Mijn vrouw wil haar moeder bij ons in huis nemen, maar ik ben bang dat we daarmee ons eigen leven kwijtraken

De laatste weken zet Maaike twee kopjes koffie neer als we aan de keukentafel zitten, maar ze drinkt die van haarzelf bijna nooit op. Tegen de tijd dat hij koud is, heeft haar telefoon alweer gepiept. Soms is het de thuiszorg, soms de buurvrouw van haar moeder, soms haar moeder zelf die niet meer weet waar haar leesbril ligt terwijl die op haar hoofd staat.

Ik heet Peter, ben 58 en geef nog steeds aardrijkskunde op een middelbare school in Goes. Althans, ik probeer dat nog een beetje enthousiast te doen. De derde klassen zijn dit jaar druk, ik heb een mentorleerling met gedoe thuis en ik tel eerlijk gezegd af. Nog twee jaar. Dan kan ik eruit.

We hadden geen groot plan, geen wereldreis met een camper of zo. Maaike wilde naar Schotland, ik wilde nog eens met de trein door Duitsland. Gewoon buiten het hoogseizoen weg kunnen, op dinsdagmiddag fietsen als het droog is, niet altijd rekening houden met lesroosters en ouderavonden. We wonen al dertig jaar in hetzelfde rijtjeshuis, aan de rand van het dorp. Achterom een schuurtje, een kleine tuin waar ik elk voorjaar te fanatiek met de hogedrukspuit bezig ben. Het is geen bijzonder leven, maar het was van ons.

Drie jaar geleden stopte Maaike eerder met werken. Ze had in een verzorgingshuis gewerkt, maar haar rug en haar longen speelden steeds meer op. De bedrijfsarts zei dat het zo niet verder kon. Ze vond het verschrikkelijk, ook al deed ze alsof het wel meeviel. Daarna is ze steeds meer voor haar moeder gaan doen.

Haar vader is al twaalf jaar dood. Haar moeder, Ria, woont vijf minuten lopen van ons vandaan, in een aanleunwoning bij het zorgcomplex. Tot vorig jaar ging dat redelijk. Ze was vergeetachtig, ja. Maar ze bakte nog appeltaart, klaagde over de supermarkt en wist precies welke buurvrouw met wie ruzie had.

Nu is het anders. Ze heeft een keer de pan op het vuur laten staan en is vervolgens naar de kapper gelopen. Ze is ’s avonds in haar nachtpon de galerij op gegaan omdat ze dacht dat ze de bus moest halen naar haar werk bij de PZEM. Daar werkt ze al ruim dertig jaar niet meer. Vorige maand belde ze Maaike in tranen omdat er volgens haar een vreemde man in haar huis was. Het bleek haar eigen spiegelbeeld in het raam. Dat klinkt misschien bijna grappig als je het zo opschrijft, maar Maaike kwam thuis alsof ze zelf een ongeluk had gehad.

Vorige zondag zei ze ineens: “Mam kan hier gewoon beneden. Als we de eettafel verplaatsen, past er een bed in de voorkamer.”

Ik dacht eerst dat ze hardop aan het rekenen was. Maaike doet dat vaker als ze zenuwachtig is. Maar ze keek me aan alsof ze al dagen op mijn antwoord wachtte.

Ik zei: “Hier? Bij ons in huis?”

Ze knikte. “Dan is ze dichtbij. Dan hoeft ze niet tussen allemaal onbekenden. Ze raakt nu al in paniek als ze een andere verzorgende ziet.”

Ik weet niet waarom ik meteen scherp reageerde. Misschien omdat ik die voorkamer al voor me zag: een hoog-laagbed, een postoel, een rollator die in de gang blijft haken. Misschien omdat ik zag hoe Maaike straks elke nacht beneden zou zitten als haar moeder dwaalt. Ik zei dat Ria meer zorg nodig had dan wij konden geven.

Maaike keek naar haar koffie. “Wij?” zei ze.

Dat ene woord bleef hangen. Alsof ik al had aangegeven dat ik erbuiten wilde blijven.

En eerlijk is eerlijk: dat wil ik deels ook. Ik heb Ria nooit slecht behandeld. We kunnen prima met elkaar. Ze heeft vroeger vaak op onze dochter Anne gepast. Ze bracht soep toen mijn vader ziek was. Maar ik ben niet haar zoon. En ik weet dat dat hard klinkt, zeker nu ze zo kwetsbaar is.

