Mijn man wil een jaar naar Ecuador, en ik durf niet te zeggen dat ik vooral bang ben om onze vrienden kwijt te raken
Vorige week donderdag stond ik om half zes spruitjes schoon te maken toen Bas met zijn telefoon de keuken binnenkwam. Hij had die blik die hij vroeger had als hij vlak voor een vakantie nog een goedkoop hotel had gevonden of als hij onverwacht kaartjes voor een concert had geregeld.
„Ze willen ons hebben,” zei hij.
Ik wist meteen waar hij het over had. Het project in Ecuador. Een kleine organisatie die jongeren helpt met naschoolse opvang en sportactiviteiten, ergens buiten Cuenca. Bas had zich aangemeld nadat hij een lezing in de bibliotheek had bijgewoond. Eerst zou hij alleen wat informatie opvragen. Toen hadden we een online gesprek. Daarna kwamen er mails met foto’s van een gebouw met afgebladderde gele muren, een voetbalveldje en lachende kinderen.
En nu wilden ze dat we van september tot juli kwamen.
Bas als klusjesman en begeleider bij sportactiviteiten. Ik zou kunnen helpen met administratie, Engelse les of wat er maar nodig was. Huisvesting zou geregeld zijn. We zouden zelf onze tickets betalen en een bijdrage aan de kosten van het project.
„Het is echt,” zei hij. Hij legde zijn hand op mijn schouder, nog met zijn jas aan. „Dit is precies wat ik bedoelde, Els.”
Ik zei dat de spruitjes overkookten, terwijl ze nog niet eens op het vuur stonden.
Bas is 64. Hij heeft bijna veertig jaar bij de gemeente gewerkt, eerst bij groenvoorziening en later als opzichter. Hij was goed in zijn werk, maar hij is nooit iemand geweest die er met veel woorden over sprak. Sinds zijn afscheidsborrel in mei is hij rusteloos. De eerste weken ging het nog wel. Hij schilderde het schuurtje, sorteerde zijn gereedschap, fietste stukken die hij vroeger alleen op zondag fietste. Maar daarna begon hij ’s ochtends steeds later op te staan.
Hij zei niet dat hij somber was. Bas zou dat woord niet snel gebruiken. Hij werd alleen stiller. Soms zat hij na het ontbijt op zijn tablet naar filmpjes te kijken over projecten in Peru, Bolivia, Ecuador. Dan zei hij dingen als: „Je moet toch nog iets doen waar iemand wat aan heeft.”
Ik begreep dat best. Echt. Ik werk zelf nog twee ochtenden per week bij de apotheek, maar ik bouw ook al af. Je merkt ineens dat niemand meer op je wacht op maandagmorgen. Dat de weken groter worden. Je agenda leger.
Alleen is mijn lege agenda niet echt leeg.
Wij wonen al 31 jaar in Deventer, in hetzelfde rijtjeshuis vlak bij het park. Iedere woensdag eten we met onze vriendengroep. Niet altijd bij elkaar thuis, soms bij de Italiaan of gewoon soep met brood na een wandeling, maar de woensdag staat vast. Met z’n achten waren we vroeger, nu met z’n zevenen sinds Henk twee jaar geleden is overleden. Henk was de man van Marjan. Sindsdien komt Marjan nog steeds, soms te vrolijk en soms zo stil dat je haar bestek hoort.
Daarnaast hebben we onze zaterdagactiviteiten. Jeu de boules in de zomer, museumbezoekjes, een rommelmarkt, vorig jaar een weekend naar Ameland. Geen spectaculaire dingen. Juist daarom zijn ze zo verweven geraakt met mijn leven.
Als mijn moeder naar het ziekenhuis moest, zat Anja naast me in de wachtkamer met een lauwe automatenkoffie. Toen Bas vorig jaar zijn knie liet opereren, bracht Koos twee weken lang boodschappen mee zonder dat we erom vroegen. En toen onze dochter Lotte in Groningen na haar scheiding weer bij ons op de bank zat te huilen, kwamen Marjan en ik niet met adviezen maar met wijn en een veel te grote schaal lasagne.
Dat klinkt misschien afhankelijk. Misschien zijn we dat ook wel een beetje. Maar op onze leeftijd vind ik dat geen vies woord meer.
Die woensdag hebben we het verteld. We zaten bij Anja en Koos. Er was witlof met ham en kaas, want Anja maakt dat altijd als ze geen zin heeft om lang in de keuken te staan. Bas vertelde enthousiast. Hij had zelfs al uitgezocht hoe hoog Cuenca ligt en dat je er in het begin last van de ijle lucht kunt hebben.
Koos floot zachtjes door zijn tanden. „Een heel jaar?”
