Na veertig jaar vriendschap wilde ik niet meer elke week aan tafel zitten

Ik heb afgelopen dinsdag voor het eerst in veertig jaar expres niet opgenomen toen Henk belde.

Zijn naam stond op mijn scherm terwijl ik met mijn wandelschoenen nog aan op de rand van het bed zat. Ik was die ochtend met een vriendin van de wandelgroep in de Kennemerduinen geweest. Het had geregend, niet hard, gewoon van die fijne miezer waardoor alles donkerder ruikt. Ik was moe op een goede manier. Modder op mijn broek, thermoskan bijna leeg, niks bijzonders.

Toen belde Henk.

Ik wist al waarvoor. Donderdag eten. En waarschijnlijk meteen vragen of wij zondag mee wilden naar een museum in Leiden, want “jullie hebben toch niks”.

Ik ben 67. Mijn man Koos is 69. Henk en Marijke kennen we sinds 1984, van de straat waar we toen allebei net een rijtjeshuis hadden gekocht in Amersfoort. Onze kinderen waren ongeveer even oud. We hebben samen verjaardagen gedaan, vakanties op de camping in Frankrijk, ziekenhuizen, begrafenissen van ouders, verbouwingen die altijd uitliepen. Marijke was erbij toen mijn moeder overleed. Henk heeft Koos geholpen toen hij na zijn hartoperatie voor het eerst weer een rondje om het blok liep.

Ik zeg dit niet om uit te leggen dat we goede vrienden zijn. Dat weten we allemaal wel. Zij zijn gewoon familie geworden, alleen zonder dezelfde achternaam.

Maar sinds Henk in januari met pensioen is, is er iets verschoven.

Hij werkte altijd bij de gemeente, veel vergaderen, veel bellen, druk-druk-druk. Nu heeft hij ineens tijd, energie en, eerlijk is eerlijk, ook talent voor koken ontdekt. Eerst vond ik het leuk. Hij maakte een keer stoofvlees waar hij twee dagen mee bezig was geweest. Daarna kwam er een Italiaanse avond, een visavond, een proeverij met zes soorten olijfolie die hij via internet had besteld.

Iedere woensdag kregen we een berichtje in onze groepsapp: wat eten we, hoe laat, wie neemt de wijn mee.

Daarna kwamen de uitjes. Een tentoonstelling. Een matineevoorstelling. Een lunch bij een plek waar je zelf nooit zou reserveren omdat je twaalf euro vijftig voor soep gewoon veel vindt. Koos ging overal enthousiast in mee. Hij heeft altijd van mensen om zich heen gehouden. Hij vindt een huis al snel stil.

Ik niet meer, geloof ik.

In het begin zei ik nog weleens dat ik niet kon. Dan had ik al met mijn dochter afgesproken om op de kleinkinderen te passen, of ik wilde gewoon wandelen. Henk reageerde dan meestal luchtig: “Dan schuiven we toch?” Alsof mijn afspraak pas echt bestond als iedereen eromheen kon plannen.

Marijke zei minder, maar ik zag het aan haar. Die korte stilte aan de telefoon. Dat opgewekte: “O, jammer joh.” Zij vindt het zelf volgens mij ook allemaal veel, maar Henk is eindelijk blij sinds zijn pensioen. Daar wil ze niet tegenin.

Twee weken geleden zaten we bij hen aan tafel. Henk had eendenborst gemaakt. Heel lekker, echt. Er stond een grote schaal met aardappeltjes en hij had van die kleine kaartjes geprint met de gangen erop. Ik dacht nog: het lijkt wel een restaurant, maar dan zonder dat je naar huis kunt wanneer je wilt.

Na het dessert kwam hij met een map aanzetten.

Geen grapje. Een blauwe ordner.

“Voor volgend jaar,” zei hij. “Dan hoeft niemand steeds te appen en kunnen we ergens naar uitkijken.”

Hij haalde vier A4’tjes eruit. Elke donderdagavond stond erop. Eens per maand een uitje op zaterdag. In mei een lang weekend naar de Moezel. In september tien dagen Portugal, een appartement dat een kennis van een kennis verhuurde. Met aanbetalingsdata erbij.

Koos pakte het vel meteen vast en zei: “Nou, jullie hebben er werk van gemaakt.”

