Mijn man stopte met het organiseren van onze vriendengroep, en ineens bleek niemand meer te weten hoe we vrienden moesten zijn

De agenda van Henk ligt nog steeds op de hoek van de eettafel, hoewel hij hem sinds januari bijna niet meer opent. Zo’n ouderwetse papieren weekagenda, zwart met een elastiek eromheen. Vroeger stond alles erin: bridgedrive bij Kees en Marja, etentje bij ons, fietsweekend in Drenthe, wie de kaarten voor het museum regelde, wie er allergisch was voor garnalen. Soms schreef hij er zelfs de vertrektijden van de trein bij, terwijl we met z’n allen gewoon met de auto gingen.

Hij is vorig jaar met pensioen gegaan. Hij was teamleider bij de gemeente, niets heel hoogdravends, maar wel iemand die altijd wist welke formulieren waar lagen en wie je moest bellen als iets vastliep. Thuis was hij eigenlijk hetzelfde. Niet bazig, daar gaat het niet om. Hij zag gewoon sneller wat er nog moest gebeuren dan andere mensen. En als je dat veertig jaar lang doet, laten mensen het ook graag aan je over.

Onze vriendengroep bestaat uit vier stellen. We kennen elkaar nog van de tennisvereniging en van de basisschool van de kinderen. Onze kinderen zijn inmiddels allemaal de deur uit, sommige hebben zelf kinderen. Maar wij bleven die vaste groep. Elke maand doen we iets. De ene keer eten, de andere keer wandelen, een concert, een weekendje weg. Met kerst brunchen we altijd bij ons, wat ooit per ongeluk zo ontstaan is omdat wij een grote tafel hadden.

Henk organiseerde dat allemaal. Aanvankelijk samen met mij, maar als ik eerlijk ben, werd ik vaak ingezet voor de uitvoering. Hij verzon het plan, maakte een groepsapp, prikte een datum en ik zorgde dan dat er stoelen waren, boodschappen, bloemen op tafel. Dat vond ik jarenlang niet erg. Ik werkte in de apotheek, had mijn eigen drukte, en Henk kreeg er zichtbaar plezier van als alles liep.

Alleen de laatste jaren zag ik hem veranderen. Niet tijdens zo’n avond zelf. Dan was hij juist opgewekt. Maar de dagen ervoor kon hij al kortaf zijn omdat niemand reageerde op een datumvoorstel. Of omdat Theo na drie reminders nog niet had betaald voor een hotel in Limburg. Dan zei Henk: „Ik regel het wel weer,” maar je hoorde aan dat woordje weer dat hij er klaar mee was.

In februari, na onze maandelijkse borrel in een café in Amersfoort, zei hij in de auto ineens: „Volgend jaar ga ik niet meer trekken aan die kar.”

Ik dacht eerst dat hij het over de reis naar Portugal had, die hij aan het uitzoeken was.

„Welke kar?” vroeg ik.

„Alles. Die hele club.”

Hij keek recht voor zich uit. Het regende en de ruitenwissers maakten dat droge schurende geluid. Ik zei niet meteen iets. Ik was eerlijk gezegd opgelucht, maar ook bang. Niet voor onze vriendschappen zelf, denk ik, maar voor het gedoe dat ervan zou komen.

Henk stelde het een week later in de app voor. Heel neutraal. Hij schreef dat hij na zijn werkzame leven graag minder wil plannen en dat het hem leuk lijkt als we vanaf april om de beurt een maandactiviteit bedenken. Hij had zelfs een eenvoudig schema gemaakt, uiteraard. Acht namen, acht maanden. Ik moest lachen toen ik het zag. Hij wilde stoppen met organiseren en begon met een rooster.

De reacties kwamen niet meteen. Marja stuurde een duimpje. Kees schreef: „Prima idee, maar dan moeten we wel een beetje tempo houden haha.” Ellen zei dat zij en Rob het „even moesten bekijken”.

Diezelfde avond belde Marja mij. Niet Henk, mij.

„Zeg, is Henk wel oké?” vroeg ze.

Ik dacht eerst dat er iets gebeurd was.

„Hoe bedoel je?”

„Nou ja, dat hij ineens nergens meer verantwoordelijk voor wil zijn. Hij is toch net met pensioen? Hij heeft eindelijk tijd.”

Dat zinnetje bleef hangen. Eindelijk tijd. Alsof zijn tijd vanaf nu van de groep was.

Ik zei dat hij oké was, maar gewoon niet meer alles wilde dragen. Marja zuchtte en zei dat Henk altijd zo goed was in dit soort dingen, en dat sommige mensen nu eenmaal minder initiatief nemen. Ze bedoelde niet alleen zichzelf, dat weet ik wel. Maar ze zei het alsof dat een natuurwet was waar Henk zich maar bij neer moest leggen.

