Na dertig jaar vrienden begon onze vrijdagavond ineens als een verplichting te voelen
Ik wist dat er iets niet goed zat toen Marianne op een dinsdagmiddag alleen een duimpje stuurde onder mijn berichtje in onze WhatsApp-groep.
Normaal reageerde ze altijd met minstens drie zinnen. Of met een foto van wat ze voor vrijdag al in huis had gehaald: bitterballen, oude kaas, een fles rood die volgens Henk “echt niet te zwaar” was. Sinds 1994 zaten we bijna iedere vrijdagavond bij elkaar. Eerst in ons rijtjeshuis in Amersfoort, later afwisselend bij hen in Leusden en bij ons. We sloegen alleen over bij een begrafenis, een ziekenhuisopname of als iemand op vakantie was.
Het klinkt misschien overdreven, maar het was gewoon hoe ons leven liep. Henk en mijn man Peter gingen al jaren samen fietsen. Marianne en ik hadden onze moestuintjes, onze ruilhandel in stekjes en onze vaste ronde over de markt op zaterdag. We hadden elkaars kinderen zien puberen, studeren en het huis uit zien gaan. Toen Peters moeder dement werd, nam Marianne zonder gedoe een sleutel aan en zette ze soep in de koelkast. Toen Henk na zijn hartoperatie niet mocht autorijden, reed Peter hem maandenlang naar de controles.
Dus ja, ik snap heus dat het voor hen niet zomaar een vrijdagavond was.
Maar vorig najaar begon ik twee ochtenden per week bij De Schakel, een kleine stichting hier in de wijk. Ze koppelen vrijwilligers aan mensen die alleen zijn of tijdelijk hulp nodig hebben. Niet ingewikkeld: meegaan naar een afspraak, helpen met formulieren, soms gewoon koffie drinken met iemand die anders de hele dag niemand spreekt.
Ik was er terechtgekomen omdat ik na mijn pensioen te veel op de bank zat. Ik had veertig jaar in de thuiszorg gewerkt. Iedereen zei steeds: nu ga je eindelijk van je rust genieten. Maar ik merkte dat rust ook leeg kan zijn. Peter redt zich prima; die heeft zijn fietsclub, zijn schuur vol gereedschap en altijd wel een buurman met een kapotte rem.
Bij De Schakel kreeg ik mevrouw Smit toegewezen. Ze is 78, weduwe, slecht ter been en ontzettend trots. De eerste keer dat ik haar vroeg of ik iets voor haar kon meenemen, zei ze: “Ik ben geen project, hoor.” Twee maanden later stuurde ze me een appje omdat haar zoon weer eens niet kwam en ze wilde weten of ik toevallig wist hoe je iets via DigiD moest regelen.
Ik ging steeds meer doen dan die twee ochtenden. Niet omdat iemand dat eiste. Juist niet. Maar als je weet dat iemand op woensdag zit te wachten op een telefoontje, dan denk je daar ook op dinsdagavond aan.
De eerste paar keer dat ik vrijdag afzegde, deden Henk en Marianne luchtig.
“Nou, dan bewaren we de kaas wel,” appte Marianne.
Daarna werd het: “Jammer, maar we zien jullie volgende week toch gewoon?”
En later: “Dit begint wel een beetje structureel te worden, Els.”
Peter vond dat ik me er niet zo druk om moest maken. Hij ging soms alsnog alleen naar hen toe, wat achteraf misschien niet hielp. Hij kwam dan thuis met verhalen over Henk die vroeg of ik het soms te druk had voor oude vrienden. Peter zei daar meestal iets ontwijkends op, want Peter haat gedoe. Hij kan rustig een lekkende kraan drie weken negeren als hij denkt dat die vanzelf minder gaat lekken.
In februari hadden we een weekendje naar Zuid-Limburg geboekt. Iets wat we al jaren deden, meestal in november, maar door allerlei gedoe was het verschoven. Een huisje bij Gulpen, twee slaapkamers, regen voorspeld, dus kaarten mee en wandelschoenen voor als het toch openbrak.
De eerste avond ging eigenlijk prima. We aten stoofvlees in een eetcafé en Henk vertelde voor de derde keer over een man van zijn fietsclub die een elektrische fiets had gekocht maar deed alsof het niet zo was. Marianne lachte hard, misschien wat harder dan nodig.
