Ik wil mijn man niet behandelen als een kind, maar ik raak hem wel steeds meer kwijt

Vorige maand heb ik voor het eerst alleen koffie gedronken met Marijke, mijn vriendin van vroeger. Niet omdat Henk ziek op bed lag of omdat hij moest werken, zoals vroeger wel eens gebeurde. Ik had hem gewoon niet gevraagd.

Dat voelt nog steeds lelijk om op te schrijven.

Marijke had appeltaart besteld en keek steeds alsof ze iets wilde zeggen maar niet wist hoe. Uiteindelijk zei ze: „Hoe gaat het nou echt met jullie?” Niet met Henk. Met ons.

Ik zei automatisch: „Ach, hij wordt wat ouder.” Alsof dat alles verklaart. Alsof ik het zelf ook geloof.

Henk is 66, ik ben 63. We zijn 39 jaar samen, waarvan 35 getrouwd. Hij werkte bij een installatiebedrijf, eerst buiten, later als werkvoorbereider. Hij was nooit de man die op een feestje het hoogste woord had, maar hij kon goed luisteren. Mensen kwamen bij hem met gedoe over werk of hun kinderen. Dan zette hij koffie, zei niet meteen wat je moest doen en stelde precies de vraag waar je zelf nog niet aan toe was.

De laatste twee jaar is er iets verschoven. Eerst klein. Hij vergat een afspraak bij de tandarts en werd boos toen ik hem eraan herinnerde. Daarna raakte hij tijdens een verjaardag helemaal van slag omdat mijn zwager de meubels had verplaatst. Hij bleef maar vragen waarom de eettafel anders stond, terwijl iedereen al aan het praten was.

Ik vond het toen vooral gênant. Dat klinkt hard, maar zo was het. Ik trok hem even mee naar de keuken en zei dat hij het moest laten rusten. Hij keek me aan alsof ík degene was die raar deed.

„Je doet alsof ik gek ben,” zei hij.

Ik zei dat niet, maar ik dacht wel: wat gebeurt hier nou?

Daarna kwamen er meer van die momenten. Bij de supermarkt wilde hij ineens niet meer pinnen omdat hij ervan overtuigd was dat er geld van onze rekening verdween. Hij ging niet schreeuwen of zo, maar hij kon minutenlang bij de zelfscan blijven staan, met een rij achter zich, terwijl hij de kassière vroeg of zij kon zien wat de bank deed. Thuis was hij dan juist heel kalm. Dan zei hij: „Jij ziet overal een probleem in.”

En misschien zie ik inderdaad overal een probleem. Ik ben daar goed in geworden.

Vrienden zijn minder vaak langsgekomen. Eerst dacht ik dat dat toeval was: kleinkinderen, vakanties, mensen hebben hun eigen leven. Maar het werd duidelijk toen Peter en Anja na een etentje opeens vroeg vertrokken. Henk had Peter drie keer gevraagd of hij nog steeds bij diezelfde werkgever zat. De derde keer zei Peter lachend: „Ja Henk, dat vertelde ik net ook al.”

Henk werd stil. Veel te stil. Toen Anja iets zei over haar dochter, kapte hij haar af met: „Daar heeft niemand iets aan.”

Op de gang, toen ze hun jassen aantrokken, hoorde ik Anja zacht zeggen: „Hij is niet zichzelf, hè?” Ik deed alsof ik het niet hoorde.

De volgende ochtend wist Henk nog precies dat zij vroeg waren weggegaan. Hij zei dat ik mensen uitnodigde die op hem neerkeken. Toen ik voorzichtig begon over de huisarts, sloeg hij met zijn vlakke hand op tafel. Niet hard, maar ik schrok er wel van.

„Ik ga niet naar een huisarts omdat jij niet tegen een ongemakkelijk gesprek kunt.”

Hij zei ook dat iedereen tegenwoordig van alles een diagnose wil maken. Dat hij gewoon minder geduld heeft met onzin. En eerlijk gezegd: een deel daarvan herken ik ook. Henk heeft altijd een hekel gehad aan drukte en aan mensen die om dingen heen draaien. Alleen vroeger kon hij daarna weer relativeren. Nu blijft hij erin hangen, soms dagen.

