Na ons pensioen wilde mijn man naar een dorp waar ik niemand ken, en ik weet niet of ik mee kan zonder mezelf kwijt te raken

De verhuisdozen zijn er nog niet, maar ik merk dat ik thuis al minder ruimte inneem.

Dat klinkt misschien overdreven. We wonen gewoon nog in hetzelfde rijtjeshuis in Amersfoort, met de blauwe voordeur die eigenlijk opnieuw geschilderd moet worden en de buurvrouw die op vrijdagmiddag altijd haar vuilnisbak te vroeg buiten zet. Ik ken hier iedereen niet goed, maar wel genoeg. Bij de Albert Heijn zegt de caissière soms: “Weer aan de postzegels, Els?” Bij het zwembad weten ze dat ik graag in baan twee zwem, omdat baan één altijd zo’n wedstrijdje wordt. Op dinsdag drink ik koffie met Marjan en Ria na yoga. Soms zeuren we alleen over onze knieën en onze kinderen, maar het is wel míjn leven.

Henk begrijpt dat niet helemaal. Of misschien heeft hij het altijd wel begrepen, maar vond hij dat het later wel zou komen.

We zijn allebei vorig jaar gestopt met werken. Ik werkte drie dagen per week op de administratie van een basisschool. Henk zat zijn hele leven in de installatietechniek. Hij had de laatste jaren genoeg van files, vergaderingen en jonge projectleiders die hem vertelden hoe hij dingen moest aanpakken die hij al deed voordat zij geboren waren.

Op zijn afscheidsfeest kreeg hij een vogelhuisje van zijn collega’s. Iemand had er voor de grap “Henk’s buitenkantoor” op geschreven. Hij moest erom lachen, maar thuis zette hij het meteen op tafel en zei hij: “Zie je wel. Nu kan het eindelijk.”

Met ‘het’ bedoelde hij een huisje buitenaf.

Niet een dorp aan de rand van de stad, met een station en een huisarts om de hoek. Hij kijkt naar huizen in Oost-Groningen, de Achterhoek, soms zelfs in Drenthe, waar je volgens hem “nog echt ruimte krijgt voor je geld”. Vrijstaand, oude schuur erbij, minimaal duizend vierkante meter grond. Hij wil een moestuin. Kippen misschien. Een werkbank in de schuur. Geen auto’s die door de straat scheuren, geen buren die je barbecue ruiken.

Hij stuurt me Funda-links alsof hij een vakantiewoning uitzoekt.

“Moet je deze zien, El. Voor dat geld krijg je hier nog geen appartement met een balkon.”

Dan zit ik naast hem op de bank en kijk ik naar foto’s van een donker huis met houten balken, een oprijlaan vol grind en een weiland erachter. Bij sommige huizen staat letterlijk: voorzieningen op tien kilometer afstand.

Hij zegt dat als een voordeel. Ik voel mijn maag dan dichtgaan.

In het begin probeerde ik enthousiast mee te kijken. Ik zei dat een grote tuin ook mooi kon zijn. Dat ik best kruiden zou willen planten, misschien een appelboom. Ik wilde niet meteen degene zijn die overal tegen is. Henk heeft jarenlang rekening met mij gehouden, dat weet ik ook wel. Toen ik dichter bij mijn moeder wilde wonen toen zij ziek werd, zijn we niet naar Zwolle verhuisd voor zijn werk. Hij heeft toen iedere dag verder moeten rijden. Toen onze dochter Noor haar eerste kind kreeg, ging ik elke woensdag oppassen en nam hij vaker vrij om mee te helpen als er iets was.

Maar hoe vaker hij over dat platteland begon, hoe minder het voelde als een gezamenlijke wens. Het was meer alsof hij in stilte had gewacht tot ik geen geldig excuus meer had.

Een paar weken geleden zei hij aan tafel: “Jij hebt altijd mensen om je heen nodig. Ik heb dat nooit zo gehad. Ik heb me aangepast aan jouw stadse gedoe. Nu ben ik aan de beurt.”

Hij zei het niet hard. Juist dat maakte het erger. Hij smeerde boter op een cracker terwijl hij het zei, alsof het een praktische rekensom was.

Ik werd meteen boos. Niet alleen omdat hij gelijk had dat ik mensen nodig heb, maar omdat hij het liet klinken als een lastige gewoonte. Alsof ik naar een hobbyclubje wilde omdat ik me anders verveel.

Ik zei: “Dat stadse gedoe is mijn netwerk, Henk. Mijn vriendinnen. Mijn zus woont twintig minuten fietsen hier vandaan. Noor komt makkelijk langs met de kinderen. Als ik in een dorp ga wonen waar de bus twee keer per uur rijdt, dan word ik afhankelijk van jou voor alles.”