Ik voelde iets in mijn borst dichtgaan. Het was niet eens alleen dat Portugal. Ik wil best nog naar Portugal, maar niet omdat het op een schema staat dat een ander voor mij heeft gemaakt. En zeker niet elke donderdagavond voor een jaar vastleggen.

Henk legde vier pennen op tafel. “Dan kunnen we het gelijk even bevestigen.”

Ik weet dat het kinderachtig klinkt, maar ik kreeg ineens tranen in mijn ogen. Ik heb toen naar mijn servet gekeken en gewacht tot het overging. Dat ging niet over.

Ik zei: “Henk, ik wil dit niet tekenen.”

Het werd heel stil. Je hoorde de vaatwasser in de keuken aanslaan.

Hij keek me aan alsof ik had gezegd dat ik nooit meer met hen wilde omgaan.

“Het is geen contract, Anja,” zei hij.

“Zo voelt het wel.”

Koos kneep onder tafel even in mijn knie. Niet hard, meer een waarschuwing. Of een poging om me te laten stoppen, dat weet ik nog steeds niet.

Marijke vroeg: “Maar wat is er dan? We zien elkaar toch graag?”

Dat was juist het rotte. Natuurlijk zien we elkaar graag. Ik hou van Marijke. Ik ken haar gezichtsuitdrukking als ze probeert niet te huilen. Ik weet dat Henk, hoe dwingend hij soms is, in de kern bang is dat hij na zijn werk nergens meer bij hoort.

Maar ik zei toch: “Ik wil ook weleens een week niets hoeven. Of spontaan naar de kinderen. Of op zondag in mijn joggingbroek blijven. Ik ben niet met pensioen gegaan om mijn agenda weer aan iemand anders uit te besteden.”

Henk werd rood. Hij zei: “Dus wij zijn een verplichting geworden.”

Dat heb ik niet gezegd. Maar misschien was dat wel hoe het klonk.

Koos heeft die avond bijna niets meer gezegd. In de auto naar huis zei hij eerst alleen dat ik het wel erg hard had gebracht. Daarna zei hij dat Henk zich waarschijnlijk gekrenkt voelde. Alsof dat een nieuw inzicht was.

Ik werd boos en zei dat hij alles prima vond omdat hij nooit degene is die op woensdag denkt: o ja, morgen weer. Koos doet zijn overhemd aan en stapt in de auto. Ik regel een kaartje voor een verjaardag, ik denk aan de oppasafspraken, ik weet welke kleinkinderen wanneer zwemmen. Dat is niet zijn schuld, maar soms voelt het alsof mijn tijd voor iedereen rekbaar is.

De volgende ochtend hadden we ruzie. Een echte, vermoeiende ruzie, met koffiekopjes die te hard op het aanrecht worden gezet. Koos zei dat ik onze oudste vriendschap op het spel zette voor ‘een beetje wandelen’. Daar ben ik heel kwaad om geworden.

Een beetje wandelen.

Alsof ik niet mag willen dat er nog iets van mijzelf overblijft naast vrouw, moeder, oma en vriendin.

Sindsdien is het stil in de groepsapp. Alleen gisteren stuurde Marijke een foto van hun hond met daaronder: “Hij mist zijn vaste donderdagwandeling.” Normaal zou ik meteen met een hartje reageren. Nu heb ik alleen gekeken.

Koos heeft Henk wel gebeld. Hij vertelde me dat Henk zei dat hij het gevoel had dat wij hen langzaam uit ons leven aan het werken waren. Koos zei dat dat niet zo was, maar hij kon ook niet beloven dat we voortaan weer overal bij zouden zijn.

Dat vond ik eerlijk gezegd meer moed dan ik van hem had verwacht.

Morgen ga ik met mijn kleindochter naar de kinderboerderij. Daarna wil ik misschien langs Marijke fietsen, zonder Henk, zonder menu en zonder jaarplanning. Ik weet alleen nog niet of zij de deur open zal doen zoals vroeger, met koffie en een half verhaal dat ze al bij de voordeur begint.

Ik hoop het wel. Maar ik ga niet meer doen alsof vriendschap alleen echt is als je iedere lege plek in je agenda ermee vult.