beitels gekregen. Daar begon het mee.

Ik zei tegen Martha dat ik beneden een atelier wilde maken. De oude bijkeuken erbij trekken, de muur naar de garage anders indelen, betere isolatie, misschien een dakraam. Niet om een bedrijf te beginnen. Gewoon een plek waar ik meubels kon maken. Misschien lessen volgen in Deventer. Ik had er tekeningen van gemaakt, gewoon op ruitjespapier eerst.

Martha keek ernaar terwijl ze haar leesbril op haar neus had.

“Mooi,” zei ze. “Maar dit is geen klein hoekje in de schuur, hè?”

Nee, dat was het niet. De aannemer die ik via-via kende, kwam op zevenendertigduizend euro uit. Als we het goed wilden doen, eerder veertig. We hadden spaargeld, maar ik wilde niet alles in één keer opmaken. Daarom had ik bij de bank geïnformeerd naar een lening met onze woning als onderpand. Onze hypotheek was bijna afgelost. Het leek mij niet onverstandig.

Martha werd stil toen ik dat vertelde. Niet boos meteen. Eerder alsof ik haar iets had gevraagd waar ze al bang voor was.

Een paar dagen later zei ze tijdens het eten: “Ik wil dat geld niet in stenen stoppen. Ik wil er juist van weg kunnen.”

Ik dacht eerst dat ze bedoelde: een paar vakanties. Dat doen we al jaren, alleen meestal een weekje Veluwe of in september naar Texel. Maar Martha had het over Frankrijk. Niet zo’n camping met Nederlanders en een recreatieteam, maar een klein huurhuisje in de Ardèche of de Dordogne, buiten het hoogseizoen. Twee of drie maanden per jaar misschien. Zij had blijkbaar al weken op sites gekeken.

Dat wist ik niet.

Ze wilde daar schilderen. Ze zit sinds een jaar bij een schilderclub in het dorp en gaat iedere woensdagavond. Vroeger zei ze altijd dat ze daar geen tijd voor had, met haar werk in de thuiszorg, mijn onregelmatige diensten en de kinderen. Nu heeft ze vriendinnen van die club met wie ze soms naar een expositie gaat. Ik moet eerlijk zeggen dat ik daar nooit erg bij stilgestaan heb. Ik vond het vooral fijn dat ze iets voor zichzelf had.

Maar ineens leek het alsof haar nieuwe leven al was begonnen en ik er alleen nog een beetje naast stond.

Ik zei iets doms. Ik zei: “Dus jij wilt een huisje in Frankrijk terwijl ik hier in een tochtige bijkeuken mag zitten prutsen?”

Ze legde haar vork neer. “Dat is niet eerlijk. Je mag best een atelier. Ik wil alleen niet dat we ons weer vastleggen voor jaren.”

“We zijn getrouwd, Martha. We wonen hier al dertig jaar. Hoeveel vaster wil je het hebben?”

Daar kreeg ik meteen spijt van, want haar gezicht veranderde. Niet dramatisch, gewoon dicht. Ze zei dat ze al die jaren juist degene was geweest die alles bij elkaar hield. De zorg voor haar moeder toen die dement werd. De kinderen opvangen toen ik vaak laat thuiskwam. De administratie, de verjaardagen, de boodschappen als ik weer eens zei dat ik het zou doen en het vergat. Ze zei niet dat ik niets had gedaan, en dat klopte ook niet. Maar ze zei wel: “Ik ben er moe van om altijd eerst te bedenken wat er allemaal moet voordat ik mag doen waar ik zin in heb.”

Die avond heb ik in de logeerkamer geslapen. Dat was kinderachtig. Ik lag daar tussen de wasmand en een doos met oude schoolboeken van onze dochter en werd alleen maar bozer op mezelf, omdat ik niet eens precies wist waarop.

De week daarna heb ik de aannemer afgebeld. Niet definitief, zei ik. Uitgesteld. Hij klonk opgelucht, eerlijk gezegd, want hij had het druk genoeg.

Martha merkte het pas twee dagen later. Ze vroeg ernaar toen ik de post opendeed.

“Je hoeft niet alles maar in te trekken omdat ik twijfels heb,” zei ze.

Daar werd ik weer kwaad van. Want zo voelde het niet. Het voelde alsof er voor mij geen goede keuze was. Als ik doorging, was ik de man die haar vrijheid afpakte. Als ik stopte, moest ik blijkbaar dankbaar zijn voor een compromis dat niemand had uitgesproken.

Pas afgelopen zondag snapte ik iets beter wat eronder zat. We waren bij onze zoon Bas in Almelo. Hij en zijn vriendin hebben een appartement gekocht en zitten tot hun oren in de kosten. Bas zei dat hij soms jaloers was op ons, omdat wij “alles al geregeld” hadden.

Martha lachte daar een beetje vreemd om. In de auto terug zei ze: “Iedereen denkt dat geregeld hetzelfde is als gelukkig of rustig.”

Ik zei niet veel terug. We reden langs de weilanden, alles plat en nat in de winterzon. Thuis zette ik de auto in de garage en zag ik mijn tekeningen nog op de werkbank liggen. Er zat een koffievlek op één hoek.

Ik heb ze niet weggegooid.

We hebben nu afgesproken dat we deze zomer eerst zes weken een huisje huren in Frankrijk. Niet kopen, niet voor altijd, gewoon proberen. Ik ga mee, hoewel ik er nog steeds tegenop zie om zo lang zonder eigen plek te zijn. In september gaan we opnieuw naar het plan voor beneden kijken, maar zonder lening als uitgangspunt. Misschien wordt het een kleinere werkruimte in de schuur. Misschien huur ik ergens een loodsje met een paar anderen. Ik weet het niet.

Martha heeft gisteren een mapje op tafel gelegd met huisjes die nog vrij zijn. Ik zag dat er ook eentje bij zat met een oude stenen schuur erbij.

“Daar zou jij eventueel kunnen rommelen,” zei ze.

Ik zei dat ik geen rommelaar ben.

Ze keek me aan en begon toen te lachen. Na een tijdje moest ik zelf ook lachen, al vond ik het nog steeds niet helemaal grappig.