Toen we terug waren in het huisje, keek ik op mijn telefoon. Mevrouw Smit had een bericht gestuurd. Haar buurvrouw, die normaal haar boodschappen meenam, was gevallen en lag in het ziekenhuis. Mevrouw Smit raakte in paniek omdat ze geen brood meer had en maandag een afspraak bij de huisarts had waar ze tegenop zag.
Ik belde haar even. Vijf minuten, dacht ik. Het werden er twintig.
Toen ik ophing, was het stil aan tafel. Peter ruimde glazen in. Henk zat met zijn armen over elkaar. Marianne keek naar de kaarten alsof die haar iets persoonlijks hadden aangedaan.
“Gaat het?” vroeg ik.
Marianne haalde haar schouders op. “Met ons wel. Met jou blijkbaar nooit meer rustig.”
Ik voelde meteen die bekende irritatie opkomen. Niet eens omdat ze ongelijk had, maar omdat ze het zei op een manier alsof ik expres moeilijk deed.
“Ze is alleen, Marianne. Haar vaste hulp is in het ziekenhuis.”
“En wij zijn dan wat?” zei Henk. “Decorstukken die je laat wachten tot er iets belangrijkers langskomt?”
Peter zei zacht dat het misschien niet het moment was. Daar werd Henk alleen maar bozer van.
Hij zei dat ze het hele weekend hadden gehoopt dat we weer eens gewoon met z’n vieren konden zijn. Dat ik de laatste maanden bij elk gesprek half met één oor ergens anders zat. Dat ik op vrijdagen afzegde, op zaterdagen ‘even langs iemand moest’ en vervolgens op Facebook foto’s plaatste van plantjes die De Schakel had gekregen. Hij zei het niet lelijk, maar wel met zo’n stem die je krijgt als je iets al maanden opspaart.
Marianne begon te huilen. Daar schrok ik van, want Marianne huilt normaal alleen bij films met dieren.
Ze zei: “We zijn niet boos omdat je iets doet. We zijn bang dat je ons niet meer nodig hebt. En misschien is dat kinderachtig, maar na dertig jaar mag dat toch wel pijn doen?”
Ik had daar iets aardigs op kunnen zeggen. Dat weet ik nu. Maar ik was moe en voelde me klemgezet.
Dus ik zei: “Ik heb jullie ook niet nodig op een manier waarop je iemand moet bezitten.”
Dat woord, bezitten, hing meteen vies in de kamer.
Peter keek me aan. Niet kwaad, eerder teleurgesteld. Ik zag ook wel dat ik overdreef. Henk en Marianne hadden mij niet verboden om naar De Schakel te gaan. Ze wilden gewoon dat ik bleef komen. Maar het voelde alsof iedere afzegging een rekening werd die ik moest betalen.
De volgende ochtend regende het onafgebroken. Henk en Peter gingen toch wandelen, vooral om weg te zijn, denk ik. Marianne en ik bleven achter. We zaten aan weerszijden van de eettafel met koffie die koud werd.
Uiteindelijk zei ze dat zij en Henk de afgelopen jaren veel minder mensen om zich heen hadden gekregen. Hun dochters wonen allebei ver weg. Henk was gestopt met werken en viel, volgens haar, in een gat waar hij zelf niet over wilde praten. Onze vrijdagavond was voor hen niet alleen gezelligheid geworden. Het was houvast.
Ik vertelde haar dat ik dat niet had gezien. Of misschien wel gezien, maar niet echt willen zien, omdat ik zelf juist zo blij was dat er buiten ons kleine kringetje nog iets openging.
We hebben het niet helemaal uitgepraat. Zo zijn wij ook niet. Marianne vroeg of ik de komende maand tenminste één vrijdag kon vastzetten. Ik zei dat ik geen rooster wilde maken alsof ik bij de tandarts werkte. Zij zuchtte en zei dat ik dan blijkbaar nog steeds niet begreep waar het om ging.
Sinds dat weekend gaan we niet meer iedere vrijdag. De ene keer eten we met z’n vieren, de andere keer gaan Peter en ik alleen, of Henk komt mee fietsen en Marianne niet. Ik bel mevrouw Smit nu op vaste momenten en ik heb bij De Schakel beter geleerd dat ik niet alles zelf hoef op te lossen.
Vorige week stuurde Marianne een foto van haar nieuwe tomatenplant. Geen tekst erbij, alleen die foto. Ik stuurde terug dat ze hem niet te vroeg buiten moest zetten, want er kan nog nachtvorst komen.
Daarna bleef het een tijdje stil. Maar ze heeft het bericht wel gelezen.