Onze zoon Bas woont met zijn vrouw en twee kinderen in Amersfoort. Hij komt meestal op zondag langs, als hij niet hoeft te coachen bij het voetbal. Ik had hem gevraagd om een keer zonder de kinderen te komen. Dat vond ik al vreselijk. Alsof ik achter Henks rug om een vergadering belegde.

Bas zat aan onze keukentafel en draaide zijn koffiemok steeds rond. Ik had mezelf voorgenomen rustig te blijven, maar ik begon meteen te huilen. Niet eens heel hard. Gewoon tranen die bleven komen terwijl ik probeerde uit te leggen dat ik niet meer wist hoe ik hem moest bereiken.

„Mam, pap wil toch helemaal niet dat ik me ermee bemoei?” zei Bas.

„Nee,” zei ik. „Maar ik wil ook niet wachten tot er iets gebeurt. Hij rijdt nog auto. Hij vergeet soms waarom hij naar de bouwmarkt ging. Hij slaapt slecht. En ik ben de hele dag aan het opletten zonder dat hij dat mag merken.”

Bas zei niet dat ik ongelijk had. Maar hij zei ook niet meteen dat hij met zijn vader zou praten. Hij kent Henk natuurlijk beter dan wie ook. Henk kan enorm trots zijn. Niet op een nare manier, eerder alsof hij bang is om afhankelijk te worden van andere mensen.

Een week later heeft Bas het toch geprobeerd. Hij kwam op een woensdagavond langs. Ik had expres soep gemaakt, wat achteraf een dom detail is, maar ik dacht blijkbaar dat soep het gesprek vriendelijker zou maken.

Bas zei: „Pap, misschien is het geen gek idee om eens met iemand te praten. Gewoon om te kijken of er iets met je geheugen of je slaap speelt.”

Henk keek eerst naar hem, toen naar mij. Hij snapte het meteen.

„Dus dit hebben jullie geregeld?” vroeg hij.

Ik zei dat niemand iets geregeld had.

„Nee, maar jullie hebben wel over mij vergaderd.”

Bas probeerde uit te leggen dat het uit bezorgdheid was. Henk luisterde niet echt meer. Hij zei dat wij hem wilden wegzetten als een oude man die niet meer mee mocht beslissen. Daarna liep hij naar boven. Hij pakte geen jas, geen sleutels. Hij ging gewoon in de slaapkamer zitten met de deur dicht.

Bas bleef nog twintig minuten. We praatten over praktische dingen, over de huisarts en of ik zelf met iemand kon praten, bijvoorbeeld de praktijkondersteuner. Maar het voelde verkeerd dat we dat beneden bespraken terwijl Henk boven zat en misschien alles kon horen.

Toen Bas weg was, zei Henk alleen: „Je hebt onze zoon tegen me opgezet.”

Dat heb ik hem niet kunnen vergeven, denk ik. Niet omdat hij het zei, maar omdat er blijkbaar een stuk in hem zit dat echt gelooft dat ik zijn tegenstander ben geworden.

Komend weekend wordt mijn zus 70. Ze geeft een lunch in een restaurant in Zwolle, met de hele familie. Henk heeft vorige week al gezegd dat hij niet gaat. Eerst zei hij dat hij geen zin had in al dat gedoe. Later zei hij dat hij niet met mensen aan tafel wilde die hem steeds aankijken om te zien of hij iets verkeerds zegt.

Ik heb gezegd dat niemand dat doet.

„Jij kijkt zo,” zei hij.

Daar had ik niets op.

Mijn zus belde gisteren of we met de trein komen. Ik zei: „Ik weet het nog niet.” Dat is inmiddels mijn standaardantwoord op bijna alles geworden.

Ik wil gaan. Ik mis mijn zus, mijn neven en nichten, het gewone gepraat over verbouwingen, kleinkinderen en veel te dure boodschappen. Tegelijk voelt het alsof ik een deur dichttrek als ik zonder Henk ga. Alsof ik daarmee toegeef dat wij niet meer samen naar buiten kunnen.

Vanmorgen lag hij nog in bed toen ik beneden de vaatwasser uitruimde. Hij had de avond ervoor zijn leesbril in de koelkast gelegd. Ik vond hem naast de yoghurt. Ik heb hem op het aanrecht gelegd en er niets over gezegd.

De lunch is zaterdag. Ik heb mijn nette broek alvast uit de kast gehaald. Henk weet dat. Hij zegt er niets van.

Ik ook niet.