Mijn zoon wil een mantelzorgwoning in zijn tuin zetten, maar ik weet niet of ik dan nog ergens thuis ben
Vorige week stond Bas met een map op onze eettafel. Niet eens zo’n nette map, gewoon zo’n blauw plastic ding met papieren die hij waarschijnlijk tussen twee overleggen door had uitgeprint.
Henk zat ernaast met zijn leesbril op zijn neus en knikte al voordat Bas goed en wel begonnen was. Ik stond in de keuken koffie in te schenken en hoorde woorden als ‘levensloopbestendig’, ‘vergunning’, ‘mantelzorgunit’ en ‘overwaarde’ door elkaar heen.
Alsof ons huis ineens een dossier was geworden.
We wonen hier sinds 1987. Toen waren de kinderen klein en was dit huis eigenlijk te groot voor ons salaris. Henk werkte bij de technische dienst van een school en ik deed administratie bij een groothandel in Amersfoort. We hebben jaren bijna niets gedaan behalve werken, schilderen, sparen en alles zelf opknappen. De serre hebben we met hulp van mijn broer gebouwd. De appelboom achter in de tuin stond er al, al geeft hij tegenwoordig vooral wormstekige appels.
Ik weet heus wel dat ik niet meer alles kan wat ik vroeger deed. Sinds mijn heupoperatie loop ik met een stok als ik verder moet dan de brievenbus. De trap gaat nog, maar niet sierlijk. Ik zet mijn voeten naast elkaar op iedere trede als Henk beneden niet kan horen dat ik sta te hijgen.
Met Henk gaat het anders mis. Hij heeft Parkinson, nog niet zo dat hij de hele dag hulp nodig heeft, maar zijn handen trillen en hij is trager geworden. Vooral ’s ochtends. Hij vergeet afspraken niet, gelukkig, maar hij laat wel eens een pan droogkoken of hij denkt dat de afvalcontainer al buiten staat terwijl dat pas drie dagen later is.
Bas komt iedere zaterdag. Hij maait het gras, snoeit de haag, kijkt naar de cv-ketel en neemt stapels post mee naar de tafel. Soms zit hij een uur in te loggen bij de bank of de gemeente omdat wij weer een code of een app nodig hebben waar niemand ons ooit goed over heeft uitgelegd.
Daar ben ik dankbaar voor. Dat zeg ik ook tegen hem. Maar dankbaarheid is een lastig ding als iemand steeds meer voor je doet. Je krijgt er ook een soort schuldgevoel bij, alsof je geen moeder meer bent maar een taak op zijn lijst.
Bas woont tien minuten fietsen hier vandaan, in Leusden, met zijn vrouw Marije en hun twee kinderen. Ze hebben vorig jaar een kavel gekocht aan de rand van het dorp. Een oud stuk grond waar eerst een schuurbedrijf zat. Het plan is een nieuw huis, vrijstaand, met een grote tuin. Achterop zou dan een mantelzorgwoning kunnen komen, zei hij. Gelijkvloers. Twee slaapkamers. Eigen voordeur. Alles nieuw en zonder drempels.
‘Jullie houden gewoon je eigen plek,’ zei hij die middag.
Ik zei: ‘Op jouw plek.’
Daar werd het stil van aan tafel. Henk roerde in zijn koffie terwijl er geen suiker in zat.
Bas keek me aan zoals hij vroeger keek als hij op zijn kop had gekregen en vond dat ik overdreef. Niet boos, meer moe. Hij is 42, heeft een leidinggevende baan bij een installatiebedrijf en rijdt volgens mij de halve provincie door. Hij doet echt veel. Misschien te veel. Maar ik vond het vervelend dat hij deed alsof mijn bezwaar alleen maar koppigheid was.
Marije is niet onaardig. Laat ik dat vooropstellen. Ze is juist vaak attent. Ze neemt soep mee als Henk een slechte week heeft en ze belt na ziekenhuisafspraken. Alleen is zij heel anders dan ik. Alles in haar huis heeft een vaste plek en haar kinderen hebben een schema op de koelkast. Als we daar eten, vraagt ze vriendelijk of ik mijn jas aan de kapstok wil hangen, omdat die anders over een stoel ligt waar de kat op springt.
