Onze beste vrienden gingen op wereldreis met geld dat ze nog aan ons moesten terugbetalen
Vorige week zag ik op Facebook een foto van Theo in een wit linnen overhemd, ergens op Bali. Hij stond met een glas bier voor een zwembad dat waarschijnlijk meer kostte dan mijn eerste auto. Ria zat ernaast met haar voeten op een ligbed en schreef erbij: “Eindelijk weer even ademhalen na alle zware jaren.”
Ik heb die foto drie keer bekeken. Niet omdat ik jaloers ben op Bali. Ik ben 68, mijn vrouw Els is 66, en wij zijn ook best gelukkig met een weekje Texel buiten het hoogseizoen. Maar Theo en Ria stonden daar te lachen van geld dat voor een deel nog steeds van ons is.
We kennen hen al ruim dertig jaar. Theo werkte vroeger bij de gemeente, op de afdeling vergunningen. Ria gaf les op een basisschool. Els en ik leerden hen kennen bij een wandelvereniging in de buurt van Amersfoort. Eerst waren het zondagse wandelingen, later kwamen daar etentjes bij, vakanties in Frankrijk, kaarten op vrijdagavond. Onze kinderen zijn niet echt met elkaar opgegroeid, ze waren te verschillend in leeftijd, maar ze kennen elkaar allemaal wel.
We waren nooit van dat overdreven sentimentele gedoe. Niet elke dag bellen en ook niet alles delen. Juist daarom voelde het stevig. Als Theo zei dat hij iets zou regelen, dan regelde hij het. Als Els na een operatie niet mocht tillen, stond Ria met een pan soep op de stoep zonder er een heel toneel van te maken.
Drie jaar geleden kwamen ze bij ons langs op een dinsdagavond. Dat weet ik nog omdat Els net stamppot boerenkool had gemaakt en Ria er normaal gesproken altijd een grap over maakte dat ik te veel jus gebruikte. Die avond raakte ze haar bord nauwelijks aan.
Theo had met twee oud-collega’s geïnvesteerd in appartementen in Portugal. Niet eens heel exotisch, vond hij zelf. Vakantiewoningen opknappen en verhuren. Hij had er vaak enthousiast over verteld. Ik had nooit precies begrepen hoe het financieel in elkaar zat, en eerlijk gezegd interesseerde het me ook niet zo. Theo was altijd voorzichtig geweest.
Maar er was een aannemer failliet gegaan, een vergunning bleek anders te liggen dan gedacht, en één van die andere mannen kon zijn deel niet meer betalen. Het geld liep weg. Theo en Ria hadden al spaargeld erin gestopt. Ze dreigden hun huis niet kwijt te raken, dat gelukkig niet, maar ze konden rekeningen niet meer op tijd betalen en Theo sliep bijna niet meer.
Ze vroegen niet letterlijk om geld. Theo zei vooral dat hij niet wist hoe hij de komende maanden door moest. Els vroeg later, toen zij in de keuken samen koffie zetten, hoeveel er nodig was om de ergste druk eraf te halen.
Dat werd uiteindelijk 27.500 euro.
Dat was voor ons veel geld. We hadden het wel, doordat ik na mijn VUT nog een paar jaar was blijven werken en omdat we altijd zuinig hebben geleefd. Maar het was geen bedrag dat je zomaar vergeet. We hadden het eigenlijk apart gezet voor later, voor als een van ons zorg nodig zou hebben, of als er iets aan het huis moest gebeuren.
Toch zei Els diezelfde avond: “Als wij hen nu niet helpen, wie dan wel?”
Ik was het met haar eens. Misschien was dat dom. Misschien ook niet. Ik weet het nog steeds niet.
We hebben geen contract laten opstellen. Theo maakte zelf een simpel overzichtje: bedrag, datum, en dat ze zouden terugbetalen zodra de verkoop van een van de appartementen rond was. Ik zei nog: “Maak je niet gek, rustig aan.” Ik bedoelde daarmee niet: laat maar zitten. Maar blijkbaar kan één zin jaren later een heel andere betekenis krijgen.
In het begin hielden ze ons goed op de hoogte. Er kwam een deel van een verkoop binnen, daarna moesten ze belasting afrekenen, toen moest er nog iets worden gerepareerd aan hun eigen huis. Allemaal dingen die konden gebeuren. Theo betaalde twee keer vijfhonderd euro terug. Ik vond dat eigenlijk bijna erger dan niets, omdat het liet zien dat hij wist dat het een lening was.