„Ja,” zei Bas. „Als we het doen, dan goed.”
Anja keek eerst naar mij. Niet naar Bas. „En jij wilt dat ook?”
Ik haatte die vraag, omdat ik niet meteen ja kon zeggen. Maar ik haatte ook dat iedereen wachtte.
„Ik weet het nog niet,” zei ik.
Bas keek naar zijn bord. Niet boos, meer alsof ik iets had laten vallen waar hij zich op verheugd had.
Marjan zei dat ze het geweldig vond. „Je bent toch niet ineens klaar omdat je AOW krijgt? Als ik iets had waar ik zo van ging glimmen, zou ik het doen.” Ze zei het fel, en ik wist dat ze eigenlijk ook iets anders zei. Sinds Henk dood is, heeft ze vaak het gevoel dat ze te lang hebben gewacht met dingen.
Koos was minder enthousiast. Hij vroeg hoe het met verzekeringen zat, met medische zorg, met de bijdrage die we moesten betalen. Daarna zei hij: „Ik vind het prachtig hoor, maar jullie zijn geen twintig meer. Je laat hier ook nogal wat achter.”
Bas antwoordde dat we geen kinderen meer thuis hadden en ons huis niet hoefden te verkopen. Dat we videobellen konden. Dat een jaar snel voorbij is.
Toen zei Anja, heel zacht: „Maar wij zijn hier ook nog.”
Het viel stil. Niet lang, misschien tien seconden. Toch voelde het alsof iedereen ineens wist dat het niet alleen ging over Ecuador.
Later, thuis, zei Bas dat hij zich door Koos behandeld voelde alsof hij onverantwoordelijk was. Ik zei dat Koos misschien gewoon bezorgd was. Dat werd een gesprek waarin we allebei vooral reageerden op woorden die de ander niet eens had gebruikt.
Bas vroeg of ik dan van plan was de rest van mijn leven iedere woensdag witlof te eten omdat ik bang was dat mensen ons zouden vergeten.
Dat deed pijn. Ik zei dat hij makkelijk praten had, omdat hij overal aansluiting vindt. Bas maakt binnen een kwartier een praatje met een onbekende in de bouwmarkt. Ik heb daar meer tijd voor nodig. Onze vrienden zijn niet zomaar mensen met wie ik iets afspreek. Zij kennen de versie van mij vóór de overgang, vóór de verhuizing van de kinderen, vóór de zorgen om mijn vader. Zij weten waarom ik niet tegen kamperen kan en waarom ik op verjaardagen altijd te vroeg afwas ga doen.
„Dus ik moet hier blijven omdat jij je veilig wilt voelen?” vroeg hij.
„Nee,” zei ik. „Maar ik wil niet doen alsof jouw nieuwe leven belangrijker is dan mijn bestaande.”
Daarna sliepen we slecht. Of eigenlijk sliep Bas snel in en lag ik wakker. Dat is nog erger, soms.
De volgende ochtend had hij de contracten uitgeprint. Ze lagen op de eettafel naast de krant en een reclamefolder van de Gamma. Hij zei dat hij een keuze wilde vóór het einde van de maand, omdat de organisatie anders iemand anders zoekt.
Ik heb die papieren niet aangeraakt. Niet uit protest. Ik wist gewoon niet wat ik erop moest zoeken. Een reden om nee te zeggen of toestemming om ja te zeggen.
Marjan belde me gisteren. Ze zei dat ze zich had bemoeid en dat het haar speet. Daarna vertelde ze dat ze het juist vreselijk zou vinden als wij weggaan. „Henk en ik dachten altijd dat we later met jullie een huisje in Frankrijk zouden huren,” zei ze. „Dat is er niet van gekomen. En nu ben ik bang dat alles steeds kleiner wordt.”
Dat begreep ik misschien nog beter dan haar advies.
Vanmiddag heb ik Anja geappt of ze koffie wilde drinken. Niet om toestemming te vragen, al klinkt het misschien wel zo. Ik wil haar vertellen dat ik bang ben. Ook dat ik me schaam voor die angst, want een jaar is geen afscheid en vriendschap zou tegen een vliegticket moeten kunnen.
Maar ik weet ook dat sommige dingen niet kapotgaan met ruzie. Ze verdwijnen doordat je er niet bent op woensdagavond, doordat iemand anders naast je vaste plek aan tafel gaat zitten, doordat er een grap ontstaat die je pas drie weken later hoort.
Bas komt straks terug van de fietstocht met Koos. Ik ben benieuwd of ze over Ecuador hebben gepraat of over de wedstrijd van Go Ahead. Misschien allebei niet.
De contracten liggen nog steeds op tafel. Ik heb er vanochtend een schaal appels bovenop gezet, alsof dat iets beslist.