Sinds Ria minder goed loopt, voelt onze vriendschap ineens als een rooster dat nooit ophoudt

Het begon met een appje over melk.

Ria stuurde: “Als jullie toevallig langs de Lidl komen, zouden jullie dan halfvolle melk en van die kleine kuipjes boter mee willen nemen?”

Ik was net bezig de caravan uit te mesten. We wilden in april een paar weken naar Drenthe, buiten het hoogseizoen. Niet eens iets bijzonders, maar we hadden er zin in. Sinds ik twee jaar met pensioen ben, heb ik nog steeds het gevoel dat ik tijd moet leren hebben. Alsof ik er eerst toestemming voor moet vragen.

Ik reed die middag naar de Lidl, natuurlijk. Ria woont nog geen tien minuten van ons vandaan, in haar rijtjeshuis in de oude wijk. Daarna zette ik de boodschappen bij haar in de keuken en zag ik dat er drie vuilniszakken naast de achterdeur stonden. Ik heb ze ook maar meegenomen. Zo ging dat.

Ria kent mijn vrouw Marijke en mij langer dan sommige familieleden. We waren eind twintig toen we haar leerden kennen bij de volleybalvereniging. Zij kwam alleen, altijd al. Niet zielig alleen, zo moet ik dat niet zeggen. Ria had werk, vriendinnen, vakanties naar Italië met een collega, later haar moeder die lang bij haar in de buurt woonde. Ze was degene die vroeger belde als onze zoon Thomas koorts had en wij allebei vastzaten op het werk. Toen Marijke in 2008 borstkanker kreeg, stond Ria op woensdagavond met soep voor de deur zonder eerst te vragen of het uitkwam.

Ze hoorde gewoon bij ons leven. Met kerst zat ze aan tafel. Bij onze zilveren bruiloft hield ze een veel te lange speech waar iedereen om moest lachen. Toen mijn vader overleed, regelde zij dat er broodjes kwamen na de begrafenis, omdat wij daar zelf niet aan dachten.

Dus toen ze vorig najaar viel bij de fietsenstalling van het winkelcentrum en haar heup kneusde, was het geen vraag of we zouden helpen. Ze mocht van geluk spreken dat er niets gebroken was, zei de huisarts. Maar ze liep daarna onzeker, met een rollator die ze eerst weigerde en later gebruikte alsof het een persoonlijke belediging was.

“Thuiszorg? Voor een paar sokken en een stofzuiger?” zei ze. “Ik ben toch geen kasplantje.”

Marijke zei dan meestal niets. Ze keek alleen even naar mij, op die manier die betekent: laat haar maar, we lossen het wel op.

Eerst gingen we twee keer per week. Op maandag deed ik de zware boodschappen. Op donderdag dronk Marijke koffie met haar en nam ze de was mee als Ria te veel pijn had. Daarna kwam er een afspraak in het ziekenhuis waarvoor Ria niet alleen wilde. Toen moest de trap naar boven grondig worden gestofzuigd omdat ze bijna was uitgegleden over kattenharen. Ze heeft geen kat. Die haren kwamen vermoedelijk nog uit een oude plaid van haar zus.

Voor je het weet, zit je in een patroon.

Ik maakte lijstjes. Niet omdat Ria dat vroeg, maar omdat ik anders dingen vergat. Medicijnen ophalen, vuilnis buiten, koelkast nakijken, lampje in de gang vervangen, een pakketje aannemen. Soms belde ze om half negen ’s avonds omdat de thermostaat een foutmelding gaf. Dan bleek de batterij van de afstandsbediening leeg.

Marijke vond dat ik overdreef als ik daar iets van zei.

“Ze belt ons omdat ze niemand anders heeft, Bert.”

“Ze heeft ook een buurvrouw, een nicht in Zeist en mensen van de kerk.”

“Die buurvrouw werkt nog. En die nicht heeft zelf gedoe met haar man.”

Alsof ik dus automatisch de reserveonderdelenafdeling was geworden.

Ik schaam me om dat op te schrijven. Echt. Want Ria kan er ook niets aan doen dat haar wereld kleiner is geworden. Haar zus is vorig jaar overleden. Twee oude vriendinnen zijn verhuisd naar een appartement met lift, aan de andere kant van de stad. Ze zegt soms dat de dagen zo stil zijn dat ze blij is als de bezorger aanbelt. Dan zit ik tegenover haar aan tafel met haar te sterke koffie en denk ik: vooruit, nog een uurtje dan.

