Mijn vrouw maakte van onze voortuin een wildernis, en ik schaam me ervoor dat ik vooral aan de buren dacht
De eerste keer dat buurman Kees er iets van zei, stond ik met een vuilniszak bij de kliko.
Hij keek niet eens echt naar mij. Hij keek over mijn schouder, naar onze voortuin. Of wat vroeger onze voortuin was. Vijf jaar geleden lag daar nog een strak gazonnetje, twee buxusbolletjes en een rij lavendel die Els ieder voorjaar bijknipte. Niet bijzonder, maar netjes. Zoals bijna alle tuinen hier in de wijk.
“Het groeit wel lekker door, hè,” zei Kees.
Hij lachte erbij, maar op zo’n manier dat ik meteen wist wat hij bedoelde.
Ik zei iets als: “Ja, Els is met die bloemenweide bezig.” Alsof het een tijdelijk knutselproject was. Alsof er binnenkort weer gewoon gras zou liggen.
Dat dacht ik toen eerlijk gezegd ook.
Els en ik wonen hier nu achttien jaar, in een hoekwoning in Leidsche Rijn. We hebben allebei ons hele werkende leven gewerkt. Ik zat bij een installateur, eerst buiten, later als werkvoorbereider. Els werkte in de thuiszorg en daarna nog jaren bij de planning. We hebben zuinig geleefd, niet overdreven, maar wel met het idee dat we het later prettig zouden hebben. Geen zorgen over elke rekening. Een huis waar de kinderen kunnen komen eten. Een tuin waar je op een zaterdag even met de hogedrukspuit doorheen gaat en daarna een biertje drinkt.
Toen ik met pensioen ging, was ik bang dat ik me zou vervelen. Els niet. Die had binnen drie maanden een cursus gevolgd over inheemse planten en zat filmpjes te kijken over bijen, bodemleven en tegels eruit. Ze begon achterin, daar had ik geen moeite mee. Ze haalde een paar tegels weg, zette wilde marjolein neer, kattenkruid, veldsalie. Het zag er eigenlijk best aardig uit.
Maar daarna ging het sneller dan ik had verwacht.
Het gras voor werd niet meer gemaaid. Eerst bleef er een strook staan. Toen bijna alles. De buxus ging eruit omdat die volgens Els “ecologisch helemaal niks doet”. Er kwamen houten paaltjes met een touwtje erlangs, een bordje waarop stond: HIER GROEIT NATUUR. Naast de oprit verscheen een insectenhotel dat ze samen met onze kleindochter Noor had gemaakt. Dat vond ik nog wel lief, al hing het een beetje scheef.
Op een gegeven moment kwam er ook een compostbak. Vooraan, half achter een vlier die volgens Els daar spontaan was opgekomen en dus absoluut moest blijven.
Ik zei vaak: “Kunnen we die bak niet achter zetten?”
Dan keek ze me aan alsof ik had voorgesteld om een kat in de container te gooien.
“Dat kan niet achter, daar is bijna geen zon. En compost hoort bij een levende tuin.”
“Ja, maar de hele straat kijkt ertegenaan.”
“Precies. Misschien gaan mensen dan ook nadenken.”
Dat was het moment waarop ik begon te merken dat het niet alleen om planten ging. Els had er iets van gemaakt dat groter was dan onze tuin. Ze las verhalen over insectensterfte en droogte, over mensen die hun stenen eruit halen omdat gemeenten dat ook stimuleren. Ze ging een keer naar een lezing in de bibliotheek en kwam thuis met een folder over voedselbossen. Sindsdien zei ze dingen als: “Wij hebben een stukje grond, Henk. Daar hebben we ook verantwoordelijkheid voor.”
Ik vond dat nogal zwaar aangezet voor een voortuin van zes bij negen meter.
Maar ik zei het niet altijd. Misschien omdat ik zag hoe blij ze ervan werd. Els heeft na haar pensioen best moeite gehad met het feit dat niemand haar meer nodig had. In de thuiszorg was er altijd iemand die op haar wachtte, al was het maar voor steunkousen of een praatje. Nu stond ze ’s ochtends met haar koffiekopje voor het raam te kijken of er weer hommels zaten. Ze kende op een gegeven moment namen van insecten waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden.
Tegelijkertijd begon ik steeds meer omwegen te maken als ik mensen uit de straat tegenkwam.
