Na veertig jaar vaste diners wil mijn man onze vriendenkring niet meer zien
Ik heb vorige week de servetten gewassen terwijl ze eigenlijk niet vies waren. Dat klinkt misschien onbenullig, maar ik wist niet wat ik anders moest doen met mijn handen.
Zaterdag zouden we bij Anja en Kees eten, de eerste zaterdag van de maand zoals bijna altijd. Alleen deze keer had Henk al op maandag gezegd dat hij niet ging. Niet: hij had geen zin, of hij voelde zich niet lekker. Hij zei dat hij niet langer aan tafel wilde zitten met mensen voor wie hij geen respect meer kon opbrengen.
We kennen elkaar inmiddels ruim veertig jaar. Niet allemaal even lang, maar de kern wel. We begonnen ooit als jonge stellen in een nieuwbouwwijk in Amersfoort. Kleine kinderen, te weinig slaapkamers, een gezamenlijke schuur vol kinderfietsen en campingstoelen. Eerst dronken we koffie bij elkaar, later gingen we om de beurt koken. Dat maandelijkse eten is gebleven, ook toen mensen verhuisden, scheidden, ziek werden, kinderen kregen die weer uit huis gingen.
Er zijn er nog acht van ons, inclusief Henk en mij. Soms zijn er partners van kinderen, een keer een kleinkind dat mee-eet omdat oppas niet lukte, maar in de basis zijn wij het. We weten wie altijd te veel zout gebruikt, wie na twee glazen wijn hetzelfde verhaal vertelt en wie er een uur over doet om afscheid te nemen in de hal.
Henk was vroeger degene die het langst bleef hangen. Hij hielp Kees met een lekkende dakgoot, bracht Anja naar het ziekenhuis toen zij haar pols had gebroken en heeft na de begrafenis van Pauls eerste vrouw wekenlang elke zondag met hem gewandeld. Daarom doet dit me misschien ook zo veel pijn. Het is niet alsof hij altijd al een buitenstaander is geweest.
De laatste twee, drie jaar is er iets verschoven. Eerst merkte ik het aan losse opmerkingen. Over de warmtepomp van Paul en Marieke, die volgens Henk alleen maar “goed doen met andermans subsidie” was. Over de zoon van Kees, die bij een stichting werkt en volgens Henk nog nooit een echte baan had gehad. Over Anja, die sinds haar pensioen vrijwilligerswerk doet bij de voedselbank en af en toe dingen vertelde die hem blijkbaar tegenstonden.
Ik vond het soms ook vermoeiend. Begrijp me niet verkeerd. Paul kan behoorlijk zelfvoldaan doen over zijn elektrische auto, terwijl hij twee keer per jaar naar Portugal rijdt. En Kees zegt bij elk onderwerp dat hij vroeger als ondernemer echt wel wist hoe de wereld werkte. Ik hoef ook niet overal om te lachen.
Maar vroeger liet Henk het langs zich heen glijden. Of hij maakte een grap. Nu wacht hij tot iemand iets zegt en dan gaat hij er recht tegenover zitten, letterlijk bijna. Zijn stem wordt harder. Hij gebruikt woorden als hypocriet en wereldvreemd. Als iemand probeert over iets anders te beginnen, zegt hij: “Nee hoor, dit mag best even benoemd worden.”
Bij het diner in januari ging het mis, al vond niemand dat toen hardop. Marieke vertelde dat haar dochter misschien met haar gezin naar Denemarken wilde, omdat haar man daar een baan kon krijgen. Henk zei dat het makkelijk praten was voor mensen die Nederland alleen nog zagen als een hotel waar je de rekening niet van wilde betalen. Het werd stil. Marieke kreeg rode vlekken in haar hals. Paul zei dat Henk helemaal niet wist waarom ze dat overwogen.
Henk zei: “Ik weet genoeg. Jullie vinden alles prima zolang een ander het betaalt en oplost.”
Ik schopte hem onder tafel. Kinderachtig misschien, maar ik wilde dat hij ophield.
Thuis zei hij dat ik hem voor schut had gezet. Ik zei dat hij Marieke had aangevallen om een verhaal over haar dochter. Hij keek me aan alsof ik iets heel naars had gezegd.
“Dus ik mag alleen nog gezellig meedoen zolang ik mijn mond houd?”
Dat bedoelde ik niet. Tenminste, niet helemaal. Ik wilde gewoon niet dat elk diner veranderde in een soort debat waar niemand om gevraagd had.
