Ik wilde mijn boot niet opgeven voor de bruiloft van onze zoon, en daar schaam ik me nu soms voor

De eerste keer dat Marijke zei dat we de boot misschien tijdelijk moesten verkopen, stond ik met een oude tandenborstel tussen de spanten van het motorruim. Ik had net een laagje bruine aanslag van een koperen leiding gehaald. Zo’n klus waar je geen foto van maakt en waar niemand behalve ik ooit iets van ziet, maar waar ik rustig van word.

“Niet definitief misschien,” zei ze vanuit de kuip. “Maar gewoon, om ruimte te maken.”

Ik kwam overeind en stootte mijn hoofd tegen de rand van het luik. Ik weet nog dat ik vooral kwaad werd omdat het pijn deed.

Onze boot heet De Tijd Zegt Het. Die naam had ik zelf bedacht, waar Marijke toen al om zuchtte. Het is een stalen motorkruiser uit 1974, niet groot, niet chic, maar wel helemaal van ons. Of eigenlijk: van mij, als ik eerlijk ben. Marijke regelt de boodschappen, de gasten, de appjes met wie wanneer meevaart en welke vriend allergisch is voor wat. Maar de motor, de elektra, de verf, het houtwerk, de winterstalling in Harderwijk: dat is mijn terrein.

Toen ik nog bij de gemeente werkte, in vastgoedbeheer, zei ik altijd dat ik na mijn pensioen eindelijk tijd zou hebben. Niet om wereldreizen te maken of op een golfbaan te staan, maar om die boot goed te krijgen. Ik had er twintig jaar lang in avonden en weekenden aan gewerkt. Soms te veel, dat weet ik best. Onze dochter Noortje zei vroeger dat ze wist dat het voorjaar begon wanneer haar vader weer naar diesel rook.

Nu ben ik 67. Marijke is 65. We zijn allebei gezond, voor zover je dat op onze leeftijd zegt. Zij heeft wat last van haar knie, ik heb sinds vorig jaar gehoorapparaten die ik te weinig draag. We varen veel met vrienden. We liggen een paar weken per zomer ergens in Friesland. En in september ga ik al tien jaar naar HISWA te Water, eerst als bezoeker en de laatste drie jaar met de mannen van onze vereniging, met een kleine plek waar we klassieke scheepsmotoren laten zien. Niet omdat wij daar belangrijk zijn, maar ik vind het prachtig. Een paar dagen praten met mensen die begrijpen waarom je een middag blij kunt zijn van een pakking die nergens meer te krijgen was.

Onze zoon, Thomas, woont al acht jaar op Curaçao. Eerst werkte hij daar bij een reisorganisatie, later heeft hij met zijn vriendin Alina een kleine zaak opgezet in bootexcursies. Geen groot bedrijf, eerder twee boten, een loods en altijd gedoe met vergunningen, onderdelen en personeel dat opeens een neef moet helpen. We zien hem te weinig. Dat is gewoon zo gegaan. Eerst door zijn werk, toen door corona, daarna omdat een reis naar Curaçao niet iets is wat je even tussen de tandarts en een verjaardag door doet.

In januari belde hij op zondagavond. Hij en Alina gingen trouwen, volgend voorjaar. Op Klein Curaçao, met daarna eten en muziek op het strand. Hij klonk gelukkig, en ik was ook gelukkig voor hem. Echt. Ik heb zelfs meteen gezegd dat ik een mooi pak nodig had, wat Marijke later tegen me gebruikte.

Een week later kwam het tweede gesprek.

De bruiloft werd groter dan ze hadden gedacht. Niet enorm, maar familie uit Nederland, vrienden van Alina, mensen van het bedrijf. Thomas vroeg of wij wilden helpen betalen. Hij zei het voorzichtig, bijna alsof hij zich schaamde. Daarna kwam het andere verzoek: of we na de bruiloft nog drie of vier weken konden blijven. Ze wilden vlak daarna een nieuwe boot in de vaart nemen, en hij moest dingen regelen met de haven, een boekhouder en personeel. Alina zou ook druk zijn. “Het zou fijn zijn als jullie er gewoon zijn,” zei hij.

Ik zei dat we erover na moesten denken.

Marijke zei diezelfde avond al: “Natuurlijk gaan we.”

Daar begon het gedoe eigenlijk. Niet met geschreeuw. Dat doen wij nauwelijks. Eerder met lijstjes op de eettafel. Vluchten. Appartementen. Wat een huurauto kost. Wat we aan Thomas konden geven zonder onze spaarrekening helemaal leeg te trekken. En daar tussendoor mijn agenda voor september, want HISWA valt precies in de periode waarin Thomas ons daar het liefst wilde hebben.

