Ik wilde alleen hulp met onze baby, maar bij mijn schoonmoeder raakte ik mezelf kwijt

Toen we bij mijn schoonmoeder introkken, nam ik vooral drie dingen mee: een veel te grote koffer, de Maxi-Cosi en een plastic tas vol hydrofiele doeken die ik steeds kwijt was. Onze zoon Mees was toen net drie weken oud. Ik weet nog dat ik in de auto zat en dacht: twee weken. Hooguit drie. Even slapen, even ademhalen, dan gaan we terug naar huis.

Ons appartement in Amersfoort was niet groot, maar het was wel van ons. Alleen voelde het na de bevalling alsof ik er niet meer kon functioneren. Mees sliep overdag alleen op mij, ’s nachts in stukjes van anderhalf uur. Mijn man, Daan, had wel geboorteverlof, maar hij liep ook rond als iemand die een examen moest doen waarvoor hij niet had geleerd. Hij deed echt zijn best. Luiers, was, boodschappen, alles. Maar hij kon me niet geven wat ik zelf ook niet meer had: rust in mijn hoofd.

Zijn moeder, Ria, woonde in een rijtjeshuis in Soest, met drie slaapkamers en een tuin die ze elke ochtend sproeide, ook als het die dag toch zou regenen. Ze had meteen gezegd dat we welkom waren. “Dan kook ik gewoon, en jij hoeft alleen maar met die kleine bezig te zijn.”

De eerste twee dagen was dat ook fijn. Ze zette ’s ochtends koffie voor Daan en thee voor mij neer zonder iets te vragen. Ze hield Mees vast terwijl ik douchte. Ik heb daar denk ik twintig minuten onder gestaan. Misschien langer. Ik weet alleen nog dat ik begon te huilen toen ik mijn eigen shampoo rook.

Maar Ria kon niet helpen zonder over te nemen.

Als Mees huilde, zei ze niet: “Zal ik hem even vasthouden?” Ze zei: “Hij heeft weer honger, jij voedt hem te kort.”

Als ik hem net had gevoed en hij spuugde een beetje, trok ze haar wenkbrauwen op. “Dat komt omdat je hem meteen weer neerlegt.”

Bij het consultatiebureau hadden ze gezegd dat zijn gewicht prima was en dat borstvoeding op verzoek normaal was. Ik had die woorden bijna letterlijk aan haar doorgegeven, alsof ik me op een officiële instantie moest beroepen om niet gek gevonden te worden.

Ria haalde dan haar schouders op. “Ach, het consultatiebureau. Die hebben elke tien jaar weer iets nieuws. Jullie zijn ook groot geworden op een fles om de vier uur.”

Dat zinnetje heb ik zo vaak gehoord dat ik er op een gegeven moment al spanning van kreeg als ze de keuken binnenkwam.

Ze vond dat Mees te warm gekleed was, dan weer te koud. Ze wilde hem een dekentje in zijn autostoeltje geven, terwijl ik juist had geleerd dat je daar voorzichtig mee moest zijn. Ze zei dat hij overdag best op zijn buik kon slapen, “want dat deden we vroeger gewoon”. Toen ik zei dat ik dat niet wilde, keek ze me aan alsof ik haar persoonlijk beschuldigde van slechte opvoeding.

“Je hoeft niet zo paniekerig te doen, Noor,” zei ze.

Dat was misschien nog het ergste. Niet dat ze een andere mening had. Iedereen heeft wel ergens een mening over een baby. Maar dat ze mijn voorzichtigheid telkens paniek noemde. Alsof ik niet zijn moeder was die probeerde te leren, maar een hysterisch meisje dat haar eerste oppashond had.

Daan hoorde het wel, maar hij deed alsof hij het niet echt hoorde. Hij zei dan later op onze kamer: “Mijn moeder bedoelt het goed.”

En ik zei: “Dat weet ik. Maar ik trek het niet meer.”

Dan keek hij naar Mees, die tussen ons in het campingbedje lag, en zei hij dat het nog maar tijdelijk was. Dat Ria ook gekwetst zou zijn als we ineens vertrokken. Ik schaam me ervoor, maar soms hoopte ik dat Mees hard zou huilen als Ria hem vasthield. Niet omdat ik wilde dat hij verdriet had, maar omdat ik wilde dat zij één keer zou voelen dat ze het ook niet allemaal wist.

Het gebeurde op een donderdagmiddag. Daan was even naar zijn werk gereden om iets op te halen. Ik had Mees gevoed en wilde zelf ook wat eten. Ria zei dat ik gerust een boterham kon smeren, zij zou wel even opletten.

