Mijn man wil in ons grote huis blijven, maar ik weet niet hoe lang ik het nog alleen volhoud

Ik heb vorige week voor het eerst de ramen aan de achterkant niet gezeemd. Niet omdat ik geen tijd had, maar omdat ik halverwege op het trapje ineens dacht: als ik nu uitglijd, ligt Kees beneden in zijn stoel en kan hij me niet eens overeind helpen.

Dat klinkt misschien zwaarder dan het is. Hij is niet hulpeloos. Hij rijdt nog auto, doet de boodschappen als ik hem een lijstje geef en hij kan best een maaltijd koken, al staat daarna elke pan die we hebben op het aanrecht. Maar zijn knieën zijn de afgelopen twee jaar hard achteruitgegaan. Eerst liep hij met een stok bij langere stukken. Nu staat die stok standaard naast de voordeur en vermijdt hij de trap alsof daar iets gevaarlijks woont.

We wonen al 34 jaar in dit huis, aan de rand van een dorp bij Amersfoort. Vrijstaand is een groot woord, maar we hebben wel een brede oprit, een schuur waar Kees jarenlang aan fietsen en van alles en nog wat heeft geklust, en een tuin waar ik me sinds mijn pensioen juist helemaal in heb gestort. Ik heb dahlia’s geplant, een kleine kas gekocht via Marktplaats en ik zit sinds kort bij de tuinclub in het dorp. Mijn agenda is eerlijk gezegd voller dan toen ik nog drie dagen per week bij de bibliotheek werkte.

Kees was altijd degene van het huis. Hij schilderde de kozijnen, legde ooit zelf een terras aan en wist van iedere struik wanneer die gesnoeid moest worden. Nu kijkt hij vanuit het keukenraam naar de klimop die over de schutting hangt en zegt dan: “Moet eigenlijk ook weer gebeuren.” Vervolgens gebeurt er niets.

Onze zoon, Jeroen, woont met zijn vriendin Lotte in Utrecht. Hij werkt bij een adviesbureau, reist veel en belt meestal onderweg naar een afspraak of als hij ’s avonds nog achter zijn laptop zit. Toch hebben we een goede band. Hij komt bijna elke zondag koffie drinken, soms met broodjes van de bakker bij hen om de hoek. Als hij er is, zet hij zonder iets te zeggen de afvalcontainers terug, hangt een lampje op of kijkt naar de thermostaat als die weer kuren heeft.

Een maand geleden kwam hij met een funda-linkje.

“Niet meteen nee zeggen,” zei hij, terwijl hij zijn telefoon naar mij draaide.

Het was een appartement in een nieuw complex aan de rand van zijn wijk. Derde verdieping, lift, twee slaapkamers, balkon op het westen, een gezamenlijke binnentuin. Beneden zat een huisartspraktijk en op loopafstand waren winkels. Ik zag meteen de brede deuren, de inloopdouche, de keuken zonder die rare drempel waar ik zelf al twee keer met een dienblad achter ben blijven haken.

“Het is wel mooi,” zei ik.

Kees keek niet eens goed. “Dat is geen huis.”

Jeroen lachte een beetje ongemakkelijk. “Nee, maar het is wel makkelijk. En dichtbij ons. Als er iets is, ben ik er zo.”

Kees zei: “Er is niks.”

Dat was het begin. Niet van een groot geschreeuw of deuren slaan, maar van iets wat overal tussendoor begon te zitten. Bij het ontbijt. Als de traplift ter sprake kwam. Wanneer ik zei dat de tuin eigenlijk te veel werk werd. Kees hoorde in elke opmerking dat ik weg wilde. En misschien wilde ik dat ook, al durfde ik het toen nog niet zo te zeggen.

Ik wil niet weg uit mijn tuin. Ik wil niet elke ochtend uitkijken op balkons van mensen die ik niet ken. Ik wil niet in een appartement wonen waar je hoort wanneer de buren hun stoel verschuiven. Maar ik wil ook niet nog jaren degene zijn die alles opvangt zonder dat we dat hardop erkennen.

Want dat gebeurt nu wel. Ik til de zware wasmand naar boven en beneden. Ik maak het bed op, omdat Kees moeite heeft met bukken en trekken. Ik regel afspraken bij de fysiotherapeut, ik ga mee als hij een injectie in zijn knie krijgt, ik maak de badkamer droog omdat hij bang is uit te glijden maar vervolgens overal water achterlaat. En ik schaam me bijna dat ik daar moe van ben, want hij heeft er zelf ook niet om gevraagd.