Sinds dat gesprek loopt alles stroef. Niet schreeuwen, niet met deuren slaan. Eerder dat stille gedoe waar je nog beroerder van wordt. Ik kom uit school, vraag hoe het met Ria was, en Maaike zegt: “Druk.” Dan vraag ik of ze gegeten heeft en zegt ze: “Nog niet echt.” Vervolgens ga ik koken, veel te veel, want ik weet niet wat ik anders moet doen.

Afgelopen woensdag waren we bij de casemanager dementie. Een vriendelijke vrouw, Ilse, die rustig sprak en veel aantekeningen maakte. Ze zei dat de aanleunwoning niet meer passend leek en dat we konden kijken naar een plek in een verpleeghuis, waarschijnlijk in Middelburg of Vlissingen. In het dorp zelf is de wachttijd lang.

Maaike hoorde vooral dat haar moeder misschien weg zou moeten. Ik hoorde vooral de woorden ‘toezicht’, ‘onvoorspelbaar gedrag’ en ‘nachtelijke onrust’.

In de auto terug zei Maaike: “Jij zat daar bijna opgelucht te knikken.”

Dat deed pijn, omdat het niet helemaal onwaar was.

Ik vertelde haar dat ik niet opgelucht was om haar moeder kwijt te raken. Ik was opgelucht dat iemand anders eindelijk zei wat ik niet durfde te zeggen: dat liefde niet automatisch betekent dat je alles zelf thuis moet doen.

Ze zei niets. Bij de rotonde richting het dorp veegde ze met haar mouw langs haar ogen. Daarna zei ze: “Jij snapt niet dat ze daar denkt dat ik haar wegstop.”

Dat snap ik wel. Alleen weet ik ook dat Ria nu soms niet eens meer weet welke dag het is. Vorige week vroeg ze mij drie keer in een uur waar Maaike was, terwijl Maaike naast haar op de bank zat. Hoe leg je iemand gerust met een belofte die ze vijf minuten later weer kwijt is?

Toch heb ik ook dingen gezegd waar ik me voor schaam. Ik zei tijdens een ruzie dat ik niet twee jaar lang wilde werken om vervolgens thuis een soort zorgdienst in te draaien. Maaike keek me toen aan alsof ik haar moeder een last had genoemd. Misschien had ik dat ook gedaan, zonder die woorden te gebruiken.

Anne vindt dat we niet moeten overhaasten. Zij woont in Rotterdam, heeft een zoontje van vier en komt meestal eens per drie weken. Makkelijk praten, denk ik dan. Maar zij zei ook iets waar ik niets tegenin kon brengen: “Mam gaat eraan onderdoor als oma hier woont. En jij waarschijnlijk ook. Dan heeft oma er uiteindelijk nog niks aan.”

Maaike is nu twee nachten bij haar moeder blijven slapen, omdat Ria bang was in haar eentje. Gisteren kwam ze om half acht thuis. Ze rook naar het zorgcomplex, naar koffie en die warme, wat zoete lucht die daar altijd hangt. Ze stond in de gang met haar jas nog aan en vroeg of ik pasta wilde.

Ik zei dat er nog stamppot in de koelkast stond.

Ze knikte, maar bleef staan.

“Er komt vrijdag iemand kijken voor een indicatie,” zei ze uiteindelijk. “Voor een plek. Niet omdat ik het wil. Gewoon om te weten wat er kan.”

Ik heb alleen gezegd: “Oké.” Niet omdat het daarmee goed was. Ook niet omdat ik gewonnen had, want zo voelt het helemaal niet.

Vanmorgen heb ik in de voorkamer de stapel oude schoolboeken opgeruimd. Niet om alvast een bed neer te zetten. Die ruimte was gewoon een rommel geworden. Maar toen Maaike thuiskwam van haar moeder, keek ze even naar de lege hoek en daarna naar mij. Ze vroeg niets.

Vrijdag gaan we samen naar dat gesprek. Daarna moet ik maandag gewoon lesgeven over bevolkingsgroei en vergrijzing. Ik weet nu al dat ik bij het woord vergrijzing even naar buiten zal kijken, naar het natte plein, en zal moeten doen alsof het over iets gaat dat ver van mij afstaat.