Mijn man wil na zijn pensioen niet meer mee met onze vaste vriendengroep, maar ik durf niet zomaar alles los te laten

Vorige week zat ik met mijn telefoon in mijn hand aan de keukentafel, terwijl Kees in de bijkeuken de vaatwasser uitruimde. Op het scherm stond een bericht van Marga: of we vóór zondag konden laten weten of we meegingen naar Puglia. Tien dagen, een masseria, wijnproeverij, huurauto’s, het hele programma was al bijna geregeld. Aanbetaling: 1.250 euro per persoon.

Ik las het bericht drie keer, alsof er bij de derde keer iets anders zou staan.

Kees kwam binnen met twee glazen in zijn hand en zag meteen mijn gezicht.

“Ze willen zeker weer ergens heen,” zei hij.

Ik knikte.

“Zeg maar vast nee namens mij.”

Zo zei hij het. Niet boos, niet eens hard. Alsof het ging om een folder van een energiebedrijf die je weggooit. Maar ik voelde mijn maag samentrekken.

We kennen deze groep al sinds eind jaren tachtig. Marga en Hans, Irene en Paul, Willem, die na zijn scheiding alleen is gebleven, en wij. Eerst kwamen de etentjes omdat we allemaal jonge kinderen hadden en niet te ver van elkaar woonden, in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort. Dan zette iemand een grote pan pasta op tafel, renden de kinderen door de gang en dronk je te veel goedkope rode wijn omdat je eindelijk eens met volwassenen kon praten.

De kinderen zijn inmiddels allemaal de deur uit. Sommigen wonen in Utrecht, eentje in Zwolle, onze dochter zelfs in Antwerpen. Maar wij zijn gebleven. Iedere eerste vrijdag van de maand eten we bij iemand thuis. In de zomer fietsen we, of we zitten met kleedjes en salades bij het water. Met oud en nieuw zijn we bijna altijd samen. Het is niet dat we elke dag bij elkaar over de vloer komen, maar ik weet wel wie er een nieuwe knie krijgt, wie gedoe heeft met een dochter, wie bang is dat zijn bedrijf niet goed loopt. Dat soort mensen zijn het.

Kees vond het vroeger ook leuk. Hij was altijd degene die de barbecue te vroeg aanstak en dan riep dat het vuur “nog even moest trekken”. Hij kon met Hans eindeloos praten over fietsen, gereedschap en voetbal, al deed hij alsof het hem niets interesseerde.

Sinds hij in januari met pensioen is, is er iets verschoven. Hij heeft 41 jaar bij de gemeente gewerkt, voornamelijk op de afdeling beheer openbare ruimte. Geen baan waar hij thuis veel over sprak, maar hij stond wel iedere ochtend om kwart voor zeven op. Nu is hij vaak al om half acht terug van een wandeling. Hij drinkt koffie in stilte, leest de krant van voor naar achter en rommelt wat in de schuur.

Ik dacht eerst dat hij gewoon moest wennen. Iedereen zegt dat toch, na pensioen: geef het tijd.

Maar hij wil steeds minder. Niet meer op zaterdag naar verjaardagen. Geen spontane borrels. Geen weekendjes weg met de groep. Als we ergens zijn, kijkt hij na twee uur al op zijn horloge. Hij zegt niet dat hij de mensen niet aardig vindt. Hij zegt juist steeds: “Het ligt niet aan hen.”

Dat maakt het voor mij bijna erger, want waar ligt het dan wel aan?

In april gingen we eten bij Irene en Paul. Het was zo’n avond waarop eigenlijk niets misgaat. Irene had stoofvlees gemaakt, er stonden kaarsen op tafel, Willem vertelde een verhaal over zijn buurman dat veel te lang duurde maar toch iedereen liet lachen. Ik zat naast Marga en we hadden het over haar kleindochter, die misschien dyslexie heeft. Gewoon, vertrouwd.

Onderweg naar huis zei Kees: “Ik trek dit niet meer elke maand.”

Ik dacht dat hij een grap maakte. Maar hij keek voor zich uit.

“Wat trek je niet meer?” vroeg ik.

“Dat gepraat. Altijd hetzelfde. Iedereen moet overal iets van vinden. En dan die planning. Alsof je nog op je werk zit.”

Ik werd meteen boos. Niet eens omdat hij ongelijk had. Soms vind ik Willem ook vermoeiend en Marga kan nogal bepalen hoe iets moet. Maar ik hoorde vooral dat hij iets van mij af wilde pakken.

“Je hoeft niet altijd zo lang te blijven,” zei ik.

“Dan ben jij de hele avond bezig met of ik me wel vermaak.”

