Mijn man vindt dat ik drie dagen per week voor zijn moeder moet zorgen nu we met pensioen zijn
Vorige maand stond ik voor het eerst op een dinsdagochtend om half elf in mijn pyjama koffie te drinken. Geen wekker, geen trein naar Utrecht, geen broodtrommels die ik nog snel moest vullen voordat ik naar kantoor ging. Alleen regen tegen het raam en mijn man Kees die in de schuur rommelde met dozen waarvan hij al twintig jaar zegt dat hij ze gaat uitzoeken.
Ik was 63 en sinds twee weken met pensioen. Na 41 jaar bij dezelfde zorgverzekeraar, eerst aan de telefoon en later op de afdeling declaraties. Niet spectaculair, maar ik had altijd gewerkt. Ook toen onze dochters klein waren, ook toen mijn vader ziek werd, ook toen Kees een tijd zonder werk zat. Ik keek uit naar niks hoeven. Een cursus Spaans misschien. Met de camper een keer naar de Ardèche, buiten het hoogseizoen. Gewoon op dinsdag koffie drinken zonder dat ik ergens moest zijn.
Kees is 65. Hij stopte in januari. Hij had er moeite mee, denk ik. Hij doet alsof hij heerlijk bezig is met klussen, maar hij loopt vaak door het huis met zo’n onrustige blik. Zijn moeder, Ria, is 89 en woont alleen in Zwolle, in het flatje waar ze al bijna dertig jaar zit. Wij wonen in Amersfoort. De laatste jaren ging het steeds minder met haar. Ze vergeet afspraken, eet soms nauwelijks en is twee keer gevallen. Niet ernstig genoeg, volgens haarzelf, voor ‘gedoe met vreemden over de vloer’.
Ik mag Ria graag, laat dat duidelijk zijn. Ze kan scherp en bemoeizuchtig zijn, maar ze heeft ook altijd goed voor ons gezorgd op haar manier. Toen onze oudste, Lotte, werd geboren, stond ze wekenlang op woensdag met een pan soep voor de deur. Ze is niet mijn moeder, maar ik wil niet dat ze wegkwijnt in haar eentje.
Alleen: dat is iets anders dan wat Kees blijkbaar al voor zich zag.
Hij bracht het op een zondagavond ter sprake, tijdens Studio Sport. Ik was half aan het kijken, half op mijn telefoon aan het zoeken naar campings in Frankrijk.
‘Mam redt het niet meer alleen,’ zei hij.
Ik zei dat ik dat ook zag. Dat we misschien met haar huisarts of het wijkteam moesten praten. Mijn eigen moeder had thuiszorg gehad, dus ik wist een beetje hoe dat ging. Eerst kijken wat ze nog zelf kan, dan hulp aanvragen, personenalarmering misschien.
Kees zuchtte alsof ik expres moeilijk deed.
‘Ja, maar dat wil ze niet. Ze kent die mensen niet. Ik dacht: jij zou drie dagen per week daar kunnen zijn. Maandag tot woensdag bijvoorbeeld. Dan kan ze gewoon thuis blijven.’
Ik dacht eerst dat ik hem verkeerd verstond. Ik zei zelfs: ‘Ik?’
Hij knikte. Heel gewoon. Alsof hij voorstelde om een andere energieleverancier te nemen.
‘Je hebt nu toch tijd.’
Dat zinnetje bleef hangen. Je hebt nu toch tijd.
Alsof mijn tijd, omdat hij niet meer door een werkgever werd betaald, ineens los op tafel lag. Beschikbaar voor wie hem het hardst opeiste.
Ik zei dat drie dagen per week in Zwolle zijn geen klein beetje helpen is. Dat betekent daar slapen, koken, opletten of ze haar medicijnen inneemt, boodschappen doen, haar gezelschap houden. En wie doet dan de rest hier? Wie rijdt er terug als er iets is? Hij zei dat hij in het weekend dan bij haar kon zijn en dat we ‘het samen moesten dragen’.
Maar zijn deel bestond uit zaterdagmiddag langsgaan en de administratie regelen, terwijl ik daar bijna de helft van mijn week zou wonen.
Toen ik daar iets van zei, werd hij meteen kortaf. Hij zei dat ik alles in uren uitdrukte, terwijl het over zijn moeder ging. Daar voelde ik me schuldig van, en daar ben ik gevoelig voor. Mijn vader is ook lang afhankelijk geweest van hulp. Ik weet hoe naar het is als mensen doen alsof je een probleem bent dat verdeeld moet worden.
De volgende dag belde Ria me. Ze klonk opgelucht.
‘Wat lief dat je dit wilt doen, Marjan. Kees zei dat jij het zelf had voorgesteld.’
