Na 34 jaar zei ik voor het eerst nee tegen onze vaste vakantie met vrienden
De mail van Kees kwam op een dinsdagochtend binnen, nog vóór ik mijn tweede koffie op had.
Hij had de camping in de Ardèche alweer vastgelegd. Huisje 14 voor hem en Marianne, huisje 15 voor Els en mij. Dezelfde twee huisjes als vorig jaar, en het jaar daarvoor. Er zat een foto bij van het zwembad en daaronder schreef hij: “Mooi op tijd geregeld, mannen. Nu alleen nog aftellen.”
Els zat tegenover me aan de keukentafel en zag mijn gezicht blijkbaar veranderen.
“Wat is er?” vroeg ze.
Ik draaide mijn telefoon naar haar toe. Ze las het bericht, glimlachte zelfs even en zei: “Fijn. Dan hoeven we daar ook niet meer over na te denken.”
Dat was precies het probleem, maar ik kreeg het er niet uit. Ik zei alleen: “Ja.”
We zijn nu 63 en 61, Els en ik. Ik ben sinds anderhalf jaar met pensioen. Ik werkte bij een installatiebedrijf in Amersfoort, vooral onderhoud aan schoolgebouwen en kantoren. Els werkt nog twee dagen op de administratie van een fysiopraktijk. Kees was vroeger uitvoerder bij de gemeente en Marianne werkte in een drogisterij. We kennen elkaar sinds onze oudste kinderen in groep drie zaten. Onze zoons voetbalden samen bij Hooglanderveen en wij stonden langs de lijn met thermoskannen koffie, alsof dat het belangrijkste werk van de week was.
Voor je het weet ben je ruim dertig jaar verder.
We eten elke woensdag bij elkaar. De ene week bij ons, de andere week bij hen. Maar zelfs dat is in de praktijk nooit helemaal om en om gegaan. Marianne stuurt op maandag meestal al een appje: wat zullen we woensdag doen? En dan volgt er een voorstel voor stoofvlees, pasta uit de oven, tapas, wat dan ook. Els reageert met een duimpje en ik lees mee zonder iets te zeggen.
Kees regelt de kaarten voor het theater. Kees weet welk restaurant “echt de moeite” is. Marianne weet welke vrienden van hen we ook gezellig zouden vinden. Als er een vakantie gepland moet worden, heeft Kees al drie opties uitgezocht voordat ik überhaupt bedacht heb of ik weg wil.
Het klinkt misschien ondankbaar. Ze zijn geen nare mensen. Integendeel. Toen mijn moeder in het ziekenhuis lag, stonden ze met een pan lasagne voor de deur. Toen onze zoon Ruben ging scheiden, heeft Marianne uren met Els aan de telefoon gezeten omdat Els zich zo’n zorgen maakte om de kleinkinderen. Met kerst hoeven we nooit alleen te zijn. Op mijn verjaardag is er altijd iemand die eraan denkt dat ik graag gevulde speculaas eet.
Maar de laatste jaren kreeg ik soms het gevoel dat ik vooral een vierde stoel was. Nodig om de tafel compleet te maken.
Dat begon niet met die vakantie. Het begon waarschijnlijk eerder, met kleine dingen. Ik wilde een keer op woensdag niet eten omdat ik naar een introductieavond van een wandelvereniging wilde. Ik had ergens gelezen dat ze ook meerdaagse tochten deden, gewoon in Nederland, met mensen die je niet kende. Kees zei meteen: “Jij? Met van die wandelstokken zeker?” Hij bedoelde het als grap. Iedereen lachte, ik ook.
Ik ben niet gegaan.
Een andere keer stelde ik voor om in plaats van Frankrijk een week naar Schotland te gaan. Niet omdat ik daar al jaren van droomde of zo. Het leek me gewoon mooi, ruiger, iets anders. Kees zei dat het daar altijd regent en Marianne begon over de lange autorit en gedoe met links rijden. Els zei dat ze Frankrijk eigenlijk wel prettig vond, omdat ze wist waar de supermarkt zat en bij de apotheek goed terechtkon.
Daar was het gesprek klaar.
In januari heb ik toch die wandelvereniging gemaild. Ik ging drie zaterdagen mee. Eerst naar de Utrechtse Heuvelrug, later een lange tocht bij Rhenen. Ik vertelde er thuis weinig over. Dat klinkt kinderachtig als ik het zo opschrijf, maar ik had geen zin in een hele discussie. Els vroeg op een gegeven moment waarom ik steeds vroeg weg was. Ik zei dat ik wandelde. Ze zei: “Met wie dan?” Niet eens verwijtend, meer verbaasd.