Dat is normaal gedrag, ik weet het. Maar ik zie mezelf al in zo’n mantelzorgwoning zitten, met haar keukenraam uitkijkend op ons pad. Dan hoef ik maar drie dagen achter elkaar niet buiten te komen en ze weten het. Dan is het geen toeval meer dat Bas op zaterdag komt, maar wordt het: mam, waarom heb je gisteren niet opgenomen? Mam, je moet echt meer bewegen. Mam, we hebben gezien dat het licht tot één uur aan was.
Misschien doe ik hen tekort. Waarschijnlijk zelfs. Maar ik wil niet dat mijn leven kleiner wordt tot iets waar andere mensen zich zorgen over maken.
Henk ziet dat heel anders. Hij had vorige maand een val in de bijkeuken. Geen grote val, zei hij zelf. Hij gleed uit op een natte dweil en zat een kwartier op de vloer omdat hij niet overeind kwam. Zijn telefoon lag in de woonkamer. Ik was bij de pedicure. Toen ik thuiskwam, zat hij op een oude kussenhoes met een deken om zijn schouders, kwaad op zichzelf omdat hij had geplast.
Ik heb daar daarna nauwelijks over kunnen praten. Niet met hem en niet met Bas. Ik heb de dweil weggedaan en een antislipmat gekocht, alsof dat het hele probleem oploste.
Bas wist het natuurlijk alsnog. Henk had het hem verteld.
‘Pap had ook zijn hoofd kunnen stoten,’ zei Bas. ‘En jij rijdt straks misschien niet meer auto. Wat doen jullie dan als er ’s nachts iets is?’
Ik zei dat er thuiszorg bestaat, een personenalarm, de huisarts, buren. Het klonk sterker dan ik het voelde. Onze buren zijn aardig, maar de ene helft is bijna tachtig en de andere helft zit maanden per jaar in Spanje. Wijkverpleging is ook niet iemand die voor je tuin komt of een kapotte kraan maakt. En een personenalarm helpt pas als je erbij kunt.
Bas zuchtte toen. Dat deed pijn, gek genoeg. Niet omdat hij iets lelijks zei, maar omdat ik hoorde dat hij deze discussie al een tijd met zichzelf voerde.
Hij zei: ‘Mam, ik kan dit niet blijven opvangen als jullie hier blijven. Niet naast mijn werk, de kinderen en dat bouwen. Ik wil helpen, echt. Maar ik wil niet wachten tot er iets gebeurt waardoor we ineens geen keuze meer hebben.’
Daarna huilde ik. Niet mooi en beheerst. Gewoon met een rood gezicht, midden aan tafel, terwijl er nog een schaal met stroopwafels stond. Ik zei dat hij ons weg wilde hebben uit ons eigen huis. Dat was gemeen. Hij wilde ons niet weg hebben. Hij wilde ons dichtbij hebben.
Maar voor mij voelt dichtbij ook als: geen deur meer dicht kunnen doen zonder dat iemand zich afvraagt waarom.
De volgende ochtend vond ik Henk in de tuin, bij de uitgebloeide hortensia’s. Hij had zijn jas niet aan, hoewel het koud was. Hij zei dat hij het plan eigenlijk wel zag zitten. Geen trap meer. Geen gedoe met de tuin. De kleinkinderen om de hoek. Hij zei ook dat hij bang is dat ik straks alleen met hem kom te zitten als hij verder achteruitgaat.
Dat kwam hard binnen. Niet omdat ik niet van hem hou, maar omdat ik al maanden probeer niet vooruit te kijken naar wat Parkinson nog kan worden.
Ik heb toen gezegd dat ik niet in Bas’ achtertuin wil wonen. Henk keek naar de grond en zei: ‘Maar misschien is het niet zijn achtertuin als het ons huis wordt.’
Daar had ik niets op terug.
Bas heeft nu een afspraak gemaakt met een makelaar, zonder dat het huis al te koop staat. Hij zegt dat we alleen maar informatie gaan halen. Ik heb nog niet afgezegd. Ook niet toegezegd.
Vanmiddag kwam er een brief binnen over een afspraak bij de neuroloog voor Henk. Die heb ik op de fruitschaal gelegd, onder een reclamefolder van de Praxis. Henk vroeg waar de post was en ik zei: ‘Daar ligt het.’
Toen heb ik onze achterdeur opengezet. De tuin is veel te groot, dat zie ik zelf ook wel. Er liggen bladeren op het terras en de dakgoot moet worden gedaan. Toch bleef ik een tijdje in de deuropening staan, omdat ik niet wist of ik naar buiten keek of alvast afscheid aan het nemen was.