Toen Marijke niet meer kon afwassen, bleek onze vriendengroep ineens minder vanzelfsprekend dan ik dacht

Ik wist eigenlijk al dat het mis zou gaan toen ik Marijke op maandagochtend met één hand de vaatwasser zag uitruimen.

Ze hield met haar andere hand haar pols vast, alsof die los van haar arm hing. Op het aanrecht stonden nog drie wijnglazen die niet in de vaatwasser pasten. In de woonkamer lag een vergeten vest over de leuning van de stoel. Iemand had een halve schaal tiramisu in de koelkast gezet zonder iets te zeggen. Dat soort restjes vond ik vroeger bijna gezellig. Een bewijs dat het een goede avond was geweest.

Nu dacht ik alleen: waarom hebben we dit weer gedaan?

We zijn allebei 68. Ik ben sinds drie jaar met pensioen, na bijna veertig jaar bij een installatiebedrijf in Amersfoort. Marijke werkte in de thuiszorg en is iets eerder gestopt dan ze eigenlijk wilde. Haar knieën waren al niet best, maar sinds vorig jaar zit de artrose ook in haar handen en heupen. Niet dramatisch, ze kan nog wandelen en fietsen als het mee zit, maar een hele zaterdag boodschappen doen, snijden, tafels dekken, koken voor tien man en daarna opruimen: dat hakt erin.

Toch waren die etentjes altijd óns ding.

We wonen in een rijtjeshuis met een uitbouw die we ooit lieten zetten toen de kinderen nog thuis woonden. De kinderen zijn allang de deur uit, maar die lange eettafel bleef. Zo is het begonnen, met een paar buren uit de straat en later vrienden van de tennis en oud-collega’s. Eén keer per maand, meestal op zaterdag. Soep vooraf, iets uit de oven, kaas of koffie na. Niemand hoefde iets mee te nemen, zei Marijke vroeger altijd. “Jullie nemen jezelf mee, dat is genoeg.”

En eerlijk is eerlijk: ik vond het ook fijn. Het huis vol stemmen, de jassen op bed, iemand die altijd te hard lachte in de keuken. We waren niet van vakanties met z’n allen of van elke week appen. Maar die avonden hielden de groep bij elkaar.

Alleen waren wij ongemerkt niet alleen de gastheer en gastvrouw geworden. We waren ook de agenda, de boodschappenlijst, de taxi voor Theo als hij weer eens met de trein was gekomen, de mensen die wisten dat Els geen paprika lust en dat Kees na tien uur ineens naar huis moet omdat hij zijn hond uit moet laten.

In januari zei de huisarts tegen Marijke dat ze haar gewrichten niet steeds moest overbelasten. Ze kwam thuis met een folder, een recept voor pijnstilling en een gezicht dat ik nog het ergste vond. Niet bang, meer beledigd. Alsof haar lichaam zonder overleg regels had veranderd.

Voor het diner van februari stelde ik voor om af te zeggen.

“Dan verwatert het,” zei ze meteen.

Dat was precies mijn angst ook. Je kent dat. Eerst sla je één keer over omdat iemand pijn heeft. Daarna is het voorjaar, dan zijn er verjaardagen, dan blijkt iedereen andere plannen te hebben. Voor je het weet zit je op zaterdagavond tegenover elkaar naar een quiz op NPO 1 te kijken en zeg je dat je het eigenlijk wel rustig vindt.

Dus Marijke stelde iets anders voor. Geen grote zaak, vond ze. We zouden in de groepsapp zetten dat we voortaan zouden rouleren. Niet eens per se allemaal thuis ontvangen, want niet iedereen heeft ruimte. De één kon koken en het bij ons brengen, de ander kon voor het toetje zorgen, twee mensen konden na afloop helpen met opruimen. Gewoon vooraf afspreken, zodat Marijke niet op de dag zelf hoefde te gokken of iemand uit zichzelf een theedoek zou pakken.

Ik vond het eerst nogal zakelijk klinken. Een rooster voor vrienden, daar kreeg ik een beetje jeuk van. Maar ik zag haar die ochtend bij de vaatwasser staan, dus ik zei: doe maar.

Ze schreef een keurig bericht. Veel vriendelijker dan ik het had gedaan, waarschijnlijk. Dat haar artrose opspeelde, dat we de avonden graag wilden houden, maar dat het niet meer lukte zoals vroeger. Ze stelde voor om tijdens het volgende diner even te bespreken hoe we het konden verdelen.

De reacties kwamen snel. Els stuurde meteen hartjes en zei dat ze best om de beurt een hoofdgerecht kon maken. Henk bood aan om voortaan de wijn te regelen. Saskia appte privé naar Marijke dat ze het eigenlijk al veel eerder had moeten zeggen.