Niet omdat iedereen onaardig deed. Dat maakt het misschien juist vervelender. Marjan van nummer 14 vroeg voorzichtig of we “iets aan het verwilderen waren”. De vrouw van de hoek zei dat haar man bang was dat er muizen op af zouden komen. Kees begon over de waarde van de huizen. Alsof hij makelaar was, terwijl hij zijn hele leven bij de belastingdienst had gewerkt.
En ik stond daar dan met mijn handen in mijn jaszakken te knikken. Ik verdedigde Els niet echt, maar ik gaf haar ook niet af. Ik zei vooral dat we er nog naar keken.
Daar schaam ik me nu wel voor.
De brief kwam eind september. Niet eens per post, maar in de mail, met een pdf erbij. Afkomstig van de bewonersvereniging. Ik wist niet dat die zich hiermee bemoeide, maar blijkbaar stond er in het huishoudelijk reglement iets over het verzorgd houden van zichtbare delen van het perceel. Er was geen boete of zo. Het was een verzoek, met de mededeling dat er meerdere meldingen waren binnengekomen en of wij binnen vier weken “passend onderhoud” wilden uitvoeren.
Els las hem aan de keukentafel. Ik hoorde alleen haar stoel naar achteren schrapen.
“Meerdere meldingen,” zei ze. “Dus ze hebben het over ons gehad.”
Ik probeerde rustig te blijven. “Het is een verzoek. Misschien kunnen we de randen maaien en die compostbak verplaatsen. Dan ziet het er al anders uit.”
Ze keek me aan. Niet boos eerst. Eerder teleurgesteld.
“Dus jij vindt ook dat het rommelig is.”
Ik zei dat ik vond dat het rommelig oogde. Dat is niet hetzelfde, dacht ik. Maar toen ik het uitsprak, klonk het precies zo verkeerd als zij het opvatte.
Die avond hebben we voor het eerst in lange tijd echt ruzie gemaakt. Niet schreeuwen, wij schreeuwen eigenlijk nooit. Juist dat nare, ingehouden gedoe. Zij zei dat ik alleen maar bang was voor Kees en Marjan. Ik zei dat zij deed alsof iedereen die niet enthousiast was over lange grassen meteen een vijand van de planeet was.
“Wij wonen hier ook samen,” zei ik.
“Ja,” zei ze. “Maar het lijkt wel of jij alleen maar wilt dat het nergens over gaat.”
Daar had ik geen antwoord op. Want misschien is dat deels waar. Ik heb altijd gedacht dat rust iets goeds was. Gewoon geen gedoe. De stoep schoon, buren groeten, geen reden waarom mensen het over je hebben.
Maar Els zei later, veel zachter, dat ze juist jarenlang heeft gedaan wat handig was voor iedereen. Werken op tijden die niet fijn waren. Zorg voor haar moeder. Oppassen als onze dochter vastliep na haar scheiding. “En nu ik eindelijk iets doe waar ik in geloof, moet het weer netjes genoeg zijn voor anderen.”
De volgende ochtend heb ik zonder iets te zeggen de kanten van het pad gemaaid. Niet het hoge gras zelf, alleen een smalle rand langs de stoep. Ik dacht dat ze misschien opgelucht zou zijn. Ze zei de hele dag bijna niets tegen me.
Een week later kwam er een egel in onze tuin. Els had hem op de camera gezien, zo’n klein nachtbeeldcameraatje dat ze voor haar verjaardag had gekregen. Ze liet het me zien op haar telefoon. Een korrelig grijs beestje dat langs de compostbak scharrelde.
“Zie je nou wel,” zei ze.
Ik wilde zeggen dat één egel geen antwoord is op alles. Maar ik deed het niet. Hij zag er eerlijk gezegd ook aandoenlijk uit.
Morgen is er een vergadering van de bewonersvereniging. Els wil erheen met foto’s van vlinders en een plan om meer tuinen in de straat natuurvriendelijk te maken. Ik heb gezegd dat ik mee ga, maar ik weet nog niet of ik naast haar ga zitten of achterin.
Vanmiddag heeft Kees gevraagd of ik daarna nog een biertje kom drinken. Ik heb gezegd dat ik het niet weet.
Els is nu achter bezig met een zak bollen. Ze heeft haar oude regenjas aan, die groene met verf op de mouw. Door het raam zie ik dat ze praat tegen Noor, die er dit weekend is. Samen wijzen ze naar een plek naast de schutting.
Ik denk dat daar binnenkort weer iets groeit waar ik aan moet wennen.