Ik wilde van de kamer van onze zoon een atelier maken, maar mijn man zette er zijn hele pensioenleven neer
De kamer van Daan rook nog een beetje naar deo en oud sportspul toen we zijn laatste doos naar beneden droegen. Hij was al maanden uit huis, maar pas toen zijn sleutelbos niet meer op het kastje in de gang lag, drong het tot me door dat we echt met z’n tweeën waren.
Onze oudste woont in Amersfoort, de middelste samen met haar vriendin in Utrecht en Daan huurt een appartementje in Zwolle. Het zijn volwassen mensen. Dat weet ik heus wel. Toch keek ik de eerste weken steeds even op als er boven een vloer kraakte.
Mijn man, Henk, zei juist: “Nou, eindelijk rust.” En ik lachte mee. Ik was ook blij met de rust. Geen wasmanden die uitpuilden, geen appjes om half zes of er nog eten was, niemand die ineens op zondagavond een formulier voor school bleek te moeten inleveren.
Maar ik was vooral moe. Niet gewoon moe van een drukke week, maar moe tot ergens achter mijn ogen. De laatste jaren met mijn moeder hadden alles opgegeten. Zij woonde nog in haar eigen flat in Purmerend, met thuiszorg en later steeds meer hulp van mij. Boodschappen, medicijnen, bellen met de huisarts, een kapotte televisie, vergeten afspraken, paniek omdat ze dacht dat haar portemonnee gestolen was terwijl die onder haar eigen theedoek lag.
Toen ze vorig voorjaar overleed, was ik verdrietig, natuurlijk. Maar ik schaamde me ook voor de opluchting die ik voelde. Alsof er ineens een zware tas van mijn schouder werd gehaald en ik niet meer wist wat ik met mijn lege handen moest.
Vroeger maakte ik keramiek. Niet professioneel of zo. Gewoon een avondcursus bij de Volksuniversiteit, lang geleden, nog voordat de kinderen kwamen. Ik had een kleine draaischijf tweedehands gekocht en ik kon uren klooien met klei. Bekers die scheef waren, kommetjes met barsten, vazen die ik achteraf lelijk vond. Maar ik werd er rustig van.
Dus ik zei tegen Henk dat ik van Daans kamer een atelier wilde maken.
Hij vond het meteen een goed idee. Hij hielp het oude bed uit elkaar halen en we hebben samen die donkerblauwe muur wit geschilderd. Ik weet nog dat ik daar stond met een verfvlek op mijn bril en dat Henk zei: “Kijk jou nou eens. Eindelijk weer iets leuks voor jezelf.”
Daar werd ik emotioneel van, zo overdreven misschien, maar ik moest gewoon even de gang in lopen omdat ik niet wilde huilen waar hij bij was.
In het begin was het ook echt mijn kamer. Mijn draaischijf stond bij het raam. Ik had planken voor glazuren en een oude tafel van Marktplaats waar ik mijn werk op kon laten drogen. Het licht was er mooi, vooral ’s ochtends. Ik ging er soms met mijn koffie zitten zonder iets te doen.
Toen kwam Henk met drie dozen boeken.
Hij zou over vier jaar met pensioen gaan, maar sinds kort was hij al bezig met wat hij daarna allemaal wilde doen. Oude spoorwegboeken uitzoeken, spullen verkopen op Boekwinkeltjes, fietsen opknappen. Hij werkte jarenlang bij de gemeente op de technische dienst en ik snap best dat hij niet ineens achter de geraniums wil gaan zitten.
“Alleen even tijdelijk,” zei hij, terwijl hij de dozen onder mijn tafel schoof. “Tot ik weet wat weg kan.”
Ik zei: prima.
Een week later stond er een fietsframe tegen de muur. Daarna nog twee. Een tas met kabels. Een kapotte bureaulamp die hij misschien nog kon gebruiken. Op een middag kwam ik boven en lag mijn sponsbakje boven op een stapel oude atlassen, omdat hij ruimte nodig had gehad op de tafel.
Ik vroeg of hij zijn spullen beneden kon zetten, in de schuur bijvoorbeeld.
“Daar is het vochtig,” zei hij. “Die boeken gaan daar naar de knoppen.”
De garage dan, zei ik.
“Daar staat jouw oven straks toch ook?”
Dat was waar. We hadden nog geen oven, ik was nog aan het sparen en aan het uitzoeken wat veilig kon met de elektra. Maar toch voelde het alsof hij mijn plannen alvast naar een plek duwde waar ik helemaal niet wilde zitten.
Ik heb het te lang luchtig gehouden. Ik maakte grapjes over de ‘Henk-hoek’ die steeds groter werd. Hij lachte daar ook om, maar ruimde niets op.
