Na achttien zomers Frankrijk lijkt één andere vakantie ineens onze hele vriendschap op scherp te zetten

De eerste keer dat ik merkte dat het echt mis zat, was toen ik op zondagochtend de vaatwasser uitruimde en Kees aan de keukentafel zijn telefoon weglegde.

Hij zei niet meteen iets. Hij keek alleen naar buiten, naar onze achtertuin waar de eerste narcissen al boven de grond kwamen. Toen zei hij: „Frank denkt dat wij gewoon moeilijk doen.”

Ik weet nog dat ik een ontbijtbord in mijn handen had en ineens niet wist waar ik het neer moest zetten.

Wij zijn allebei 63. Kees is sinds vorig jaar minder gaan werken bij het bouwbedrijf waar hij altijd uitvoerder is geweest, en ik ben in december gestopt bij de thuiszorg. Niet helemaal met pensioen, ik val nog af en toe in als het echt krap is, maar ik hoef niet meer iedere ochtend om half zeven op de fiets. We hadden verwacht dat die rust heerlijk zou voelen. Dat doet het meestal ook. Alleen merk je dan blijkbaar ook beter waar je geen zin meer in hebt.

Al achttien jaar gaan we met Frank en Ellen naar Frankrijk. Eerst waren de kinderen nog mee, met van die opblaasbeesten in het zwembad en strijd over wie voorin mocht zitten. Later bleven de kinderen thuis of kwamen ze een paar dagen langs. De laatste jaren waren het luxe vakantiehuizen: een grote keuken, een zwembad, meestal ergens in de Dordogne of de Ardèche. Frank zoekt maanden van tevoren. Hij maakt dan een mapje met opties, inclusief afstand tot een goede supermarkt, beoordelingen van bedden en of er Nederlandse tv is. Daar maken we weleens grappen over, maar eerlijk is eerlijk: het was altijd goed geregeld.

Het ritueel hoorde bij ons jaar. In januari een etentje bij hen, laptop op tafel, wijn erbij, huis kiezen. In juli rijden we in twee auto’s die kant op. Ellen neemt steevast te veel kruiden mee en ik maak de eerste avond pasta omdat niemand na zo’n autorit nog uitgebreid wil koken. Kees en Frank fietsen, Ellen en ik gaan naar een marktje, we kaarten buiten tot iemand het koud krijgt.

Maar vorig jaar zaten we in een prachtig huis bij Sarlat, voor een bedrag waarvan ik vroeger een halve keuken had laten plaatsen. Het zwembad had van die blauwe mozaïektegels en er was zelfs een buitenkeuken. Ik lag daar op een ligbed en dacht alleen maar: ik ben moe van alles netjes moeten vinden.

Niet van Frank en Ellen, althans, niet alleen daarvan. Van de boodschappenlijstjes voor zes personen, het overleggen over wie wanneer kookt, het feit dat er altijd een programma ontstaat terwijl niemand zegt dat het moet. Van de druk om dankbaar te zijn omdat het zo’n mooi huis is.

Op de terugweg zagen Kees en ik een kleine camping aan de rivier, ergens onder Limoges. Niet bijzonder. Tentjes, een paar vouwwagens, een vrouw die handdoeken ophing. We stonden in de file en Kees zei: „Hier zou ik best eens willen staan.”

Ik zei: „Met zo’n klein gaspitje en van die afwasbakken?”

„Ja. Lekker toch?”

En tot mijn eigen verbazing dacht ik: ja. Misschien wel.

We hebben geen tent meer, maar vorig najaar kochten we via Marktplaats een compacte caravan. Een oude Eriba, wit met een groene streep, van een stel uit Deventer. Niet groot genoeg om binnen een dansje te doen, maar met een vast bed, een koelkastje en een luifel die nog naar iemand anders ruikt. Onze dochter vond het hilarisch. „Jullie worden echt van die ANWB-ouders,” zei ze.

Misschien zijn we dat ook.

Toen Frank in januari zijn bekende bericht stuurde, met drie villa’s en daarachter allemaal vinkjes, hebben we het bij het etentje verteld. Niet heel handig misschien. We hadden het eerder moeten doen, gewoon apart bellen. Maar ik dacht echt dat ze zouden zeggen: leuk, iets anders dit jaar.

Ellen lachte eerst. Ze dacht dat ik een grap maakte.