Maar ik merkte dat ik op mijn telefoon keek en hoopte dat het niet haar naam was.

Dat vond ik het ergste aan mezelf.

De ruzie, als je het zo kunt noemen, kwam door haar badkamer. Ria heeft een douche in bad en dat gaat natuurlijk niet meer goed. De ergotherapeut had blijkbaar gezegd dat een inloopdouche verstandig zou zijn. Heel redelijk. Alleen Ria had al een aannemer gesproken die via een kennis van haar nicht kwam, en die kon “misschien over zes weken”.

Ze legde een map op tafel met tegels, een offerte en een tekening die ik nauwelijks kon lezen.

“Jij snapt dit soort dingen beter, Bert,” zei ze. “Jij kunt dan met die man overleggen. En Marijke kan misschien helpen met uitzoeken waar ik in de tussentijd kan douchen. Ik wil ook gelijk de keuken wat praktischer maken, nu ze toch bezig zijn.”

Ik dacht eerst dat ik haar verkeerd verstond.

“De keuken ook?” vroeg ik.

“Niet helemaal. Maar lagere kastjes, misschien een andere kraan. Jullie weten wel wat handig is als je ouder wordt.”

Marijke zei: “Dat is wel veel tegelijk, Ria.”

Ria trok haar mond een beetje scheef. “Ja, voor mij is het ook veel tegelijk, geloof me.”

Daar zat ik dan, met die map voor mijn neus, en ik voelde iets wat ik niet netjes kan maken. Geen medelijden. Geen boosheid precies. Meer paniek. Ik zag mezelf al elke ochtend bij haar staan voor werklui, bellen met een badkamerzaak, discussiëren over meerwerk en daarna thuis horen dat de caravan nog steeds niet klaar was.

Ik zei dat we best mee wilden denken, maar dat we geen verbouwing konden begeleiden.

Ria werd heel stil. Daarna zei ze: “Ik vraag geen vreemde om dat te doen. Ik vraag jullie.”

“Dat snap ik,” zei ik. “Maar wij kunnen niet alles overnemen.”

Marijke keek naar haar handen. Ik weet nog dat er een kruimel van een speculaasje op haar vest zat. Dat soort onzin onthoud je dan.

Ria keek mij aan alsof ik iets had afgepakt wat haar al beloofd was. “Na alles wat we samen hebben meegemaakt, had ik niet gedacht dat ik uit moest leggen waarom ik op jullie reken.”

Ik heb daar geen goed antwoord op gegeven. Ik zei iets doms als: “Dat is niet eerlijk, Ria.” En zij zei: “Nee, oud worden is niet eerlijk.”

Daarna zijn we weggegaan zonder de gewone omhelzing bij de voordeur.

Thuis heeft Marijke gehuild. Niet hard, maar ze bleef maar met een theedoek over een schoon aanrecht gaan. Ze vond dat ik te scherp was geweest. Ik vond dat zij mij daar aan tafel alleen had laten zitten. Dat heb ik ook gezegd, en daar kreeg ik meteen spijt van, want zij doet minstens zoveel voor Ria als ik.

We hebben die avond nauwelijks gepraat.

De volgende ochtend heb ik Ria toch gebeld. Niet om terug te krabbelen, denk ik. Of misschien een beetje wel. Ik heb gezegd dat we haar willen helpen een onafhankelijke cliëntondersteuner of iemand van het Wmo-loket van de gemeente te bellen, en dat we mee willen naar een gesprek over wat er mogelijk is. Ook kunnen we af en toe bij de aannemer zitten, maar niet als vaste contactpersonen. Geen dagelijkse kluslijst meer zonder dat we eerst kijken of het lukt.

Ze zei alleen: “Dus nu moet ik hulp van de gemeente aannemen omdat mijn vrienden het te druk hebben?”

Ik zei dat we niet te druk waren. Dat was niet helemaal waar. We waren vooral moe.

Het gesprek eindigde vriendelijker dan het begon, maar niet warm. Sindsdien appt ze kort. “Dank, geregeld.” Of: “Hoeft niet meer.” Marijke wil morgen toch even langs met bloemen. Ik weet niet of dat verstandig is, maar ik ga mee.

De caravan staat nog steeds open op de oprit. Binnen ligt een stapel oude handdoeken die ik eruit heb gehaald en nergens kwijt kan. Misschien vertrekken we in april. Misschien ook niet. Maar ik heb vanmorgen wel de Wmo-folder uitgeprint die Ria zelf niet wilde hebben. Hij ligt hier op tafel, naast haar nummer.