Uiteindelijk zette ik mijn draaischijf in de garage. Daar was het in november zo koud dat mijn handen stijf werden. Ik zette een elektrisch kacheltje naast me, maar dan maakte ik me weer zorgen om de rekening. Bovendien stond ik tussen de tuinstoelen, een oud kinderzitje en een halflege krat statiegeldflessen. Ik hield het twee avonden vol.
Henk vond dat ik mezelf gek maakte.
“Je kunt toch gewoon zeggen wanneer je die kamer nodig hebt?” zei hij tijdens het eten. Hij had aardappels te lang laten koken en ze vielen uit elkaar op mijn bord. “We wonen hier samen, Marjan. Niet ieder in z’n eigen koninkrijkje.”
Dat woord, koninkrijkje, bleef hangen.
Ik zei dat ik niet om een paleis vroeg. Alleen om die ene kamer die we nota bene voor mij hadden leeggemaakt.
Hij zuchtte en zei dat hij ook nergens heen kon met zijn spullen. “Jij hebt de keuken, de woonkamer, je tuinbakken, nu die kamer. Ik moet ook iets kunnen doen straks.”
Dat was niet eerlijk, en tegelijkertijd wist ik niet goed hoe ik moest uitleggen waarom het me zo raakte. De keuken is geen plek van mij. Daar kook ik. De woonkamer is niet van mij, daar kijken we allebei tv. En die tuinbakken zijn drie bakken met lavendel en sla waar de slakken altijd eerder bij zijn dan ik.
Vorige zaterdag ging ik naar boven omdat ik een schaal wilde afdraaien die te nat was geworden. Toen stond er een werkbank in de kamer. Zo’n enorme, zware houten, met laden eronder. Henk had hem via een collega overgenomen. Hij stond precies op de plek waar mijn draaischijf had gestaan.
Ik dacht eerst dat hij hem alleen even had neergezet. Ik stond echt een tijdje in de deuropening, met mijn kleischort nog aan.
Henk kwam achter me staan en zei: “Mooi ding, hè? Hier kan ik tenminste een beetje fatsoenlijk aan fietsen sleutelen.”
Ik weet niet eens precies wat ik toen zei. Iets als: “Nee, Henk. Dit meen je niet.”
Hij keek meteen geërgerd, alsof ík iets kapotmaakte.
We kregen ruzie. Geen nette, volwassen ruzie waarin iedereen om de beurt zijn gevoel uitlegt. Ik huilde en praatte te hard. Hij zei dat ik deed alsof hij me uit huis zette. Ik zei dat hij elke ruimte volzet totdat er nergens meer plek is voor iets wat niet van hem is.
Dat was gemeen, want zo is Henk niet altijd. Hij heeft jarenlang extra diensten gedraaid toen de kinderen klein waren. Hij reed zonder morren naar mijn moeder als ik het niet redde. Hij is geen egoïstische man.
Maar hij kan wel doen alsof iets logisch en praktisch is, totdat je bijna gaat twijfelen of je eigen behoefte niet belachelijk is.
Ik heb hem gezegd dat de werkbank en alles wat van hem is binnen een week uit die kamer moet zijn. Geen hoekje, geen tijdelijke dozen, geen fietsframes achter de deur. Anders maak ik geen keramiek meer in huis en trek ik me met mijn spullen terug in de studeerkamer beneden, waar hij dan maar niet meer hoeft te komen.
Dat laatste klonk kinderachtig zodra ik het zei. Alsof we zestien waren. Maar ik kon niet meer terug.
Henk zei heel zacht dat ik hem buitensloot. Dat hij dacht dat we juist samen iets nieuws gingen maken van dit huis nu de kinderen weg zijn. Ik heb daar niet goed op gereageerd. Ik zei alleen: “Samen betekent niet dat jij er alles neerzet.”
Nu is het woensdag. De werkbank staat er nog. Hij heeft wel twee dozen boeken naar de overloop gebracht, wat natuurlijk nergens op slaat omdat ik daar nu steeds tegenaan kijk als ik naar bed ga.
Vanavond eet Daan mee. Hij komt zijn winterjas ophalen die blijkbaar nog in zijn oude kast hangt. Ik heb Henk vanochtend gevraagd of hij vóór die tijd in elk geval de fietsframes weg wil halen. Niet omdat Daan er iets van zal zeggen, maar omdat ik niet wil dat hij zijn oude kamer binnenloopt en denkt dat die meteen weer van zijn vader is geworden.
Misschien slaat dat ook nergens op. Misschien gaat het helemaal niet over die kamer.
Maar ik heb vanmiddag nieuwe klei besteld. Twaalf kilo witbakkende draaiklei. Die wordt vrijdag bezorgd. En ik wil niet dat die doos in de garage eindigt.