Na veertig jaar vriendschap bleek er ineens alleen nog ruimte voor vaste dagen
De eerste keer dat ik merkte dat er iets veranderd was, stond ik met twee mokken koffie in mijn handen in mijn eigen keuken. Dat klinkt misschien belachelijk, maar ik had automatisch water opgezet voor twee personen. Bas was toen drie maanden dood.
Ik zette één mok terug in de kast en appte Ineke: of ze zin had om die middag even langs te komen. Geen zwaar gedoe, schreef ik erbij. Gewoon koffie. Ik had appeltaart uit de diepvries gehaald, zo’n kleintje van de Albert Heijn die Bas altijd te droog vond.
Ze reageerde pas tegen zessen. Ze hadden een rustige dag gehouden, schreef ze, en waren niet aan bezoek toe. “Maar volgende week bellen we je even, hè?”
Ik weet nog dat ik naar dat scherm zat te kijken alsof ik een zin niet goed begreep. Ineke en Rob waren nooit mensen geweest die eerst moesten bekijken of ze ‘aan bezoek toe’ waren. Wij kwamen al bijna veertig jaar bij elkaar over de vloer. Soms zelfs zonder aan te bellen, vroeger dan. Met jonge kinderen, natte jassen over stoelen, tassen met zwemspullen in de gang. We gingen ieder jaar een weekend naar de Veluwe, en later, toen de kinderen uit huis waren, een paar dagen naar een huisje in Zeeland. Oud en nieuw vierden we om en om bij hen of bij ons.
Bas en Rob kenden elkaar van de technische dienst bij de gemeente. Ze waren geen praters, allebei niet. Maar als er een schutting moest worden gezet, een dakgoot lekte of iemand moest verhuizen, stonden ze er. Ineke en ik noemden hen voor de grap onze klusjesmannen.
Na de uitvaart waren Ineke en Rob er ook. Rob had de broodjes geregeld. Ineke had mijn zus opgevangen toen die in de keuken begon te huilen omdat ze niet wist waar de lepeltjes lagen. Ze waren zorgzaam geweest, echt. Daarom voelde het misschien zo vreemd dat ze daarna steeds iets verder weg leken te staan.
Niet in één keer. Ze bleven me uitnodigen voor de dingen die al jaren vastlagen. De paaseierenbrunch met de kinderen en kleinkinderen. Ineke’s verjaardag in juni. Het jaarlijkse gourmetten tussen kerst en oud en nieuw, waar we allemaal al van tevoren over klagen en toch weer te veel eten.
Maar als ik tussendoor vroeg of ze wilden wandelen, was Rob zijn knie lastig of wilden ze een dag niets. Als ik voorstelde om samen ergens te lunchen, hadden ze al plannen. Soms waren die plannen gewoon: thuis zijn.
Dat mag natuurlijk. Dat zeg ik ook tegen mezelf. Mensen mogen thuis zijn.
Alleen wist ik inmiddels dat ‘thuis zijn’ bij hen niet altijd betekende wat ik vroeger dacht. Via Facebook zag ik foto’s van een terras in Amersfoort met een ander stel uit hun straat. Of een middag met hun kleindochter. Dat gun ik ze allemaal. Ik ben niet jaloers op hun kleindochter, laat dat duidelijk zijn. Maar het maakte die afwijzingen wel persoonlijker dan ze waarschijnlijk bedoeld waren.
In november, bijna een jaar na Bas, ben ik erover begonnen. We zaten bij hen aan tafel. Ineke had pompoensoep gemaakt. Rob was bezig met een ingewikkeld verhaal over zonnepanelen, maar ik hoorde eigenlijk niet wat hij zei.
Ik zei: “Ik heb soms het gevoel dat jullie me alleen nog zien op afspraken die al bestonden toen Bas nog leefde.”
Het werd stil. Niet vreselijk lang, maar lang genoeg om te merken dat ze dit niet hadden zien aankomen. Of misschien juist wel.
Ineke legde haar lepel neer. “Marjan, we zien je graag. Dat weet je toch?”
“Maar?” zei ik. Ik had dat niet willen zeggen, maar het kwam eruit.
Rob keek naar zijn bord. “We proberen ons leven wat rustiger te maken. Dat doen we niet alleen bij jou. We hebben de laatste jaren met veel mensen minder contact.”
Hij zei het nogal zakelijk, alsof hij een abonnement opzegde.