Sinds Henk met pensioen is, zit hij veel meer online. Hij volgt allerlei filmpjes en discussies, leest reacties onder nieuwsberichten en stuurt mij soms artikelen door met: Kijk hier dan eens naar. Hij was altijd geïnteresseerd in politiek, dat is niet nieuw. Maar vroeger had hij ook zijn werk, zijn collega’s, de voetbalclub op zaterdag. Nu lijkt het alsof alles wat hij leest meteen in onze woonkamer terechtkomt.
Tegelijkertijd vind ik het oneerlijk om te doen alsof hij gek geworden is. Hij heeft op sommige punten best redenen om boos te zijn. Zijn broer zit al maanden in de wacht voor hulp thuis na een operatie. Onze energierekening was absurd hoog, ondanks dat we niet in een groot huis wonen. Henk heeft zijn hele leven gewerkt als uitvoerder in de bouw en voelt zich vaak weggezet als iemand die het niet begrijpt als hij twijfels heeft bij beleid of plannen.
Maar onze vrienden zijn niet de gemeente, niet Den Haag en ook niet het probleem van zijn broer.
Vorige zondag kwam de uitnodiging van Anja in de groepsapp. Gewoon zoals altijd: zaterdag om zes uur, voorafje staat klaar, laat even weten wie er een wijnarrangement wil. Daaronder reageerde iedereen met duimpjes en praktische berichten. Henk las mee, ik zag het aan zijn gezicht.
Later in de keuken zei hij: “Jij gaat toch niet doen alsof er niks aan de hand is?”
Ik zei dat ik wel wilde gaan. Dat Anja al genoeg spanning had gevoeld de vorige keer en dat ik haar niet wilde laten zitten. Bovendien had ze speciaal gevraagd of ik eerder kon komen helpen, omdat Kees last van zijn knie had.
Henk zette zijn mok harder neer dan nodig was.
“Prima. Maar dan zeg jij daar wel dat je het met mij eens bent. Dat je begrijpt waarom ik niet kom. Ik ben niet van plan de boeman te worden omdat zij geen tegenspraak verdragen.”
Ik vroeg wat hij dan precies van me verwachtte. Moest ik aan tafel zeggen dat Paul hypocriet is? Dat Marieke haar dochter verkeerd opvoedt? Dat Kees geen echte ondernemer meer is omdat hij nu met pensioen is?
Hij zei dat ik alles belachelijk maakte. Misschien deed ik dat ook. Ik voelde mezelf dichtklappen zodra hij zo begon te praten.
“Je kiest dus gewoon voor hen,” zei hij.
Dat bleef hangen. Niet omdat het waar is, maar omdat ik ineens begreep dat hij het zo ervaart.
Ik heb die avond slecht geslapen. Henk lag met zijn rug naar mij toe. Vroeger konden we na ruzie soms nog een flauwe opmerking maken over wie het licht uit moest doen. Nu leek zelfs dat verdwenen.
Ik ben zaterdag wel gegaan. Ik heb tegen Henk gezegd dat ik niet namens hem kon spreken en ook niet namens mezelf iets kon verklaren wat ik niet zo voelde. Hij zei alleen: “Dan weet ik genoeg.” Daarna ging hij de schuur in om aan zijn fiets te rommelen, terwijl het buiten regende.
Bij Anja thuis vroeg niemand meteen waar hij was. Daar was ik dankbaar voor. Pas toen we aan tafel zaten, zei Paul heel rustig: “Hoe is het met Henk?”
Ik zei dat hij thuis was gebleven en dat het ingewikkeld lag. Meer niet. Ik kon niet ineens vertellen dat ik bang ben dat onze kring uit elkaar valt. Of dat ik soms bang ben dat Henk en ik op een dag alleen nog maar samen thuis zitten, ieder met een eigen scherm en een eigen gelijk.
Anja kneep even in mijn hand toen ze de schaal aardappeltjes doorgaf. Kees vertelde daarna iets over zijn knie, veel te uitgebreid zoals altijd. Iedereen luisterde beleefd. Er werd zelfs gelachen.
Toen ik thuiskwam, brandde het lampje boven de achterdeur. Henk zat in de woonkamer televisie te kijken. Hij keek niet op toen ik mijn jas uitdeed.
In de keuken stond een bord met folie erover. Hij had blijkbaar pasta voor zichzelf gemaakt en iets voor mij bewaard.
Ik heb het in de koelkast gezet. De volgende ochtend eet ik het misschien als lunch. Ik weet nog niet of ik Anja deze week bel, of dat ik Henk eerst vraag of hij nog met me mee wil wandelen. Waarschijnlijk doe ik allebei niet meteen.