Na 34 jaar vriendschap wilde mijn vrouw niet meer mee op vakantie, en ik snapte pas laat waarom
Ik heb de campingstoelen van zolder gehaald en daarna weer teruggezet.
Dat klinkt misschien overdreven, maar voor mij voelde het alsof ik de vakantie al had afgezegd zonder het hardop te zeggen. Normaal gaan we in juni met de caravan naar de Ardèche, samen met Henk en Marjan. Al sinds 1998. Eerst met vier kleine kinderen die over de camping renden, later met pubers die zich schaamden dat hun ouders samen op pad gingen, en de laatste jaren met z’n vieren, rustig aan, boekje mee, jeu-de-boulesbaan in de avond.
We zijn nu 63 en 61, mijn vrouw Els en ik. Henk is 64, Marjan 62. Zij zijn niet zomaar kennissen van de kaartclub of mensen met wie je één keer per jaar bijpraat. Zij weten nog dat mijn vader in het ziekenhuis lag. Wij hebben hun dochter Sofie naar school gebracht toen Marjan haar enkel brak. Met kerst deden we om en om: eerste kerstdag bij hen, tweede bij ons. Als een van ons jarig was, hoefde er niet eens overlegd te worden.
Daarom heb ik lang gedaan alsof de dingen die Marjan zei niet zoveel voorstelden.
Onze oudste, Daan, is 35 en woont sinds kort weer tijdelijk bij zijn moeder en mij in Barneveld. Hij is na twaalf jaar uit elkaar gegaan met zijn vriendin. Er was gedoe over het huurhuis en hij kon niet meteen iets anders vinden. Hij werkt gewoon, als planner bij een transportbedrijf, maar met de huren van nu en die hele krappe woningmarkt schiet het niet op. Hij betaalt kostgeld, doet boodschappen en op zaterdag maakt hij vaak de badkamer schoon, uit zichzelf nog wel.
Onze dochter Lotte is 32, alleenstaande moeder van Mees van zes. Zij woont in Amersfoort, werkt drie dagen in de zorg en brengt Mees soms op vrijdagmiddag bij ons. Niet omdat ze hem afschuift, zoals Marjan een keer zei, maar omdat ze ook weleens een late dienst heeft of gewoon moet slapen na een nachtdienst. Els en ik vinden het juist fijn. Mees heeft hier een la met Lego en een tandenborstel met een dino erop.
De eerste opmerking kwam ongeveer anderhalf jaar geleden, bij een etentje bij Henk en Marjan. Daan was die middag toevallig langs geweest en Els vertelde dat hij boven aan het klussen was met een nieuw bureautje.
Marjan zei: „Nou, die zit daar wel erg comfortabel voor een man van zijn leeftijd.”
Iedereen lachte een beetje. Ik ook, geloof ik. Niet omdat ik het grappig vond, maar omdat je soms automatisch meedoet. Henk vulde aan dat hun zoon Bas op zijn twintigste al op zichzelf woonde en alles zelf moest uitzoeken.
Ik zei nog: „Andere tijden. En Bas kon destijds een appartement kopen voor bedragen waar je nu nog geen parkeerplaats voor krijgt.”
Dat werd weggewuifd. Het bleef verder gezellig, dacht ik.
Els zei in de auto naar huis bijna niets. Thuis hing ze haar jas op, zette de vaatwasser aan en vroeg of ik echt niet hoorde wat Marjan zei.
Ik zei dat ze het vast niet zo bedoeld had.
Dat was achteraf een laf antwoord. Niet eens omdat ik zeker weet dat Marjan het wel verkeerd bedoelde. Ik weet nog steeds niet altijd wat haar bedoeling is. Maar Els vroeg niet wat Marjan bedoelde. Ze vroeg of ík het hoorde.
Daarna kwamen er meer van die momenten. Bij de nieuwjaarsborrel: dat Lotte Mees wel erg vaak bij ons bracht. Tijdens een fietstocht langs de IJssel: dat kinderen tegenwoordig overal een etiket voor krijgen, nadat Els vertelde dat Mees extra begeleiding op school kreeg met lezen. Op een terras in Harderwijk zei Marjan, terwijl ze haar cappuccino roerde, dat Lotte misschien beter wat minder zou kunnen werken als haar kind zoveel prikkels had.
Els zei toen: „Ze werkt 24 uur, Marjan.”
Marjan haalde haar schouders op. „Ja, ik zeg ook maar wat.”
Dat zinnetje begon me op den duur meer tegen te staan dan de opmerkingen zelf. Alsof het dan ineens niet meer bestond.
