Onze donderdagmiddag werd een zorgtaak, en ik weet niet meer of ik nog een goede vriendin ben
Sinds een maand of acht maak ik op donderdag standaard extra koffie, ook al drinkt Marijke zelf bijna geen koffie meer. Ik zet dan een kannetje thee, leg beschuit klaar en haal de losse kleedjes van de bank, omdat ze daar met haar voeten achter blijft haken. Het zijn van die kleine handelingen die er vroeger niet toe deden. Nu bepalen ze hoe onze week eruitziet.
Marijke en Theo kennen wij al sinds de jaren tachtig. We woonden destijds allebei in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, met jonge kinderen, te weinig geld en van die bruine meubels die iedereen toen blijkbaar mooi vond. Theo hielp Kees ooit met het leggen van laminaat. Marijke stond bij mij in de keuken toen ik na de geboorte van onze jongste zoon alleen maar kon huilen. We gingen jarenlang samen kamperen in Frankrijk, later weekendjes naar Limburg. Het waren geen vrienden die je alleen met verjaardagen ziet. Zij waren gewoon verweven geraakt met ons leven.
Twee jaar geleden begon Marijke te veranderen. Eerst vergat ze afspraken en raakte ze in paniek in de supermarkt. Daarna kwam de beroerte, niet enorm zwaar volgens de neuroloog, maar zwaar genoeg om alles scheef te trekken. Haar linkerhand doet niet altijd wat zij wil. Ze is sneller moe, raakt de draad kwijt als er drie mensen tegelijk praten en soms is ze ineens boos op Theo omdat hij haar jas verkeerd aangeeft.
Theo doet bijna alles. Hij kookt, regelt de medicijnen, belt de huisarts, gaat mee naar de fysio en probeert haar nog een beetje onder de mensen te houden. Hun kinderen wonen niet om de hoek: een dochter in Zwolle met een druk gezin, een zoon in Eindhoven die wel belt maar niet vaak komt. Ik wil daar niet al te makkelijk over oordelen. Iedereen heeft zijn eigen leven. Maar Theo staat er in de praktijk vaak alleen voor.
Het idee van de donderdag kwam van hem. Hij vroeg het voorzichtig, aan onze eettafel, met zijn handen om een kop koffie die al koud was.
‘Zou Marijke misschien af en toe een middag bij jullie kunnen zijn? Dan kan ik even naar huis zonder steeds te luisteren of er iets gebeurt. Gewoon een paar uur.’
Kees zei meteen ja. Ik ook. Wat moest je anders zeggen tegen iemand die je al bijna veertig jaar kent en die er zó moe uitziet?
In het begin ging het goed. Theo bracht haar rond één uur, meestal met een tas waarin veel te veel zat: reserveondergoed, een vest, een schriftje met telefoonnummers, druivensuiker die ze helemaal niet gebruikt. Marijke zat dan bij het raam en vertelde soms verrassend helder over vroeger. Over haar moeder die op zaterdag de stoep schrobde. Over onze kampeervakantie bij Argelès, toen het drie dagen regende en Theo een lekkage in de tent met ducttape probeerde op te lossen.
Om vier uur kwam hij haar weer ophalen. Hij zag er dan vaak rustiger uit. Niet vrolijk precies, maar alsof zijn schouders weer iets lager konden hangen. Dat vond ik fijn om te zien.
Alleen werd een donderdagmiddag al snel geen middag meer. Theo kwam eerder omdat Marijke thuis onrustig was. Of later ophalen omdat hij eindelijk even had geslapen en door zijn wekker heen was geslapen. Een keer bleef ze tot half zeven omdat hij met de huisarts moest bellen. Dat snapte ik allemaal. Maar Kees en ik zeiden onze eigen dingen af zonder het er echt over te hebben.
Kees speelt op donderdagmiddag jeu de boules met een paar mannen van de club. Eerst ging hij nog wel, maar Marijke werd nerveus als hij weg was. ‘Waar is Kees nou?’ vroeg ze dan elke tien minuten. Dus bleef hij thuis. Hij ging dan in zijn werkkamer zitten, maar zij riep hem ook daarvandaan. Of ze wilde weten of de voordeur op slot zat. Of ze dacht dat haar tas weg was terwijl die naast haar stoel stond.