Maar er bleef één reactie uit: die van Bas.

Bas is al ruim dertig jaar een van mijn beste vrienden. We hebben samen gevoetbald toen onze knieën het nog deden, we zijn met de gezinnen naar Frankrijk geweest, en toen ik een hartinfarct had gehad, stond hij de volgende ochtend om acht uur bij de deur met krentenbollen en veel te sterke koffie. Hij is geen slecht mens. Hij is juist vaak gul op zijn manier.

Twee dagen later belde hij me.

Hij begon met: “Joh, ik snap dat Marijke last heeft.”

Daarna kwam er een lange pauze waarin ik al voelde dat er een ‘maar’ ging komen.

Hij vond dat we het niet zo moesten formaliseren. Volgens hem werd de charme van de avonden juist dat iedereen bij ons binnen kon vallen zonder gedoe. Hij zei dat zijn appartement in Vathorst te klein was en dat hij niet kon koken. Zijn vrouw Lia had sinds haar schildkliergedoe weinig energie, zei hij. Allemaal waar, trouwens.

“Maar helpen met opruimen kan toch wel?” vroeg ik.

“Ja, natuurlijk,” zei hij. “Als het nodig is.”

Ik zei dat het dus nodig was.

Hij zuchtte. “Ja, maar als we nou lijstjes gaan maken wie wanneer moet afwassen, dan voelt het als een vereniging. Dan komt niemand meer voor z’n lol.”

Ik werd bozer dan ik van plan was. Niet omdat hij geen pan pasta wilde maken. Maar omdat hij sprak over ons huis alsof het een zaaltje was dat vanzelf beschikbaar bleef. Alsof Marijke onderdeel van de inrichting was, samen met de lange tafel en de extra stoelen uit de schuur.

Ik zei iets als: “Voor jullie is het spontaan. Voor ons is het sinds donderdagmiddag werk.”

Dat viel verkeerd. Hij zei dat ik overdreef en dat niemand ons ooit gedwongen had. Daar had hij gelijk in, en juist daarom kwam het hard aan. Wij hadden dit zelf zo gemaakt. Marijke had jarenlang gezegd dat het niets was. Ik had ernaast gestaan en haar laten rennen, omdat ik dacht dat zij daar ook energie van kreeg.

Het diner in maart ging uiteindelijk niet door. Niet vanwege Bas alleen. We kregen ineens allemaal moeilijk gedoe in de app. Iemand stelde voor om voortaan gewoon uit eten te gaan, maar voor een groep van tien loopt dat ook flink op, zeker als je nog een paar glazen wijn neemt. Theo zei dat hij niet op vaste data kon omdat hij op zijn kleinkinderen past. Lia vond een rooster “een beetje schools”, wat me nog steeds irriteert als ik eraan denk.

Marijke las alles aan de keukentafel en zei bijna niets. Toen ik vroeg of ze verdrietig was, zei ze: “Nee hoor, ik ben gewoon klaar met organiseren.”

Maar die avond hoorde ik haar in de bijkeuken rommelen. Ze was de servetten aan het sorteren. We hebben er belachelijk veel, in een la onder de oven. Kerstservetten, linnen servetten van mijn moeder, papieren servetten met citroenen erop. Ik vroeg waarom ze dat deed.

“Geen idee,” zei ze. “Misschien weggooien.”

We hebben geen definitief besluit genomen. Voor april hebben we alleen Els en Henk gevraagd. Zij komen eten en Henk neemt een lasagne mee. Geen gedekte tafel met tien mensen, geen schema, geen discussie. Gewoon vier borden.

Bas heeft vorige week nog een foto gestuurd van zijn nieuwe barbecue. Ik heb er een duimpje op gezet. Daarna heb ik mijn telefoon weggelegd. Ik weet niet of ik hem moet bellen of juist niet. Marijke zegt dat ik moet ophouden met doen alsof ik de groep bij elkaar moet houden.

Misschien heeft ze gelijk.

Vanmorgen vroeg ze of ik de glazen uit de hoge kast wilde pakken. Els neemt zaterdag een fles limoncello mee, had ze geappt. Ik heb ze gepakt, ook de kleine glaasjes die we bijna nooit gebruiken. Daarna ben ik gaan zitten, omdat mijn rug ook niet meer is wat hij was.

Marijke keek naar de tafel en zei: “Vier is eigenlijk ook gezellig.”

Ik zei dat ik dat vond klinken alsof we onszelf moesten troosten.

Ze lachte heel even. “Dat doen we dan ook een beetje.”