Na 27 jaar samen naar Frankrijk wil mijn man ineens mee naar een resort waar ik me niet thuis voel

Ik wist dat er iets niet klopte toen Bas op een zondagmiddag met zijn telefoon aan de keukentafel zat te glimlachen alsof hij een prijs had gewonnen.

Hij zei: “Kijk nou eens, Els. Dit is echt niet normaal mooi.”

Op zijn scherm stond een wit huis op een heuvel in de Luberon. Zwembad zo groot als ons hele achtertuintje, ligbedden met van die dikke witte kussens, een buitenkeuken en uitzicht waar je blijkbaar stil van moest worden. Ik zag vooral een plek waar ik bang zou zijn om met natte voeten naar binnen te lopen.

“Van wie is dat?” vroeg ik.

“Dat resort waar Karel het over had. Hij heeft al wat foto’s gestuurd in de app.”

Dat was dus het plan. Niet meer ons vaste rijtje huisjes buiten Vaison-la-Romaine, met die scheve luiken en de Franse eigenaresse die altijd deed alsof ze ons niet verstond als we vroegen of de wifi het weer eens deed. Geen plastic stoelen onder de moerbeiboom, geen ochtendwandeling naar de boulangerie in het dorp. Geen ruzie om wie de koelbox van de ene auto naar de andere zou tillen.

We gaan al zevenentwintig jaar met dezelfde groep. Eerst met kleine kinderen die om zes uur wakker waren door de hitte en om negen uur krijsend uit het zwembad kwamen. Later met pubers die deden alsof ze zich doodschaamden voor ons, maar wel elke avond geld kwamen vragen voor ijs of een pizza. De laatste jaren zonder kinderen, behalve als iemand toevallig een kleinkind een week meenam.

Het was nooit chic. Juist daarom misschien fijn. Iedereen kookte een of twee avonden. Loes maakte altijd te veel ratatouille. Henk vergat steevast zout te kopen. Karel regelde de wijn en kwam dan terug met drie dozen terwijl hij had gezegd dat hij ‘even snel’ naar de supermarkt ging.

Karel heeft vorig jaar zijn bedrijf verkocht. Iets met installatietechniek, zonnepanelen en een investeerder, ik ken de details niet precies. Hij had er jarenlang keihard voor gewerkt, dat weet ik wel. Hij is niet ineens een vervelende man geworden omdat hij veel geld heeft. Dat vind ik belangrijk om te zeggen. Karel was degene die Bas na zijn hartoperatie elke week belde, terwijl sommige anderen na twee kaartjes en een bos bloemen weer doorgingen met hun leven.

Maar sinds die verkoop is er iets veranderd. Kleine dingen eerst. Hij bestelde bij etentjes ineens flessen wijn waar hij heel terloops de prijs van noemde. Hij vertelde dat hij en Monique businessclass naar Japan waren geweest, maar dan met die lach erbij alsof hij zelf ook wist dat het decadent klonk. Iedereen lachte mee. Ik ook, waarschijnlijk.

In de groepsapp schreef hij dat hij voor volgend jaar iets ‘echt bijzonders’ had gevonden. Private villa’s op één terrein, chef aan huis als we wilden, dagelijks schoonmaak, shuttle naar restaurants. Hij schreef erbij dat hij het grootste deel wilde voorschieten en dat hij, als het voor iemand te veel was, graag wilde bijspringen.

“Geen gedoe over geld,” stond er. “We zijn al zo lang vrienden. Ik gun het ons allemaal.”

Bas las het bericht hardop voor en zei meteen: “Nou, dat lijkt mij geweldig.”

Ik zei niets. Niet omdat ik al wist dat ik tegen zou zijn, maar omdat ik voelde dat ik er niet blij van werd en dat ik daar geen nette uitleg voor had.

Later, toen we de vaatwasser inruimden, vroeg Bas waarom ik zo stil was.

“Ik wil niet dat Karel onze vakantie betaalt,” zei ik.

“Hij betaalt hem niet. Hij legt bij als iemand dat nodig heeft.”

“Dat is toch hetzelfde als je weet dat hij het kan en jij niet?”

Bas zette een bord iets te hard in het rekje. “Els, we zijn tweeënzestig. We hebben geen hypotheek meer. We kunnen dit prima betalen als we willen. Waarom moet alles altijd zo principieel?”

Dat deed pijn, juist omdat hij het op die toon zei. Alsof ik degene was die het ingewikkeld maakte. Alsof het alleen om een vakantie ging.

Ik zei dat ik niet wilde dat we bij het zwembad zaten terwijl Karel misschien de hele boel had betaald en wij allemaal deden alsof dat niets veranderde. Dat je dan toch anders luistert als hij voorstelt waar je gaat eten. Of als hij zegt dat hij een boot wil huren. Of als hij grapt dat we niet zo moeilijk moeten doen.