Ik merkte dat ik kortaf begon te worden, en daar schaamde ik me vreselijk voor. Marijke kan er ook niets aan doen. Ze kijkt soms naar me met zo’n kinderlijke schrik in haar ogen als ze merkt dat ze iets vergeten is. Dan pak ik haar hand en zeg ik dat het niet erg is. Maar ondertussen tel ik in mijn hoofd hoeveel keer ze die middag al naar Theo heeft gevraagd.
Vorige week zei Kees na afloop, toen Theo haar eindelijk had opgehaald: ‘Ik trek dit niet meer iedere week, Els.’
Hij stond de vaatwasser in te ruimen. Veel te hard. Hij zette een glas verkeerd neer, haalde het er weer uit en zette het alsnog bovenin.
Ik zei dat hij overdreef. Dat was niet eerlijk, denk ik nu. Hij overdreef niet. Hij zag er grauw uit en hij slaapt slecht sinds hij minder gaat wandelen en niet meer naar de club gaat.
‘We helpen Theo toch?’ zei ik.
‘Nee,’ zei Kees. ‘We vangen een zorgprobleem op waarvoor wij geen oplossing zijn. En jij doet alsof het hetzelfde is.’
Dat kwam hard aan. Misschien omdat ik wist dat er iets in zat. Ik zei dat echte vrienden niet verdwijnen zodra het lastig wordt. Kees werd daar kwaad van, niet schreeuwend, maar op die stille manier die erger is.
‘Dus als ik zeg dat het te veel wordt, ben ik geen echte vriend?’
Daar had ik geen goed antwoord op.
De volgende ochtend belde Theo. Hij klonk gejaagd. Marijke had de nacht ervoor bijna niet geslapen en was ervan overtuigd geweest dat haar overleden vader haar kwam halen. Theo had geprobeerd haar gerust te stellen, maar op een gegeven moment was hij zelf op de bank gaan zitten huilen, zei hij. Gewoon, omdat hij niet meer wist wat hij moest doen.
Toen vroeg hij of ze misschien ook op maandag een paar uur bij ons kon zijn. Niet voor altijd, zei hij meteen. Tot hij weer wat overzicht had. Hij had contact met de praktijkondersteuner van de huisarts en zou naar mantelzorgondersteuning kijken, maar daar ging blijkbaar niet zomaar volgende week iets van komen.
Ik hoorde mezelf zeggen dat ik het met Kees moest bespreken. Theo bleef een paar tellen stil. Daarna zei hij: ‘Natuurlijk. Ik snap het. Ik vraag al veel.’
Dat zinnetje zit nog steeds in mijn hoofd.
Kees hoorde het gesprek vanuit de hal. Toen ik ophing, zei hij niet direct iets. Hij trok zijn jas aan om boodschappen te doen, terwijl we eigenlijk nog genoeg melk hadden. Bij de deur zei hij alleen: ‘Zeg alsjeblieft niet alweer ja voordat wij het samen eens zijn.’
Ik heb Theo nog niet teruggebeld.
Maandag is overmorgen. Marijke stuurde vanmiddag via WhatsApp een foto van een vaas met tulpen die Theo blijkbaar voor haar had meegenomen. Er stond alleen onder: “mooie bloemen”. Ik heb een hartje teruggestuurd en daarna mijn telefoon omgedraaid op tafel gelegd.
Vanavond gaan Kees en ik praten. Niet over of Theo het zwaar heeft, want dat heeft hij. Ook niet over of Marijke hulp nodig heeft, want dat heeft ze ook. We moeten blijkbaar praten over iets waar ik nooit woorden voor heb hoeven hebben: hoeveel van ons leven nog van onszelf mag blijven, als mensen van wie we houden het niet redden.
En ik ben bang dat ik, welke kant we ook op gaan, iemand teleurstel.