Ik bleef meestal sussen. Ik ben daar goed in, helaas. Ik zei tegen Els dat Marjan altijd al direct was geweest. Dat ze zich zorgen maakte, op haar eigen lompe manier. Dat we niet na 34 jaar vriendschap alles op scherp moesten zetten vanwege een paar vervelende opmerkingen.
Els werd dan niet boos. Dat was misschien nog erger. Ze zei alleen: „Het zijn geen paar opmerkingen, Kees. Jij bent er alleen niet degene die steeds moet uitleggen dat onze kinderen geen mislukking zijn.”
De echte ruzie kwam niet eens bij Henk en Marjan vandaan. Die kwam bij ons aan de keukentafel, op een dinsdagavond, toen Henk in onze groepsapp had gestuurd dat hij de camping voor juni kon vastleggen. Hij had er drie duimpjes en een foto van de plek bij gezet. Precies dezelfde plek als vorig jaar, vlak bij het sanitairgebouw. Els keek ernaar en legde haar telefoon omgekeerd op tafel.
„Ik ga niet mee,” zei ze.
Ik dacht eerst dat ze een grap maakte. Els slaat bijna nooit een vakantie af. Ze is degene die lijstjes maakt met wat er mee moet en altijd te veel koffie en houdbare melk koopt voor onderweg.
Maar ze keek me heel rustig aan.
„Niet zolang Marjan niet begrijpt dat ze op moet houden met dat oordelen over Daan en Lotte.”
Ik voelde direct irritatie, en daar schaam ik me voor. Niet om wat ze vroeg, maar omdat ik meteen dacht aan alles wat dan zou veranderen. Geen Ardèche. Geen vaste avonden bij de caravan. Geen Henk die om zeven uur al met een pilsje voor onze luifel staat. Misschien geen kerst meer zoals altijd. Ik zag vooral het gat dat zou vallen.
Ik zei dat ze mij in een onmogelijke positie bracht.
Els keek naar de fruitschaal alsof daar iets heel belangrijks in lag. Toen zei ze: „Nee. Ik vraag jou alleen om naast me te staan.”
Die zin bleef hangen. Ik sliep er slecht van, twee nachten achter elkaar.
De volgende ochtend heb ik Henk gebeld. Niet Marjan, hoewel dat misschien eerlijker was geweest. Henk en ik praten makkelijker; we kennen elkaar van de voetbalvereniging, nog voordat onze vrouwen elkaar goed kenden. Ik vertelde voorzichtig dat Els zich gekwetst voelde en dat de opmerkingen over de kinderen echt moesten stoppen.
Hij was eerst stil. Toen zei hij: „Jemig, Kees. Marjan bedoelt het niet kwaad. Maar goed, Els vat dingen ook snel persoonlijk op.”
Daar ging het bij mij mis. Ik zei dat het misschien juist persoonlijk wás als je iemands dochter een slechte moeder laat lijken en zijn zoon een profiteur. Henk werd kortaf. Hij zei dat ik woorden in zijn mond legde, of eigenlijk in die van Marjan.
Het gesprek eindigde met: „We praten er wel over.” Zo’n zin waar meestal niets goeds achter zit.
Twee dagen later stuurde Marjan Els een bericht. Geen excuus, meer een uitleg. Dat zij alleen bezorgd was, dat je als vrienden toch eerlijk moet kunnen zijn, en dat ze het jammer vond dat dit nu zo groot werd gemaakt. Els liet het mij lezen en zei: „Zie je? Ze vindt nog steeds dat het probleem is dat ik moeilijk doe.”
Ik kon daar niets zinnigs meer tegenin brengen.
We hebben de campingplek niet gereserveerd. Henk stuurde gisteren dat zij waarschijnlijk toch gaan, omdat annuleren zonde is en ze ernaar uitkijken. Ik gun het ze ook, echt. Dat maakt het zo verwarrend. Ik mis Henk al, terwijl hij nog niet eens weg is.
Els en ik hebben zelf nog niets geboekt. Misschien gaan we een week naar Texel, misschien blijven we thuis en passen we op Mees als Lotte extra diensten draait. Daan heeft gezegd dat hij in juni misschien eindelijk een studio kan krijgen via een collega, maar ik geloof het pas als hij de sleutel heeft.
Vanmiddag heb ik de campingstoelen weer van zolder gehaald. Els zag het en vroeg niet waar ik mee bezig was. Ze zette alleen koffie voor ons allebei. De stoelen staan nu in de schuur, niet in de caravan.