De eerste maand dat het rooster inging, waren Ellen en Rob aan de beurt. Twee weken voor de datum stuurde Ellen: „Wat zullen we doen?” Dat was het. Geen voorstel, geen tijd, niets. Binnen een uur had Henk drie opties in de app gezet. Een lunch, een wandeling bij de Utrechtse Heuvelrug of naar een filmhuis.

Ik zag hem typen aan de keukentafel en zei: „Je hoeft dit niet op te lossen.”

Hij keek me aan alsof ik hem betrapt had.

„Anders gebeurt er niks.”

„Dan gebeurt er een maand niks.”

Dat vond hij bijna erger dan het organiseren zelf. Daar zit ook zijn aandeel in, denk ik. Henk zegt dat hij wil loslaten, maar stilte maakt hem onrustig. Hij wil niet de regelaar zijn, maar hij wil ook niet dat mensen teleurgesteld zijn. En ik geloof dat hij bang is dat, als hij niets doet, blijkt dat de groep vooral bestond omdat hij alles bij elkaar hield.

Uiteindelijk gingen we lunchen. In een zaakje in Zeist waar Henk gereserveerd had, omdat Ellen pas de avond ervoor ontdekte dat ze met acht waren. Rob bracht terloops naar voren dat een roulatiesysteem „wel erg zakelijk” voelde. Theo zei dat Henk toch altijd al de spil was geweest. En Kees, die meestal grappen maakt als iets ongemakkelijk wordt, zei: „Je kunt een dirigent niet opeens vragen om in het publiek te gaan zitten.”

Iedereen lachte een beetje. Henk niet.

Hij zei: „Ik vraag niet of ik nooit meer iets mag regelen. Ik vraag of ik niet meer standaard degene ben die eraan moet denken.”

Toen werd het stil. Niet dramatisch stil, maar dat Nederlandse soort stilte waarin iedereen ineens heel aandachtig naar zijn koffie kijkt.

Marja zei dat ze bang was dat de groep verwatert. Dat begreep ik ook wel. We zijn allemaal ouder geworden. Een paar van ons passen geregeld op kleinkinderen. Rob heeft gedoe met zijn knie. Kees en Marja willen hun huis misschien verkopen omdat de trap ze begint tegen te staan. Als je niet oppast, wordt afspreken iets wat je steeds doorschuift. Henk was degene die zorgde dat we elkaar bleven zien.

Maar ik merkte dat ik boos werd toen Marja zei: „Het zou toch zonde zijn als dat nu stukloopt, terwijl Henk alle tijd heeft.”

Ik zei dat Henk geen activiteitenbureau was. Dat kwam er scherper uit dan ik wilde. Daarna zei ik ook dat ik best vaker iets wilde doen, maar dan niet als hulpje bij een plan dat al door iemand anders was bedacht. Daar keek iedereen vreemd van op. Misschien omdat ik al die tijd makkelijker was geweest dan ik zelf doorhad.

Sindsdien is het rommelig. In mei organiseerden Kees en Marja een barbecue, die wegens regen bij hen in de garage eindigde. Het was eigenlijk heel gezellig, al waren de salades te warm geworden en stond Kees drie kwartier bij de bouwmarkt omdat hij te weinig gas voor de barbecue had. Henk hielp natuurlijk weer met een appje naar iedereen over parkeren. Hij kon het niet laten.

Voor juni staat er nog niets. De datum komt dichterbij en de groepsapp is opvallend stil. Henk heeft zijn agenda dichtgelaten, maar ik zie soms dat hij ernaar kijkt.

Gisteren vroeg hij of ik vond dat hij kinderachtig deed. Ik zei nee. Daarna zei ik dat hij misschien wel verwacht dat iedereen dezelfde opluchting voelt als hij, terwijl zij vooral bang zijn iets kwijt te raken.

Hij knikte, maar niet alsof het hem hielp.

Vanmorgen heb ik zelf in de app gezet dat ik op de tweede zaterdag van juni koffie en een wandeling wil regelen in het bos bij Lage Vuursche. Zonder schema, zonder uitleg. Ik heb erbij geschreven dat mensen ook alleen voor de koffie mogen komen.

Henk heeft nog niet gereageerd. Hij zat net buiten met de krant en vroeg of we nog melk hadden. Dat hadden we niet. Dus ben ik op de fiets naar de Albert Heijn gegaan, en onderweg dacht ik: misschien valt een groep niet uiteen omdat niemand de leiding neemt. Misschien valt hij uiteen omdat we pas laat merken hoeveel we van één iemand verwachten.