Toen ik uitlegde dat we twee weken met de caravan wilden rondtrekken en misschien op kleinere campings wilden staan, werd haar gezicht stil. Frank zei: „Maar dan gaan jullie dus niet mee?”

Kees zei dat we best een paar dagen bij hen konden aansluiten als ze in dezelfde streek zaten. Ik wist al terwijl hij het zei dat Frank daar niets mee kon. Voor hem is vakantie blijkbaar óf samen, óf niet samen.

„We doen dit al achttien jaar,” zei Ellen. Niet boos. Eerder gekwetst, en dat maakte het lastiger.

Ik zei dat ik dat wist, maar dat achttien jaar ook lang is. Dat je misschien iets anders wilt zonder dat het hele verleden ineens niets waard is.

Frank schoof zijn glas opzij. „Het gaat toch niet om het geld, hoop ik?”

Daar zat ik meteen verkeerd aan. Want het ging óók om geld. We kunnen die villa betalen, dat is niet het punt. Maar Kees krijgt minder binnen sinds hij minder werkt en ik wil niet doen alsof elke uitgave gewoon hetzelfde blijft. Bovendien vonden we het absurd dat we bijna vierduizend euro kwijt zouden zijn aan alleen het huis. Daar kwamen de tol, benzine, etentjes en boodschappen nog bij.

Ik zei dat we minder wilden uitgeven.

Frank zei: „Dan betalen wij dat verschil toch. Serieus, daar gaan we niet moeilijk over doen.”

Ellen knikte meteen. „Dan kunnen we gewoon allemaal gaan. Wij vinden het ook belangrijk dat we samen zijn.”

Het was waarschijnlijk lief bedoeld. Misschien was het zelfs echt lief bedoeld. Maar ik voelde iets dichtklappen.

Alsof onze wens alleen mocht bestaan als zij hem konden oplossen.

Kees werd rood in zijn nek, dat gebeurt bij hem als hij zich inhoudt. Hij zei: „Het is niet alleen dat geld, Frank.”

„Maar wat is het dan?”

En daar zaten we. Met vier mensen die elkaar al zo lang kennen dat we van elkaar weten wie suiker in de koffie doet, maar blijkbaar niet goed meer kunnen uitleggen waar we behoefte aan hebben.

Ik zei iets over eenvoud en buiten zijn. Over niet elke ochtend eerst te hoeven beslissen wat er die avond op tafel moest voor iedereen. Ellen keek alsof ik zei dat de vakanties met hen een corvee waren geweest. Dat heb ik niet gezegd. Maar misschien hoorde zij het wel zo.

De weken daarna werd het stroef. In onze groepsapp ging het eerst nog over de villa. Daarna over de boekingsdeadline. Daarna over niets meer. Ellen stuurde een foto van haar kleindochter die haar zwemdiploma had gehaald en ik reageerde met een hartje, terwijl ik normaal meteen zou bellen.

Vorige donderdag belde Frank Kees. Hij had een huis gevonden waar zij al eens eerder waren geweest, in de Lot. Nog één week optie. Hij zei dat ze die vrijdag moesten beslissen.

Kees vertelde later dat Frank had gezegd: „Ik snap niet dat je hiervoor zo’n punt maakt. We vragen toch niet of jullie in een tentje naast het zwembad gaan slapen?”

Kees antwoordde: „Misschien is dat precies het probleem. Jullie horen alleen een tentje.”

Ze hebben uiteindelijk geboekt. Met z’n tweeën.

Wij hebben gisteren een camping gereserveerd in de Vogezen voor de eerste vijf nachten. Daarna zien we wel. Ik ben blij als ik naar die kleine caravan op de oprit kijk. Tegelijk krijg ik een naar gevoel wanneer ik bedenk dat Frank en Ellen straks in dat huis aankomen zonder ons. Misschien hebben ze een ander stel gevraagd. Misschien zitten ze gewoon met z’n tweeën aan die veel te grote eettafel.

Ellen stuurde vanmiddag: „Jammer dat het zo gelopen is. Hopelijk spreken we elkaar snel.”

Ik heb het bericht gelezen en mijn telefoon op het aanrecht gelegd. Kees was bezig de spiegels op de caravan te zetten, hoewel we pas in juni vertrekken.

Ik heb nog niet geantwoord. Niet omdat ik haar wil straffen. Ik weet alleen niet hoe je terugschrijft naar iemand die je niet kwijt wilt, terwijl je ook niet terug wilt naar hoe het altijd ging.