Tegelijk doet hij soms alsof mijn vermoeidheid een aanval op hem is.

Vorige zondag zei ik dat ik misschien eens iemand voor de tuin moest zoeken, alleen voor het zware werk. Kees keek naar zijn bord en zei: “Dus nu kan ik ook al niet meer mijn eigen tuin bijhouden.”

Ik zei iets te scherp dat hij dat al maanden niet deed.

Daarna hebben we bijna de hele middag nauwelijks gesproken. Hij keek voetbal. Ik heb in de bijkeuken staan rommelen met potjes waarvan de houdbaarheidsdatum al in 2021 lag. Alsof dat dringend was.

Jeroen heeft het gesprek vorige week verder op scherp gezet. Hij kwam langs nadat hij op vrijdagavond bij ons had gegeten. Lotte was niet mee; zij had een verjaardag. Kees zat al een tijdje stil in zijn stoel en ik wist dat er iets zat aan te komen, want Jeroen was opvallend vriendelijk aan het doen.

Hij zei: “Pap, mam, ik wil gewoon eerlijk zijn. Als jullie hier blijven wonen, kan ik niet beloven dat ik alles ga oplossen als het slechter gaat.”

Kees keek hem aan alsof hij hem niet verstond.

Jeroen ging door. “Ik wil helpen, echt. Maar ik heb mijn werk, en we willen misschien ook een gezin. Ik kan niet steeds vanuit Utrecht komen omdat de cv stuk is, of omdat mam niet meer weet hoe ze jou de trap op krijgt. Dat is niet omdat ik jullie niet wil helpen.”

“Niemand vraagt jou om iets op te lossen,” zei Kees.

“Nou ja,” zei Jeroen, “eigenlijk wel een beetje. Mam belt mij nu al als er wat is.”

Ik voelde mijn wangen warm worden. Dat was waar. Niet dagelijks, helemaal niet. Maar ik bel hem soms omdat ik niet meer weet wat verstandig is. Of omdat ik gewoon even wil zeggen dat zijn vader weer gevallen is, zonder dat ik het meteen een drama wil maken.

Kees draaide zich naar mij. “Dus jij klaagt over mij bij Jeroen.”

Dat woord, klaagt. Daar ging het mis bij mij.

Ik zei dat ik niet over hem klaagde, dat ik soms bang was en dat hij nooit wilde praten zodra het over later ging. Hij zei dat ik hem weg wilde hebben uit zijn eigen leven. Jeroen stond op en zei dat hij misschien beter kon gaan. Ik riep nog dat niemand weg hoefde, maar het klonk slap, zelfs voor mezelf.

Sindsdien is het thuis beleefd. Misschien nog wel erger dan ruzie. Kees vraagt of ik koffie wil. Ik vraag of hij zijn medicijnen heeft genomen. We kijken allebei naar dezelfde televisie, maar ik heb geen idee waar het programma over ging als het afgelopen is.

Gisteren belde de makelaar van het appartement terug. Ik had hem zelf gebeld, alleen om te vragen wat er nog beschikbaar was. Hij zei dat er twee vergelijkbare woningen in het gebouw waren en dat bezichtigen kon, vrijblijvend.

Ik heb geen afspraak gemaakt. Ik heb ook niet gezegd dat ik gebeld had.

Vanmiddag ging Kees met de auto naar de bouwmarkt voor een nieuwe schroefkop voor zijn boormachine. Hij kwam terug zonder schroefkop, omdat hij volgens eigen zeggen in de winkel niet meer wist welke hij nodig had. Hij stond in de hal met zijn jas nog aan en keek zo kwaad naar die lege handen dat ik hem ineens vooral oud vond. Niet zwak. Niet lastig. Gewoon ouder dan hij zelf kan verdragen.

Ik heb gezegd dat het niet erg was en zijn jas aangenomen.

Daarna heb ik de makelaar een mail gestuurd. Of we donderdag om half elf konden komen kijken. Ik heb erbij gezet dat mijn man nog nergens mee akkoord is.

De makelaar antwoordde binnen tien minuten dat dat geen probleem was.

Kees weet het nog niet. Ik weet niet eens of hij meegaat. Maar donderdag heb ik om half elf een bezichtiging in Utrecht, en om negen uur moet ik eerst nog de kliko aan de straat zetten.