Hij keek me aan en zei: “Zo afgelegen hoeft het toch niet?”

Maar hij had diezelfde ochtend nog een huis laten zien waar de dichtstbijzijnde supermarkt in een ander dorp zat.

Sindsdien is het tussen ons stroef. Niet de hele tijd. We eten nog samen, we kijken nog naar Heel Holland Bakt en lachen soms om precies dezelfde flauwe dingen. Maar onder bijna ieder gesprek zit het. Als hij zegt dat de heg gesnoeid moet worden, hoor ik: straks hoef je dit hier niet meer te doen. Als ik vertel dat Marjan en ik een museumkaartje hebben gekocht, zie ik hem even wegkijken.

Vorige zondag kwam het echt verkeerd terecht.

We hadden Noor en haar gezin op bezoek. De kleinkinderen renden door de woonkamer met stiften die eigenlijk niet op de bank mochten. Noor stond in de keuken af te wassen en zei dat ze misschien minder uren wilde gaan werken. Haar jongste slaapt slecht en haar man draait onregelmatige diensten.

Henk zei toen tegen haar: “Als wij straks buiten wonen, kunnen jullie altijd een weekendje komen opladen. Lekker ruimte voor de kinderen.”

Noor keek naar mij. Niet lang, maar lang genoeg.

Later, toen zij weg waren, vroeg ik waarom hij deed alsof het al besloten was.

Hij zuchtte heel diep. “Omdat we er eindeloos over praten en jij elke optie afschiet.”

“Dat doe ik niet.”

“Je wilt alleen maar hier blijven omdat je bang bent om iets los te laten.”

Dat raakte me meer dan ik wilde toegeven. Misschien ben ik inderdaad bang. Ik ben vijfenzestig. Ik heb geen zin meer om helemaal opnieuw uit te zoeken welke huisarts aardig is, waar je een kapper vindt, of mensen in een dorp je ooit vragen om koffie of alleen vriendelijk knikken bij de brievenbus. Ik weet dat je op elke leeftijd nieuwe mensen kunt leren kennen. Maar ik wil niet dat móéten.

Ik zei iets lelijks terug. Dat hij niet naar buiten wilde omdat hij zo van rust hield, maar omdat hij dan niemand hoefde te zien en ook niet hoefde te merken dat hij soms somber is sinds hij niet meer werkt.

Daar schrok hij zichtbaar van. Ik ook, meteen. Hij pakte zijn bril van tafel, maakte die schoon terwijl hij hem al schoonmaakte, en zei uiteindelijk: “Misschien wil ik gewoon één keer wonen zoals ik het zelf voor me zie.”

Toen kwam die zin waar ik sindsdien steeds aan denk.

“Misschien moet ik het dan alleen doen.”

Niet als dreigement, denk ik. Eerder moe. Alsof hij die mogelijkheid zelf ook pas hoorde toen hij hem uitsprak.

Ik heb die avond op de logeerkamer geslapen. Niet omdat ik bang was of omdat we een enorme ruzie hadden. Ik kon alleen niet naast hem liggen en doen alsof we het morgen wel zouden oplossen.

De volgende dag heb ik Marjan niets verteld. We dronken koffie na yoga en zij klaagde over haar nieuwe kunstgebit. Ik knikte op de goede momenten. Thuis zat Henk in de tuin met een catalogus over houtkachels, midden in april.

Gisteren hebben we afgesproken dat we voorlopig niet gaan verkopen. Dat was mijn voorwaarde, al klinkt dat veel daadkrachtiger dan ik me voelde. We gaan wel kijken naar kleinere plaatsen binnen een halfuur van Amersfoort. Henk noemt dat een compromis waar hij niet gelukkig van wordt. Ik noem het een poging om niet alles kapot te maken.

Hij wil ook een paar weken alleen naar een camping in Drenthe deze zomer, met zijn fiets en waarschijnlijk veel te weinig ondergoed. Hij zei dat hij wil voelen of hij de stilte echt zo graag wil als hij denkt. Ik heb gezegd dat dat prima is, maar ik hoorde mezelf erbij zeggen: “En misschien vind jij het fijn als ik niet steeds commentaar heb.”

Daar moest hij een beetje om lachen. Ik niet meteen, maar later wel.

Vanmiddag ga ik met Noor naar de stad om schoenen voor de kinderen te kopen. Henk blijft thuis; hij wil de schutting repareren. Voor ik wegging, vroeg hij of ik vanavond pasta wilde eten. Gewoon pasta, met die saus uit een pot waar we het allebei eigenlijk te zout van vinden.

Ik zei ja.

Meer hebben we op dit moment niet besloten.