“Hij vraagt niet ieder jaar om zijn ouders,” zei Marijke.

“Hij vraagt wel om behoorlijk veel,” zei ik.

Dat was flauw geformuleerd. Hij vroeg niet alleen om geld. Hij vroeg om aanwezigheid. Maar ik hoorde vooral bedragen en weken die van mijn kalender verdwenen.

Het ergste was dat ik me door Marijke behandeld voelde alsof ik alleen maar aan die boot dacht. Terwijl ik juist al jaren dacht dat we samen iets hadden opgebouwd. Zij vond dat ik deed alsof De Tijd Zegt Het een derde kind was. Misschien was dat ook niet helemaal onwaar.

Toen zij over verkopen begon, zei ik meteen: “Dan kun jij net zo goed zeggen dat ik hier niet meer nodig ben.”

Ze keek me aan alsof ik iets heel kinderachtigs had gezegd. En misschien was dat ook zo.

“Jan,” zei ze, “ik zeg niet dat jij niet nodig bent. Ik zeg dat we niet alles kunnen blijven doen alsof we nog veertig zijn en geld en tijd nergens vandaan hoeven te komen.”

Daarna zei ze dat ze desnoods alleen zou gaan. Niet als dreigement, zei ze. Gewoon omdat ze niet wilde dat Thomas op zijn trouwdag het gevoel kreeg dat zijn vader een beurs belangrijker vond.

Ik heb daar drie nachten slecht van geslapen. Niet alleen omdat het hard binnenkwam. Ook omdat ik bang was dat hij dat inderdaad zo zou zien, terwijl het voor mij ingewikkelder lag. Ik wilde niet dat mijn pensioen weer een periode werd waarin anderen bepaalden waar ik moest zijn. Mijn vader heeft tot zijn 72ste voor iedereen klaar gestaan. Voor zijn moeder, zijn broer, ons. Toen hij eindelijk wat rust kreeg, was hij moe en ziek. Ik heb altijd gedacht: zo wil ik het niet doen.

Maar Thomas is geen buurman die hulp nodig heeft met een kastje. Hij is mijn zoon. En eerlijk gezegd weet ik ook niet hoeveel momenten er nog komen waarop hij ons echt dichtbij wil hebben. Op Curaçao heeft hij zijn eigen leven. Als we bellen, loopt er vaak iemand door zijn kantoor of gaat zijn telefoon tussendoor. Dat is normaal, maar het blijft vreemd dat je kind volwassen is op negen uur vliegen afstand.

Vorige week ben ik naar de haven gegaan om de afdekzeilen los te maken. Marijke ging mee, wat ze de laatste tijd weinig deed. Ze zette koffie in de kleine kombuis en vroeg ineens hoeveel uren ik deze winter aan de boot had gewerkt.

Ik zei: “Geen idee. Veel.”

Ze knikte alleen maar.

Toen zei ze dat zij ook moe was van steeds alles rond de boot organiseren. De boodschappen, de bedden opmaken als er vrienden meevaren, rekening houden met mijn humeur als er regen was tijdens een gepland weekend. Dat kwam onverwacht hard aan. Ik had gedacht dat zij net zo trots was op de boot als ik. Misschien was ze dat ook wel, maar op een andere manier dan ik.

We hebben nu besloten dat we naar de bruiloft gaan en drie weken blijven. Ik heb de mannen van de vereniging verteld dat ik dit jaar niet op HISWA sta. Daar heb ik me meer voor geschaamd dan ik wil toegeven. Eén van hen zei meteen dat ik gek was om niet gewoon later te komen, maar zo werkt het niet. Als je een stand toezegt, moet je er zijn. Klaar.

De boot verkopen doen we voorlopig niet. We gaan minder geld geven dan Thomas eerst in gedachten had, en dat gesprek moet nog gevoerd worden. Marijke wil na die drie weken misschien nog een week langer blijven. Ik weet niet of ik dat trek, al klinkt dat belachelijk als ik het opschrijf.

Vanmiddag heb ik de motor gestart. Hij sloeg niet direct aan. Pas bij de derde poging kwam dat bekende lage gebrom. Ik stond met mijn hand op de reling te luisteren, terwijl Marijke achter me de lijnen losmaakte.

We gingen maar een uurtje het water op. Daarna moesten we gewoon terug, want zij had een afspraak bij de fysio en ik moest thuis de vluchtgegevens nog nakijken.