Na dertig jaar werd onze zaterdagavond ineens iets waar ik tegenop zag
Ik heb nog steeds een groepsapp die ‘Zaterdagclub’ heet. Er staan foto’s in van veel te volle tafels, van Kees die ooit met een papieren koksmuts een pan mosselen stond te roeren, van onze vrouwen op Texel met van die gele regenjassen aan. Soms kijk ik er ’s avonds doorheen als Marjan al boven is.
Het is niet eens dat ik terug wil naar precies vroeger. Ik weet ook wel dat we ouder worden. De ene heeft een nieuwe heup, de ander past op vrijdag op de kleinkinderen, en een avond doorzakken betekent tegenwoordig twee dagen hoofdpijn. Maar vroeger was zaterdag gewoon simpel. Om een uur of zes kwam er een berichtje: bij wie, wat eten we, neemt iemand wijn mee? Dan zaten we met z’n tienen bij een Italiaan in Amersfoort, of bij ons aan de eettafel in Soest. Niet bijzonder, maar wel vast.
Marjan regelde alles. Dat deed ze graag, denk ik. Ze wist wie geen koriander lustte, wie net uit een dieet kwam en wie er slecht tegen kon als er op het laatste moment werd afgezegd. Ik was meer degene die de boel een beetje bij elkaar hield. Even bij Theo vragen hoe het met zijn broer ging, Ingrid apart appen als ze stil was in de groep. Dat soort dingen.
Vorig voorjaar kreeg Marjan na een controle bij de huisarts te horen dat haar bloeddruk te hoog was. Niet dramatisch, zei de huisarts volgens mij, maar wel iets om serieus te nemen. Marjan pakte het aan zoals ze alles aanpakt: volledig. Binnen een paar weken geen alcohol meer, geen suiker, geen brood, nauwelijks zuivel. Ze luisterde podcasts over ontstekingen en darmflora en bestelde glazen voorraadpotten waarin ze linzen, boekweit en zaden deed.
Eerlijk is eerlijk: ze knapte ervan op. Ze viel af, sliep beter en had meer energie. Ik vond dat fijn om te zien. Marjan kan soms somber worden in de winter, wat niemand echt merkt omdat ze dan juist extra druk doet. Nu stond ze ’s ochtends te rekken in de woonkamer en zei ze dat haar hoofd helderder was.
Alleen veranderde ons huis ook. De wijnkast ging weg. Niet leeggedronken, gewoon via Marktplaats verkocht. De oude servieskast ook, want daar stonden volgens haar te veel spullen in die we nooit gebruikten. Ze gaf onze grote braadpan aan mijn dochter, omdat er een antiaanbaklaag in zat waar Marjan geen vertrouwen meer in had.
Ik plaagde haar er eerst een beetje mee. ‘Straks moet ik een formulier invullen voordat ik een plak kaas mag pakken.’
Ze lachte toen nog. Later niet meer.
De eerste keer dat het wrikte, was bij het afscheidsetentje van Theo, die met pensioen ging bij de gemeente. We hadden al maanden gereserveerd bij een restaurant waar we vaker kwamen. Marjan zei drie dagen van tevoren dat ze niet meeging.
‘Ze bakken daar alles in rommel,’ zei ze. ‘En ik wil niet de hele avond zitten kijken hoe jullie drie gangen wegwerken.’
Ik zei dat ze ook een salade kon nemen. Dat klonk flauw, terwijl ik het zei.
‘Het gaat niet om een salade, Henk. Ik probeer iets te veranderen. Dan ga jij toch niet doen alsof ik moeilijk doe omdat ik niet meer mee wil in dat oude patroon?’
Ik ben alleen gegaan. Theo deed alsof hij het begreep, maar ik zag dat hij gekwetst was. Zijn vrouw Els zei: ‘Jammer, we hadden haar tafelkaartje al gemaakt.’ Daarna bestelde ze een tweede glas wijn en begon over iets anders.
Bij ons thuis wilde Marjan de zaterdagavonden wel houden, maar dan anders. Iedereen mocht eigen eten meenemen, mits het plantaardig en zo veel mogelijk biologisch was. Geen chips, geen kaasplankje, geen wijn. Ze had een bericht voor de groepsapp opgesteld en vroeg of ik het wilde lezen.