Ineke vertelde dat ze zich de afgelopen jaren opgejaagd had gevoeld. Eerst haar moeder in het verpleeghuis, toen de verbouwing, de kleinkinderen, verjaardagen, etentjes, appgroepen. Ze wilde niet meer iedere vrije middag ergens heen of iemand ontvangen. Rob knikte daar steeds bij.
“Wij zijn nu zestigplus,” zei hij. “We hebben veertig jaar van alles gedaan. Mag het ook een beetje minder?”
Ik voelde me op dat moment heel klein en ook heel boos. Want ik had hen niet gevraagd om iedere middag naast me op de bank te zitten. Ik wilde soms gewoon dat iemand zei: ik kom even langs, hoe gaat het nou werkelijk met je?
Dat zei ik ook. Harder dan nodig misschien.
Ineke kreeg tranen in haar ogen en daar schaam ik me nog steeds voor. Ze zei dat ze zich schuldig voelde, maar dat schuldgevoel haar niet meer beschikbaar maakte. “Als jij appt en ik voel meteen druk, dan ga ik juist dicht,” zei ze.
Daarna hebben we het over iets anders gehad. Over de kinderen van haar zoon, geloof ik. Ik ging naar huis met mijn jas nog half open, omdat ik zo snel weg wilde dat ik bij de voordeur niet eens goed had gekeken.
In januari hoorde ik dat ze in het voorjaar zes weken naar Japan zouden gaan. Rob vertelde het terloops aan de telefoon. Ze hadden er lang voor gespaard en wilden het nu doen zolang ze nog goed konden lopen, zei hij. Ik zei dat het fantastisch klonk. Dat meende ik ook. Japan lijkt me prachtig.
Maar ik wachtte op de zin die niet kwam. Iets als: je zou het ook mooi vinden, hè? Of: misschien gaan we ooit samen nog ergens heen.
Een paar dagen later zag ik dat Ineke in een familie-app, waar ik nog in zit vanwege de oud-en-nieuwplanning, had geschreven dat ze “echt even met z’n tweeën weg” wilden. Die woorden bleven hangen. Alsof ik ooit had verwacht dat ik mee mocht naar Japan. Dat had ik niet. Natuurlijk niet. Toch voelde het als een mededeling speciaal voor mij: reken nergens op.
Ik heb toen bijna een bericht gestuurd dat ik niet mee wilde in hun koffer, maar wel graag wilde weten of ze nog mijn vrienden waren. Ik heb het niet gedaan. Ik heb mijn telefoon op tafel gelegd en ben met een vuilniszak door het huis gegaan. Oude tijdschriften, lege potjes, een stapel folders van de thuiszorg die ik niet nodig had. Heel nuttig werk, totdat je in een la een zaklamp vindt die je man altijd zocht en je alsnog op de keukenvloer zit.
Sindsdien probeer ik andere dingen te doen. Ik ben via de bibliotheek bij een leesgroep gegaan. Eerst vond ik het verschrikkelijk; zes vrouwen die elkaar nog niet kennen en allemaal voorzichtig doen. Maar één van hen, Ans, stuurde vorige week uit zichzelf een berichtje om te vragen of ik mee wilde naar de markt. Ik zei eerst dat het niet hoefde. Dat is blijkbaar mijn nieuwe reflex. Uiteindelijk ben ik toch gegaan.
Met Ineke en Rob heb ik geen ruzie. Over drie weken is de paaseierenbrunch. Ik ben uitgenodigd, zoals altijd. Mijn dochter vindt dat ik moet gaan en normaal moet doen. Mijn zoon zegt dat ik mezelf niet moet blijven kwellen. Allebei hebben ze een beetje gelijk, denk ik.
Ik wil niet doen alsof veertig jaar vriendschap niets meer betekent omdat mensen niet kunnen geven wat ik nodig heb. Maar ik weet ook niet of ik nog elke keer aan hun deur wil staan met het gevoel dat ik eerst moet bewijzen dat ik niet te veel ben.
Gisteren stuurde Ineke een foto van hun reisschema. “Kijk, we hebben eindelijk alles geboekt,” schreef ze, met drie feestelijke gezichtjes erachter.
Ik heb teruggestuurd: “Wat bijzonder. Geniet ervan samen.”
Daarna heb ik mijn telefoon omgedraaid en ben ik de hond van mijn buurvrouw gaan uitlaten. Die trok me door de regen alsof er ergens dringend iets te beleven viel.