Na anderhalf jaar ging het zichtbaar beter met ze. Ze kochten een andere auto, niet nieuw, maar wel zo’n forse Volvo. Ria liet haar badkamer doen. Ik heb daar niks van gezegd. Mensen mogen zelf weten hoe ze leven. Bovendien dacht ik: misschien komt die afrekening nog, misschien hebben ze eindelijk weer wat lucht nodig.
Toen vertelde Ria tijdens een etentje dat ze een wereldreis gingen maken. Eerst Vietnam en Cambodja, daarna Australië waar een nicht van haar woont, en dan nog een paar weken Nieuw-Zeeland. Vier maanden in totaal. Ze had alles al uitgezocht: camperhuur, binnenlandse vluchten, hotels voor de eerste nachten.
Els zat tegenover haar en werd heel stil. Dat gebeurt niet vaak. Zij zegt normaal juist iets te snel wat ze denkt.
Ik vroeg, zo rustig mogelijk, hoe ze dat gingen doen met het geld dat nog openstond. Niet eens als aanval. Meer omdat ik dacht dat ze zouden zeggen: we hebben een plan, dit lossen we daarna af, of we maken nu alvast maandelijkse bedragen over.
Theo keek naar zijn servet. Ria zei: “Ja, dat wilden we nog met jullie bespreken.”
Maar ze besprak het niet. Ze begon over hoe kapot ze waren geweest van die hele investering. Hoe ze twee jaar nauwelijks iets leuks hadden gedaan. Hoe je op onze leeftijd niet alles moet uitstellen omdat je niet weet hoeveel tijd je nog hebt.
Dat laatste vond ik laag, al weet ik niet of ze het zo bedoelde.
Els zei: “Dat geldt toch ook voor ons?”
Toen viel er zo’n stilte waarin iedereen ineens heel druk naar zijn bord kijkt. Theo zei dat hij ervan uit was gegaan dat onze hulp een gebaar van vriendschap was. Dat we toch altijd hadden gezegd dat ze geen haast moesten maken. En dat het pijnlijk was dat we nu, vlak voor hun reis, met geld kwamen alsof we een bank waren.
Ik werd boos. Niet schreeuwen, zo ben ik niet, maar ik voelde mijn gezicht warm worden. Ik zei dat een bank tenminste duidelijke voorwaarden stelt en dat wij juist dachten dat we elkaar kenden. Theo zei dat ik dat niet zo moest omdraaien.
Ze zijn alsnog gegaan. We kregen foto’s via WhatsApp, eerst met hartjes erbij. Els reageerde één keer met een duimpje. Daarna helemaal niet meer. Ik heb Theo ook niet gebeld. Laf misschien. Maar wat moest ik zeggen? “Mooie zonsondergang, stuur je ook nog 27.500 euro terug?”
Gisteren belde Ria vanaf een luchthaven, volgens mij Melbourne. Ze zei dat ze voelde dat er iets niet goed zat tussen ons en dat ze geen zin had om na thuiskomst in een vervelende financiële discussie te belanden. Ze wilde gewoon dat we weer normaal deden.
Ik heb gezegd dat normaal doen voor mij niet betekent dat je doet alsof een schuld niet bestaat.
Ze begon te huilen. Of misschien huilde ze echt, ik weet het niet. Ze zei dat ik hun reis verpestte. Ik zei dat zij onze vriendschap al eerder ingewikkeld hadden gemaakt. Daar schrok ik zelf van, want ik had het eigenlijk niet zo definitief willen zeggen.
Els wil nu dat we alles op papier zetten en een betalingsregeling voorstellen. Ze zegt dat het niet alleen om het bedrag gaat, maar om het feit dat wij blijkbaar onderaan hun lijstje staan zodra er weer geld is.
Een deel van mij denkt: stuur die brief, klaar. Een ander deel ziet Theo weer naast me lopen in de Ardennen, twintig jaar geleden, toen mijn vader net was overleden en hij geen wijze dingen zei maar gewoon naast me bleef lopen. Die herinnering is niet ineens nep omdat hij nu iets doet wat ik niet kan begrijpen.
Maar ik kan die foto van Bali ook niet meer wegkijken. Hij staat nog steeds op mijn telefoon, tussen een bericht van mijn dochter en de afspraak voor de jaarlijkse apk.
Vanavond gaan Els en ik een brief opstellen. Geen dreigement, zegt zij. Gewoon duidelijk. Ik weet alleen nog niet of ik hoop dat Theo hem begrijpt, of dat ik bang ben dat hij dat juist wel doet en we daarna niets meer van elkaar horen.