Toen ik terugkwam in de woonkamer, misschien na vijf minuten, zat Ria aan de eettafel met de krant. Mees lag op zijn buik op de bank, tussen twee grote kussens. Hij sliep diep. Of hij lag in elk geval heel stil.

Ik bevroor gewoon.

Er lag een dik gebreid plaid half over zijn beentjes en één van de kussens zat bijna tegen zijn gezicht aan. Ria zag mijn blik en zei nog voordat ik iets kon zeggen: “Kijk nou, eindelijk rustig.”

Ik heb Mees meteen opgetild. Mijn handen trilden zo erg dat ik zijn speentje liet vallen. Hij begon te huilen, hard, dat hoge boze huilen dat door je heen gaat. En ik huilde ook. Niet netjes en stil, maar zo’n lelijke huil waarbij je neus dichtzit en je niet meer normaal kunt praten.

Ria stond op en zei dat ik haar niet zo moest aankijken. Ze zei dat ze echt wel wist wat ze deed. Dat ze drie kinderen had grootgebracht.

Ik zei: “Maar dit doe je niet. Dit is gevaarlijk.”

“Nou, daar komt het weer. Alles is tegenwoordig gevaarlijk.”

Ik weet niet meer precies wat ik daarna zei. Iets over wiegendood en dat de richtlijnen er niet voor niets zijn. Dat ik al honderd keer had gezegd dat hij op zijn rug moest slapen. Ria werd rood en zei dat ik blijkbaar dacht dat zij haar kleinkind expres iets aan wilde doen.

Dat dacht ik niet. Tenminste, niet letterlijk. Ik wist dat ze van Mees hield. Juist daarom snapte ik het niet. Ze wilde zo graag de ervaren oma zijn dat ze niet kon verdragen dat sommige dingen veranderd waren.

Ik belde Daan. Hij nam na twee keer overgaan op.

“Je moet terugkomen,” zei ik.

Hij vroeg wat er was, en ik hoorde aan mijn stem dat ik al te ver heen was. Toen hij thuiskwam, stond ik boven kleren in de koffer te proppen. Niet gevouwen, gewoon erin. Rompers, mijn voedingsbeha’s, zijn kleine sokjes. Ik was zelfs vergeten dat we de kinderwagen beneden hadden staan.

Daan zei eerst dat we even rustig moesten praten. Dat zijn moeder het niet kwaad bedoeld had. Dat het misschien beter was als we die avond allemaal afkoelden.

Ik keek hem aan en zei: “Als jij hier wilt blijven, moet je dat zelf weten. Maar ik ga met Mees naar huis.”

Hij werd heel stil. Ik denk dat hij toen pas zag dat het niet ging over een vervelende opmerking of een botsing tussen twee vrouwen, zoals hij het misschien stiekem had gemaakt in zijn hoofd. Ik sliep nauwelijks, ik twijfelde al aan alles, en in het huis waar ik steun moest krijgen voelde ik me steeds kleiner worden.

Ria kwam niet naar boven. Later hoorde ik haar beneden hard kastjes dichtdoen. Daan pakte uiteindelijk onze spullen in zonder nog iets te zeggen. In de auto belde hij haar nog. Ik hoorde hem alleen zeggen: “Mam, we komen later wel praten.”

We zijn nu bijna twee maanden thuis. Het is nog steeds rommelig. Mees slaapt nog steeds slecht, al heeft hij soms ineens een nacht van vier uur achter elkaar en dan voelen Daan en ik ons de volgende ochtend alsof we een prijs hebben gewonnen. De afwas staat vaak te lang. Ik draag meestal dezelfde joggingbroek. Daan en ik snauwen soms tegen elkaar om niks.

Ria heeft Mees inmiddels twee keer gezien, allebei de keren bij ons thuis. Ze vraagt nog steeds of hij niet eens een fles moet en ze vindt dat ik hem te snel oppak. Maar ze legt hem niet meer slapend op de bank. En ik zeg niet meer alles voorzichtig.

Vorige week wilde ze hem na de voeding in de wipstoel zetten met een dekentje strak om hem heen. Ik zei gewoon: “Nee, doe maar niet.”

Ze keek even alsof ze iets terug wilde zeggen. Toen vouwde ze het dekentje op en legde het naast zich neer.

Dat was geen echte verzoening of zo. Maar ik kon daarna wel eindelijk mijn boterham opeten zonder om de hoek te kijken.