“Met mensen van een clubje.”
Ze keek me aan alsof ik had gezegd dat ik motor wilde gaan rijden met een leren broek aan.
Toen kwam die mail over de Ardèche. Ik heb er twee dagen naar gekeken. Daarna heb ik Kees gebeld. Mijn handen trilden echt een beetje, belachelijk op mijn leeftijd.
Ik zei dat Els waarschijnlijk wel mee wilde, maar dat ik deze zomer niet naar Frankrijk ging. Ik had me ingeschreven voor een tiendaagse wandelreis in Slovenië. Alleen. Met een kleine groep, maar zonder bekenden.
Aan de andere kant bleef het even stil.
“Alleen?” vroeg Kees uiteindelijk.
“Ja. Nou ja, niet helemaal alleen dus. Maar zonder jullie en zonder Els.”
Hij zei: “Is er iets aan de hand?”
Ik wilde zeggen dat er juist niets bijzonders aan de hand was, behalve dat ik al jaren dingen deed waar ik niet echt zin in had. Maar dat klonk meteen hard en ondankbaar. Dus ik zei dat ik gewoon eens iets voor mezelf wilde doen.
Kees reageerde kort. “Nou, dat moet je zelf weten.”
Die avond belde Marianne Els. Ik hoorde Els in de woonkamer steeds zachter praten. Daarna kwam ze de slaapkamer binnen, ging op de rand van het bed zitten en zei: “Ze zijn echt gekwetst, Henk.”
Ik zei dat dat me speet.
“Maar begrijp je dan niet hoe dit overkomt? Jullie doen dit al 28 jaar samen. Kees heeft die huisjes al betaald. Marianne had alles al in haar hoofd. En jij zegt gewoon: ik ga liever zonder jullie weg.”
“Dat heb ik niet zo gezegd.”
“Maar zo voelt het wel.”
Daar ging het eigenlijk niet meer over Slovenië. Els zei dat ik haar ook in een rare positie bracht. Want wat moest zij nu doen? Alleen met Kees en Marianne naar Frankrijk? Thuisblijven? Zij vond die vakantie gewoon fijn. Ze vond onze woensdagen fijn. Zij zag geen verstikking, zoals ik het een keer ongelukkig noemde. Zij zag zekerheid.
En eerlijk gezegd snap ik haar ook. Els heeft niet makkelijk nieuwe contacten. Haar zus woont in Zeeland en haar vriendinnen van vroeger zijn verwaterd. Kees en Marianne zijn voor haar geen gewoon gezelschap. Zij zijn de mensen die weten hoe het met Ruben gaat, die zonder uitleg begrijpen waarom ze soms stiller is, die op zondagavond nog even kunnen aanbellen.
Ik zei iets doms. Ik zei: “Dus ik moet maar meegaan omdat jij anders niemand hebt?”
Ze werd heel bleek. Niet boos eerst, alleen gekwetst. Toen zei ze: “Dat is laag.”
Daar had ze gelijk in.
Sindsdien is het stroef. We zijn nog wel bij Kees en Marianne geweest, afgelopen woensdag. Marianne had couscous gemaakt, wat ze vaker doet als het warm is. Er stond een schaal met geroosterde groenten op tafel en Kees vertelde uitgebreid over een nieuwe barbecue die hij wilde kopen voor Frankrijk. Hij zei niet één keer dat ik niet meeging. Alsof het onderwerp uit beleefdheid niet bestond.
Toen ik wegging, gaf Marianne me een knuffel die net iets te snel eindigde. Buiten, bij de auto, zei Els niets. Thuis zette ze de vaatwasser aan terwijl ik nog mijn jas aan had.
Mijn wandelreis is over zes weken. Ik kan nog annuleren, min vijftien procent volgens de voorwaarden. Soms denk ik: doe normaal, Henk. Ga gewoon mee. Drink je rosé bij het zwembad, speel een potje jeu de boules, maak het niet groter dan het is.
Maar gisteren kreeg ik een bericht van iemand van de wandelgroep. Of ik zondag mee wilde naar de Veluwezoom. Ik heb ja geantwoord zonder het eerst aan iemand voor te leggen.
Els keek vanmorgen naar mijn wandelschoenen in de gang en vroeg hoe laat ik weg moest. Ik zei half negen.
“Zal ik je afzetten bij het station?” vroeg ze.
Ik weet nog steeds niet of dat een toenadering was, of alleen een praktische vraag. Ik heb gezegd dat fietsen ook wel ging.