Ik heb er een kwartier naar gekeken. Het was netjes geschreven, misschien té netjes. Iets over bewust samenkomen en elkaar inspireren. Ze wilde ook graag dat mensen hun eten in glazen bakken meenamen, om afval te beperken.
Ik zei dat dat misschien wat veel regels waren.
Marjan keek me aan alsof ik haar had verraden. ‘Dus jij vindt gezondheid een regel.’
Dat bedoelde ik niet. Of nou ja, een beetje wel. Niet gezondheid, maar het idee dat een gewone zaterdagavond ineens voelde als een bijeenkomst waarvoor je moest studeren.
De eerste twee keer kwam iedereen nog. Kees nam een schaal geroosterde groente mee en zei veel te hard dat hij zich nog nooit zo verantwoord had gevoeld. Hij bedoelde het als grap, maar Marjan trok wit weg. Ingrid had gewone hummus gekocht en vroeg bij binnenkomst of daar misschien toch suiker in zat. Niemand wist meer wat hij normaal moest doen.
Ik miste het geluid van een kurk die eruit ging. Belachelijk misschien, maar ik miste het. Ik miste ook dat iemand zomaar een zak borrelnoten op tafel kon zetten zonder eerst zijn ingrediëntenlijst te moeten verdedigen.
Een week later belde Theo mij, niet Marjan. Hij zei dat hij de groep bij hem thuis wilde uitnodigen en dat iedereen zelf kon bepalen wat hij at of dronk. ‘Niet als statement tegen Marjan,’ voegde hij er meteen aan toe. ‘Maar we willen elkaar niet kwijt omdat we bang zijn om een stroopwafel mee te nemen.’
Ik zei dat ik het begreep. Ik zei ook dat Marjan dat waarschijnlijk niet zo zou zien.
Dat bleek te kloppen.
Toen ik het haar vertelde, stond ze bloemkoolrijst in bakjes te doen voor de vriezer. Ze zette het deksel scheef op een bakje en drukte het vervolgens veel te hard dicht.
‘Dus ze verplaatsen de club omdat ik niet meer geschikt ben als gastvrouw.’
‘Nee, ze willen gewoon ook eens zonder gedoe bij elkaar zitten.’
Ik hoorde mezelf het zeggen en had er meteen spijt van. Gedoe. Alsof zij gedoe was.
Ze zei heel zacht: ‘Ik heb dertig jaar voor iedereen gezorgd. Ik wist altijd wie er jarig was, wie ergens doorheen zat, wie geen geld had om mee te gaan en voor wie we dan stilletjes betaalden. En nu ik één keer vraag of mensen moeite voor míj doen, is het gedoe.’
Daar had ze gelijk in. Niet helemaal, maar genoeg om me stil te krijgen.
We zijn die zaterdag toch naar Theo gegaan. Marjan ging mee, na lang twijfelen. Ze nam haar eigen eten mee in een rvs trommel. Theo had buiten de barbecue aan, ondanks de kou. Er was bier, er was stokbrood met kruidenboter en er stond ook een grote schaal salade zonder dressing, speciaal voor haar. Els had die gemaakt.
Marjan bedankte haar, maar ik zag dat ze moeite had niet te zeggen wat er allemaal nog in kon zitten.
Aan het einde van de avond zat zij binnen met Ingrid te praten over bloeddrukmedicatie en de overgang. Buiten stond ik met Theo onder de terrasverwarmer. Hij gaf me geen advies. Hij zei alleen dat hij haar miste zoals ze was, en dat hij tegelijk zag dat ze eindelijk iets voor zichzelf deed.
Sindsdien komen we niet meer elke week allemaal samen. Soms gaat Marjan mee, soms niet. Vorige maand heeft ze bij ons een etentje georganiseerd met soep van geroosterde pompoen en zelfgebakken crackers. Kees had stiekem een fles rode wijn in zijn fietstas, maar vroeg eerst of hij hem open mocht maken. Marjan zei na een lange stilte: ‘Als jullie de kurk en de lege fles maar weer meenemen.’
Iedereen lachte iets te opgelucht.
Ik ook. En daarna heb ik voor mezelf een klein glas ingeschonken, aan de keukentafel, terwijl Marjan de soep opschepte.