Dat was niet helemaal eerlijk, want dat doe ik niet altijd. Maar soms wel. Vooral de laatste tijd. Ik zie hem stiller worden aan tafel en dan ga ik juist harder praten, of ik schenk zijn glas bij, of ik vraag of hij nog iets wil. Alsof ik hem weer mee kan trekken door gewoon extra gezellig te doen.

De reis naar Puglia kwam niet uit de lucht vallen. Vorig jaar waren we met z’n allen een midweek naar Limburg geweest. Kees heeft daar achteraf ook over geklaagd. Over het schema, over het gedeelde ontbijt, over dat Willem om zeven uur al met wandelstokken bij de deur stond. Maar op de foto’s staat hij wel lachend, met een glas bier in zijn hand naast Hans. Ik weet dat foto’s niets bewijzen. Toch hield ik me eraan vast.

Toen ik die avond zei dat ik de aanbetaling wel erg hoog vond, zei Kees: “Het geld is het probleem niet. Ik wil gewoon niet.”

“Maar ik wil wel,” zei ik.

Hij keek me toen eindelijk aan. “Ga dan.”

Dat had ik niet verwacht. Ik weet nog dat de koelkast aansloeg en dat ik dacht: wat een raar geluid maakt dat ding ineens.

“Alleen?” vroeg ik.

“Ja. Waarom niet?”

Omdat je niet alleen gaat, wilde ik zeggen. Niet op zo’n reis. Dan ben je ineens Els zonder Kees, en iedereen vraagt de eerste drie dagen waar je man is en daarna doen ze overdreven normaal. Omdat Marga dan zegt dat ze het begrijpt, maar Irene mij later appt of het wel goed gaat tussen ons. Omdat ik bang ben dat het dan niet alleen over een vakantie gaat.

Maar ik zei alleen: “Dat weet je toch wel.”

Hij haalde zijn schouders op. Daar werd ik woedend van. Ik zei dat hij egoïstisch was. Dat hij nu hij eindelijk tijd had, besloot dat ik kleiner moest gaan leven. Hij zei dat ik hem behandelde alsof hij verplicht was gezellig te zijn om mij gerust te stellen.

Daar zat iets in waar ik niet bij wilde.

De volgende ochtend heb ik Marga opgebeld. Niet om iets definitiefs te zeggen, alleen omdat ik niet wist wat ik anders moest. Ik vertelde meer dan ik van plan was. Dat Kees moeite had met alle afspraken sinds zijn pensioen. Dat hij waarschijnlijk niet mee wilde.

Marga was eerst stil. Toen zei ze: “Ach Els, hij is altijd wat stiller geweest. Maar dit is wel jammer. We worden niet jonger, hè. Juist nu moet je dit soort dingen doen.”

Ik weet dat ze het niet kwaad bedoelde. Toch voelde het alsof ik een onvoldoende kreeg.

Later stuurde Hans in de groepsapp: “We moeten dit weekend echt boeken, anders zijn die kamers weg.” Meteen daaronder kwamen duimpjes, een vliegtuigje, een foto van Paul met een strohoed op die hij ergens had gepast. Iedereen had er zin in. Ik zat op de bank naast Kees, die een kruiswoordpuzzel deed, en ik wilde hem haten om hoe rustig hij eruitzag.

Maar die avond, toen ik naar boven ging, zag ik hem op de logeerkamer zitten. Niet te puzzelen. Hij zat gewoon op de rand van het bed, in het donker, met zijn handen tussen zijn knieën.

Ik vroeg of er iets was.

Hij zei: “Ik ben de hele dag moe van niks. Dat is toch ook niet normaal?”

Toen schrok ik. Niet omdat ik meteen dacht aan iets medisch, maar omdat ik besefte dat ik al maanden vooral bezig was met wat zijn veranderde gedrag voor míj betekende. Niet met hoe het voor hem moest zijn. Hij zei dat hij soms bang is dat dit het dan was: geen werk meer, geen reden om ergens heen te gaan, en dan mensen die vragen wat hij nu allemaal gaat doen alsof hij een leuk project is.

“Bij hen bedoelt niemand het verkeerd,” zei hij. “Maar ik wil niet steeds uitleggen dat ik nog niet weet wie ik zonder werk ben.”

We zijn nog nergens uit. Ik heb Marga gisteren gezegd dat ik waarschijnlijk alleen mee wil, maar dat ik het nog niet zeker weet. Kees zei dat hij dat echt zou begrijpen. Hij heeft zelfs aangeboden mij naar Schiphol te brengen, wat zo’n treurige oplossing is dat ik er bijna om moest lachen.

Vanmiddag gaan we wandelen en daarna kijken we naar een paar kleinere vakanties voor ons tweeën, ergens waar geen programma ligt en niemand op ons wacht. De groep wil zondag antwoord. Mijn koffer staat natuurlijk nog niet klaar. Maar ik heb ook nog niet op ‘nee’ gedrukt.