Bas keek me aan alsof ik een probleem aan het zoeken was.

“Misschien verandert er helemaal niets,” zei hij. “Misschien kunnen we gewoon eens aannemen dat iemand iets gul bedoelt.”

Daar had hij natuurlijk een punt. Ik kan slecht ontvangen. Als mijn zus mij een duur verjaardagscadeau geeft, krijg ik al de neiging om direct iets terug te kopen. Niet omdat ik ondankbaar ben, maar omdat ik niet wil dat iemand later denkt dat ik bij hen in het krijt sta.

Toch voelde dit groter dan dat.

Een week later zaten we met z’n achten bij Henk en Loes in de tuin. Het was zo’n avond waarop iedereen te lang bleef zitten omdat het eindelijk warm was. Karel had de site van het resort op zijn tablet openstaan. Monique zei dat er zelfs een kok kon komen voor de eerste avond, zodat niemand meteen boodschappen hoefde te doen.

“En anders doen we dat gewoon zelf,” zei ze snel, toen ze mijn gezicht zag. “Het hoeft niet allemaal overdreven.”

Karel vertelde dat hij een paar villa’s voorlopig kon vastleggen. Toen kwam het er toch uit: hij wilde voor iedereen het verschil met onze gewone vakantie betalen.

“Echt,” zei hij. “Niet moeilijk over doen. Ik heb geluk gehad. Laat me nou eens iets leuks doen.”

Niemand zei meteen ja. Maar ook niemand zei nee. Dat vond ik bijna nog ongemakkelijker. Henk keek naar Loes. Loes kneep haar lippen op elkaar. Bas zat met zijn armen over elkaar, maar ik zag aan hem dat hij hoopte dat ik niets zou zeggen.

En natuurlijk zei ik toch iets.

Ik zei dat ik het lief vond, en dat ik Karel niets wilde afpakken, maar dat ik niet mee wilde op een vakantie die alleen mogelijk was omdat één persoon de rekening grotendeels betaalde. Ik zei ook dat ik bang was dat we dan niet meer gewoon acht vrienden waren die samen weg gingen.

Karel werd rood. Niet kwaad rood, eerder gekwetst. Hij zei: “Dus als ik het goed begrijp, mag ik wel met jullie in een huisje met een kapotte parasol zitten, maar zodra ik iets beters voorstel, verpest ik de sfeer?”

Dat had ik niet gezegd. Maar ik snapte wel dat hij het zo hoorde.

Bas nam het toen voor hem op. Hij zei dat we niet moesten doen alsof luxe een karakterfout was. Dat er genoeg jaren waren geweest waarin we op elke euro letten. Dat we nu ook gewoon mochten genieten.

Ik weet nog dat ik naar hem keek en dacht: je hebt gelijk, maar je begrijpt me totaal niet.

Uiteindelijk is besloten dat iedereen er een paar dagen over na zou denken. Alsof we een ingewikkelde verbouwing moesten goedkeuren. In de app bleef het daarna opvallend stil. Alleen Monique stuurde nog een foto van haar kleindochter in een zwemvest, waarschijnlijk om het onderwerp te verplaatsen.

Bas en ik hebben er thuis nog twee keer over gepraat en één keer ruzie over gemaakt. Hij vindt dat ik de groep gijzel met mijn ongemak. Ik vind dat hij zo graag wil laten zien dat wij ook bij dat soort vakantie passen, dat hij niet ziet wat het met ons doet.

Misschien is dat hard. Bas heeft altijd gewerkt, eerst in de buitendienst en later als teamleider. Hij heeft nooit veel gevraagd. De afgelopen jaren waren niet gemakkelijk met zijn gezondheid. Misschien wil hij inderdaad gewoon een week nergens aan denken, een koud glas wijn bij een zwembad en iemand die de handdoeken verschoont.

Vanmiddag stuurde Karel dat hij vrijdag moet weten hoeveel villa’s hij kan reserveren. Bas heeft nog niet geantwoord. Hij vroeg me net of ik het echt niet kon proberen, ‘gewoon voor één keer’.

Ik heb gezegd dat hij van mij mee mag als hij dat zo graag wil. Dat meende ik op dat moment ook, denk ik. Maar daarna heb ik in de berging onze oude koelbox zien staan, nog met een vergeeld stickertje van een Franse camping erop. Ik stond daar veel te lang naar te kijken.

Vrijdag is overmorgen. Ik weet nog niet of ik een huisje in de buurt ga zoeken, of thuisblijf, of uiteindelijk toch mijn badpak inpak voor een villa die niet als vakantie voelt.