Ik stond met een mand schone was in mijn handen. Ik weet nog dat er een blauwe sok op de grond viel en dat ik hem niet meteen oppakte.
Ik had het zelf voorgesteld.
Ik heb haar niet gecorrigeerd. Dat is misschien laf geweest. Ik zei alleen dat Kees en ik nog moesten overleggen wat haalbaar was. Ze werd stil en zei toen: ‘O, nou, hij zei dat het al geregeld was.’
Toen Kees thuiskwam van de bouwmarkt, vroeg ik waarom hij tegen zijn moeder had gezegd dat ik dit wilde. Hij zei eerst dat hij dat niet zo had gezegd. Daarna dat hij haar niet onnodig ongerust wilde maken. En uiteindelijk: ‘Je weet toch dat jij beter met haar kunt dan ik.’
Dat was waar. Ria en hij botsen snel. Zij behandelt hem nog altijd alsof hij zestien is, en hij reageert dan als een boze puber. Maar dat maakte het niet mijn taak om de buffer tussen hen te worden.
We kregen ruzie. Geen mooie, verhelderende ruzie. Gewoon zo’n ruzie waarin je allebei dingen zegt die ergens vandaan komen, maar die je later liever niet terughoort.
Hij zei dat ik egoïstisch was nu zijn moeder kwetsbaar werd. Ik zei dat hij me gebruikte omdat het hem beter uitkwam. Hij zei: ‘Je bent haar schoondochter, dat is toch ook familie?’
Ik zei: ‘Blijkbaar ben ik vooral familie als er verzorging nodig is.’
Dat kwam harder uit mijn mond dan ik van plan was. Kees werd rood en zei dat ik zijn moeder als een last behandelde. Daarna heeft hij die nacht op de logeerkamer geslapen, wat belachelijk voelde in een huis waar we normaal niet eens apart televisie kijken.
De dagen erna deed hij inderdaad veel voor haar. Hij reed twee keer naar Zwolle, zat uren met haar aan de telefoon en regelde uiteindelijk een afspraak met de huisarts. Ik zag hoe moe hij daarvan werd. Hij is enig kind. Zijn vader is al twaalf jaar dood. Voor hem is er niemand om het mee te delen behalve ik.
Dat maakte mijn boosheid niet minder, maar wel ingewikkelder.
We hebben vorige week aan de keukentafel gezeten met zijn agenda, mijn agenda en een kladblok. Ik zei dat ik best één vaste dag per twee weken met hem mee wil, om Ria gezelschap te houden of mee te gaan naar een afspraak. Niet als zorgverlener, maar als schoondochter. En als er echt nood is, dan springen we natuurlijk bij.
Maar ik ga niet drie dagen per week daar wonen. Ik ga niet doen alsof ik vrijwillig iets kies wat al namens mij beloofd is. En ik wil dat hij professionele hulp onderzoekt, ook als zijn moeder daartegen protesteert. Thuiszorg, huishoudelijke hulp, personenalarmering, misschien op termijn iets anders. Niet alles hoeft meteen perfect, maar wij kunnen niet haar hele vangnet zijn tot we er zelf aan onderdoor gaan.
Ik heb ook gezegd dat ik eind september met mijn zus een week naar Texel ga. We hadden dat al vaag bedacht, maar ik heb het nu geboekt. Kees vond dat pijnlijk, omdat hij bang is dat er juist dan iets met zijn moeder gebeurt. Dat snap ik. Tegelijkertijd kan er altijd iets gebeuren. Als ik daarop wacht, ga ik nergens meer heen.
Hij praat nog steeds minder makkelijk met me dan normaal. Soms merk ik dat hij eigenlijk wil zeggen dat hij bang is, maar dan begint hij over praktische dingen: dat haar koelkast leeg was, dat ze haar bril kwijt was, dat de buurvrouw ook al had geklaagd over harde televisie.
Vanmorgen zei hij dat hij donderdag met Ria naar de huisarts gaat. Ik vroeg of hij wilde dat ik meeging. Hij keek me even aan en zei: ‘Nee. Ik denk dat ik dit zelf moet doen.’
Ik weet niet of dat een verwijt was of gewoon de waarheid. Misschien allebei.
Ik heb daarna mijn koffie gezet, mijn wandelschoenen aangetrokken en ben naar het bos gegaan. Niet omdat alles nu opgelost is. Thuis ligt nog steeds dat kladblok op tafel, met onderaan in Kees zijn handschrift: “kijken naar zorg”. Maar ik was wel op tijd terug voor de monteur van de cv-ketel. Ook dat moest gewoon gebeuren.